Tweede Boni-expeditie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nederlandse troepen op Celebes.

De tweede Boni-expeditie (of Makassaarse expeditie) was een strafexpeditie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger naar Boni (nu Bone, Zuid-Celebes) in januari 1825.

Inleiding[bewerken]

Gouverneur-generaal Godert van der Capellen had nog maar net Celebes verlaten na de Eerste Boni-expeditie of de Boniërs trokken in groten getale over de grens van het Nederlands-Indische gouvernement, veroverden de Nederlandse posten Pangkajene en Labakkang, bezetten Tanete en brachten de verjaagde vorst weer op de troon. Met 25.000 man hielden zij de vruchtbare streek tussen Tanete en Maros en ook in het zuiden de omgeving van Bantaeng en Bulukumba bezet; majoor Wachs viel hen in de vlakte van Maros aan en bracht de Boniërs gevoelige verliezen toe; daar stond tegenover dat de versterkingen van het gouvernement te Maros, Bantaeng en Bulukumba onvoldoende bezet aan een aanval blootstonden en geheel Celebes verloren dreigde te gaan.

De expeditie[bewerken]

Er werd tot een grote expeditie (de zogenaamde Makassaarse expeditie) besloten onder opperbevel van generaal-majoor Josephus Jacobus van Geen; hij werd tevens benoemd tot eerste commissaris voor de zaken van Celebes en aan hem toegevoegd werden de civiele ambtenaren Tobias en Van Schelle. De expeditionaire troepen telden 4.100 man, waaronder 2.200 soldaten, 1.100 Soemenappers en 800 man hulptroepen van de het gouvernement goedgezinde vorsten van Celebes; de vloot stond onder bevel van kapitein ter zee Pietersen en telde 7 oorlogsbodems, 3 kanonneerboten en enige gewapende sloepen. Op 20 januari 1825 aanvaardde Van Geen het opperbevel en een week later kwam het schip de Louisa met de bevelhebber en de staf te Makassar aan. De baai van Boni werd nauwkeurig opgenomen en de kust verkend; bij deze gelegenheid onderscheidde zich de adelborst eerste klasse Jan van Speijk; de expeditie verscheen voor Bantaeng en Bulukumba en nu werden alle versterkingen genomen; de vloot vervolgde haar tocht naar Boni, waar de Bonische strijdkrachten bij Sinjai waren samengetrokken; er werd nu een aanval in de flank (door majoor Gey van Pittius geleid) uitgevoerd en de Boniërs werden verdreven maar groepeerden elders samen en dreigden de terugtocht af te snijden; ze werden verjaagd door het vuur van de barkassen onder leiding van Zoutman.

Landing op de kust van Bajoe, 27 maart 1825.

Op de 15de maart was de landing afgerond, was er een veldwerk op het strand opgeworpen en stonden er 5.000 Boniërs gereed om de troepen aan te vallen. Van Geen liet enkele congrevische vuurpijlen tussen de Bonische ruiters werpen, waardoor deze op de vlucht sloegen en men van de paniek gebruik kon maken om tot de aanval over te gaan. De vijand trok zich in het gebergte terug, waar nog ongeveer 7.500 man als reserve stond opgesteld, en deed een onverwachte aanval met zoveel kracht dat ze door de tirailleurlinie van de Nederlandse troepen heenbrak en zich op de colonnes wierp. Van Geen liet het zevende regiment huzaren de vijand in de flank aanvallen, terwijl majoor Gey van Pittius de aandacht van de Boniërs probeerde af te leiden, waarop de vijand zich weer in het gebergte terugtrok. Mangara Bombang was veroverd en de volgende dag zou de vijandelijke hoofdmacht worden aangevallen te Groot Sinjai maar de vijand was bijtijds afgetrokken. De 22ste werden de troepen weer ingescheept om Bajoe en Boni te veroveren.

De afloop[bewerken]

Bajoe werd verdedigd door een uitgestrekte linie, een uur gaans, waarvan de linkervleugel gedekt werd door een redoute, de rechter tegen ondoordringbare moerassen lag aangeleund en waarvan de verdedigingswerken bewapend waren met zwaar geschut. Na het debarkeren bestormden de Nederlandse troepen Bajoe en werden de Boniërs op de vlucht gedreven. De 30ste maart bereikten de troepen de omwalling van Boni; de stad was, onder de indruk van de overwinning van de Nederlandse troepen bij Bajoe, in allerijl verlaten door de Boniërs; de koningin was gevlucht en er werd door Van Geen een proclamatie verspreid om de hoofden over te halen weer tot onderhandelingen over te gaan. Le Bron de Vexela werd met een sterke macht naar Makassar gestuurd om ook hier de kracht van de Nederlandse wapens te laten zien. De 20ste juni vertrok de vloot naar Supa, werden alle vijandelijke werken genomen en werd een proclamatie gericht aan de koning en de rijksgroten om hen alsnog in de gelegenheid te stellen zich te onderwerpen. De koning onderwierp zich, wapens werden ingeleverd en dat betekende het einde van de Tweede Boni-expeditie.

Portal.svg Portaal KNIL
Bronnen, noten en/of referenties
  • 1900. W.A. Terwogt. Het land van Jan Pieterszoon Coen. Geschiedenis van de Nederlanders in oost-Indië. P. Geerts. Hoorn
  • 1900. G. Kepper. Wapenfeiten van het Nederlands Indische Leger; 1816-1900. M.M. Cuvee, Den Haag.'
  • 1876. A.J.A. Gerlach. Nederlandse heldenfeiten in Oost Indië. Drie delen. Gebroeders Belinfante, Den Haag.