Tweede Atjehexpeditie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Atjehoorlog

1ste expeditie · 2de expeditie · Lam Poeloe · Lam Ara (Oleij-loe) · Garouw · Kota Alam · Lemboe en Berauw · Soerian · Batoe Iliq · Edi-expeditie · Kaloet-affaire · Pedir-expeditie

KNIL officieren op wacht op de Kraton in 1874

De tweede expeditie naar Atjeh was het vervolg op de mislukte eerste expeditie naar Atjeh van het Nederlands Indisch leger.

Voorbereiding[bewerken]

De expeditie duurde formeel van 20 november 1873 (inscheping van generaal Van Swieten en zijn troepen naar Atjeh) tot 26 april 1874 (inscheping van de generaal naar Java met de hoofdmacht). Oorspronkelijk was door gouverneur-generaal Loudon bepaald dat generaal Verspyck, die ook de eerste expeditie had geleid, het opperbevel zou voeren. Hij veranderde echter, onder invloed van zijn adjudant Johannes Isaak de Rochemont, van mening en meende er goed aan te doen de reeds lang gepensioneerde generaal Van Swieten aan te stellen in de functie van opperbevelhebber en regeringscommissaris. Een van diens eerste daden was de reeds bijeen gebrachte troepenmacht met een derde te verminderen, en van het restant nog eens een derde, de zogenaamde Padangse brigade, te Padang achter te laten als reserve. Ook het aantal transportschepen werd beperkt, waardoor de besmettelijke cholera veel van de tijdens de overtocht opeengepakte soldaten aan kon tasten. In zijn eerste dagorder van 21 november 1873 bedreigde de humanitair ingestelde Van Swieten zijn manschappen met de dood als zij kampongs in brand zouden steken.

De eigenlijke expeditie[bewerken]

Uiteindelijk door cholera en gebrek aan drinkwater gedwongen vond op 9 december de landing plaats. Het oorspronkelijke plan van generaal Verspyck was om een tweede colonne aan de westkust van Sumatra te laten landen en dan van twee kanten het paleis van de sultan, de kraton, te benaderen. Van Swieten had dit plan afgewezen en trok op een zeer trage wijze naar Penajoeng waar door de genie een groot bivak werd gebouwd. De troepenmacht bleef hier dagen dralen om uiteindelijk op 6 januari, zonder voorafgaande verkenningen, de mesigit (moskee) van voren aan te vallen en uiteindelijk met veel verlies aan manschappen in te nemen. Met name het derde bataljon infanterie onder leiding van majoor Cavaljé telde veel doden en gewonden. Er was door de Atjehnezen een enveloppe voor de mesigit aangelegd, waarvan generaal van Swieten, door het nalaten aan verkenningen, onwetend was. Hij had bovendien uit kostenoverwegingen acht informanten die het terrein kenden afgedankt. Weer volgde een periode van passiviteit, zonder dat er verkenningen werden uitgevoerd. Pas op 24 januari werd de Kraton aangevallen, zodat de vijand alle gelegenheid had gekregen om bijtijds weg te komen. Van Swieten achtte nu de oorlog beëindigd en schreef dit in proclamaties aan het "verslagen" Atjehnese volk. Kapitein der artillerie Borel, een deelnemer en verslaglegger van de expeditie schreef hier later over dat Van Swieten daarmee het gegeven negeerde dat een oorlog pas ten einde is als beide partijen het daarover eens zijn. En zover waren de Atjehnezen beslist niet.

Gevechten tijdens de tweede expeditie

Er volgden nog enkele gevechten op de 29ste januari, een aanval op het bivak te Penajoeng op 12 februari en daarnaast nog het echec Romswinckel op 16 april (een nederlaag tegen de Atjehnezen, die een versterking pal onder de wallen van de Kraton hadden kunnen opwerpen omdat er geen patrouilles plaats hadden). De manschappen waren verplicht de proclamaties van Van Swieten verder te verspreiden onder de "verslagen" Atjehnezen; de toon daarvan was bevoogdend en aanmatigend. De opperbevelhebber zelf hield zich intussen onledig met het ontvangen van (waarschijnlijk) spionnen en Atjehnese passanten, aan wiens oordeel hij meer waarde hechtte dan aan het oordeel van zijn eigen manschappen (getuige het: hij, de onbekwame, subalterne kapitein Borel over kapitein Borel, of hij, de vechtmajoor over majoor Romswinckel, of hij is avontuurlijk en mist besef van de hogere krijgskunde over generaal Verspyck.[1] Aan Gigien betaalde hij 24.000 guldens, zodat daar de Nederlandse vlag gehesen werd. Dit zogenaamde kopen van de vlag bracht onder menigeen een gevoel van wrevel teweeg omdat het niet strookte met de Nederlandse waardigheid. Maar Van Swieten meende dat onderworpenheid beter door kopen dan door vechten bereikt kon worden en zag er niets onwaardigs in.

De wrange erfenis[bewerken]

Op 26 april (dus een week na het echec Romswinckel) vertrok generaal van Swieten met de hoofdmacht naar Batavia om "de palm der overwinning" te vieren. De manschappen van zijn leger, die in Atjeh moesten achterblijven, moesten de tijd zien te doden (er mochten geen offensieve acties plaatsvinden, volgens de door Van Swieten nagelaten order en daar waren nu dan ook geen manschappen genoeg meer voor) in een desolate, onveilige stelling, waar cholera en vijanden vrij spel hadden en waar na een overstroming de lichamen van hun begraven metgezellen weer boven de aarde kwamen, waardoor er wekenlang een lijkenlucht hing. Daarnaast moesten ze lijdelijk toezien hoe nabij het verlaten bivak Penajoeng andere gestorven kameraden door de Atjehnezen werden opgegraven en verminkt. Generaal Pel zou aan deze niet zo fraaie erfenis nog een zware dobber hebben. Ook in latere jaren bleef generaal Van Swieten zich intensief met de politiek in Atjeh bezighouden, hetgeen later de machinaties tot gevolg zouden hebben die tot het aftreden van generaal van der Heijden en het desastreuze optreden van de civiel commissaris Pruijs van der Hoeven zouden leiden. Koning Willem III stichtte op 12 mei 1874 een Atjeh-medaille 1873-1874. De medaille werd niet alleen voor de eerste expeditie naar Atjeh maar ook voor aanwezigheid in Atjeh gedurende de eerste zes maanden van de Tweede expeditie naar Atjeh verleend. Bijzonder is dat de dragers van deze Atjeh-medaille ook een gesp met de opschrift "ATJEH 1873-1874" op het lint van het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven mochten dragen. Er werden ook kruisen van de Militaire Willems-Orde en Medailles voor Moed en Trouw uitgereikt aan hen die buitengewone moed, beleid en trouw hadden getoond. Een opvallend persoon bij deze uitreikingen was de Thüringse edelman von Bültzingslöwen, over wie de opperleiding van de expeditie zeer te spreken was, en die de eretitel eerste flankeur van het Nederlands Indische leger verwierf, evenals het ridderschap in de Militaire Willems-Orde.

Nuvola single chevron right.svg Zie ook de Atjeh-oorlog onder generaal Pel voor het vervolg over dit onderwerp
Portal.svg Portaal KNIL
Bronnen, noten en/of referenties
  1. 1879. J. van Swieten. De waarheid enz.
  • 1878. G.F.W. Borel. Onze vestiging in Atjeh critisch beschreven. D.A. Thieme. Den Haag.
  • 1880. G.F.W. Borel. Drogredenen zijn geen waarheid. Henri J. Stemberg. Den Haag.
  • 1883. H.F. Meijer. Atjeh van 26 december 1875 tot 4 september 1876. De offensieve handelingen van de guerrilla, uit officiële bescheiden samengesteld en met een kaart, schetsen en plannen toegelicht. P.B. Nieuwenhuijs. Breda.
  • 1877. W.C. Nieuwenhuijzen (Monitor). De transportschepen voor het Indische leger. G. Kolff & Co. Batavia.
  • 1886. A. Pruijs van der Hoeven. Mijn ervaring met Atjeh. Gebr. Belinfante. Den Haag
  • 1873. J.van Swieten. Tactische aanbevelingen en wenken voor de tweede veldtocht tegen Atjeh.
  • 1879. J. van Swieten (luitenant generaal, adjudant des konings en Staatsraad in buitengewone dienst). De Waarheid over onze vestiging in Atjeh. Johan Noman en Zoon. Zaltbommel
  • 1879. J. van Swieten. Open brief van generaal J. van Swieten aan generaal G.P. Booms. Nijgh & van Ditmar. Rotterdam
  • 1880. J. van Swieten. Luitenant generaal J. van Swieten versus de luitenant generaal G.M. Verspyck. Johan Noman en Zoon. Zaltbommel
  • 1880. G.M. Verspyck. Generaal van Swieten en de Waarheid. Henri J. Stemberg. Den Haag