Tweede expeditie naar Bali

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tweede expeditie naar het vorstendom Bali in 1848
Onderdeel van de veldslagen van het Nederlands-Indisch leger
Aanval der Baliers bij Kasoemba.jpg
Datum 1848
Locatie vorstendom Bali
Resultaat Overwinning der Balinezen
Casus belli Opstanden tegen het Nederlandse gouvernement
Strijdende partijen
Prinsenvlag.svg Nederland Prinsenvlag.svg vorstendom Bali , kolonie van Nederland
Commandanten
Prinsenvlag.svg generaal-majoor van der Wijck Prinsenvlag.svg Deel van de bevolking
Inlandse vorsten waren niet onder de indruk van de resultaten van de eerste expeditie naar Bali, hielden zich niet aan hun verplichtingen en er dreigden nieuwe opstanden.
Portaal  Portaalicoon   KNIL

De tweede expeditie naar Bali was een strafexpeditie van het Nederlands-Indische leger naar het vorstendom Bali in 1848

Inleiding[bewerken]

Pas na de eerste expeditie naar Bali bleek dat de onderwerping niet volkomen was; de oorlogskosten werden niet betaald, gezanten die naar Batavia gezonden moesten worden verschenen niet en toen de regering van een en ander weinig tot geen notitie scheen te nemen kwamen de Balinezen weer in opstand en werd het Nederlandse fort ingesloten. Blijkbaar aarzelde de Indische regering direct paal en perk te stellen aan die bewijzen van kwader trouw en verzet; de toestand in Europa indertijd was oorzaak dat men er tegenop zag een aanzienlijke troepenmacht naar het eiland Bali te zenden. En toen men er eindelijk toe overging, bleek zij niet sterk genoeg te zijn een beslissend resultaat te verwerven; de afwachtende houding, door het Indische gouvernement aangenomen, nadat al dadelijk gebleken was dat de vorsten van Bali zich niet wilden houden aan de overeenkomst, door wapengeweld hun afgedwongen, de lauwheid van de regering, bracht de Balinezen in de waan dat men hen niet aandurfde. Het zwakke garnizoen in het fort aan de kust van Beliling werd meer en meer ingesloten en enige gestrande vaartuigen werden door de Balinezen afgelopen. Eindelijk, in maart 1848, werd een nieuwe expeditie uitgerust.

Samenstelling der expeditie[bewerken]

Als opperbevelhebber der tweede expeditie was generaal-majoor van der Wijck benoemd, tot tweede bevelhebber was luitenant-kolonel A.H.W. de Kock aangesteld, terwijl overste van Swieten benoemd werd tot chef van de staf. De landmacht bestond uit het derde en dertiende bataljon infanterie, onder bevel van luitenant-kolonel Le Bron de Vexela en J.B.J. Sutherland; twee halve bergbatterijen, met een reserve van 8 Coehoornmortieren en een reservepark; detachementen cavalerie en genietroepen, alsmede 300 man Madurese hulptroepen, te samen 109 officieren en 2.265 minderen, waaronder slechts 775 Europeanen. De zeemacht was onder de bevelen van kapitein-ter-zee Sterk en was samengesteld uit 4 stoomschepen, 5 schoeners, 9 kruisboten en enige kleinere vaartuigen; er waren 11 transportschepen gehuurd.

Krijgsverrichtingen[bewerken]

Aanval op de kampongrand

Ter dekking van de voorgenomen landing werd een colonne onder majoor Sorg vooruit te Timor-Sangsit aan land gezet; de hoofdmacht werd, na te zijn gedebarkeerd, in drie colonnes opgesteld, onder bevel van de luitenant-kolonels Sutherland, Le Bron de Vexela en majoor De Vos. Om de opdringende Balinezen terug te dringen, moest zonder aarzelen kampong Boenkoelan worden genomen, waarin door de Nederlandse troepen de nacht werd doorgebracht. De vijand had zich intussen verschanst in een uitstekend versterkte stelling, die van Djaga Raga; al was het slechts door een nauw defilé, toch was de hoofdplaats te naderen en dit werd verdedigd door twee redoutes, door brede grachten verbonden en gedekt door de rivieren van Boenkoelan en Sangsit. Ook hier werd de stormvrijheid verzekerd door levende bamboedoeri op de bermen der verdedigingswerken en de accessen.

Er heerste diepe stilte in de vijandelijke werken, toen de Nederlandse colonnes tot de aanval overgingen. Maar toen de mortieren, tegenover de redoutes opgesteld, het vuur openden, kwamen de Balinezen tevoorschijn en beantwoordden dit. De colonne Sutherland trachtte tussen beide redoutes door te dringen, in verband met een omtrekkende beweging van de rechtervleugel van de vijandelijke positie; de eerder vermelde gracht werd overgetrokken en de bezetting van een der verdedigingswerken, beducht om te worden ingesloten, verliet dit reeds voordat de Nederlandse troepen het had bezet. Deze omtrekking mislukte doordat een groot aantal Balinezen met gevelde lans zich op de troep wierpen en deze tot wijken brachten. Ten overvloede had het centrum het zwaar te verantwoorden; door de Balinezen werd in hun hoofdwerk stand gehouden. Le Bron de Vexela plaatste zelf een stormladder tegen de rechter face maar de borstwering was zo hoog dat de ladders te kort bleken.

Met gebrekkige hulpmiddelen werd een brug over de diepe gracht der redoute geslagen en zo wisten twee compagnieën de keel van het werk te bereiken. Maar de Balinezen hielden stand en de Nederlanders werden teruggeslagen. Omdat de brug niet meer te vertrouwen was moest men zich door de overmachtige vijand heen slaan. De toestand werd hachelijk; er ontstond gebrek aan munitie. De aarzeling der troepen werd door de vijand opgemerkt, die nu weer aandrong. Er er zat niets anders op dan - zij het dan ook in geregelde orde en onder dekking van de colonne De Vos - naar het strand terug te keren, waar een bivak betrokken werd. De geleden verliezen waren zwaar; een groot aantal officieren en manschappen was gesneuveld of zwaargewond. Een der zwaargewonde officieren doodde zich, om niet in handen van de wrede vijand te vallen. Volgens een ooggetuige[1] : We zaten in een tempel der Balinezen – het was in 1848 – en hadden nota bene geen enkele patroon meer. Liet een van die vechtersbazen zijn kop zien, dan sloegen we er met de kolven op. Daar komt, op een 50 pas van ons af, een der luitenants Uhlenbeck voorbij strompelen. Hij was gewond, maar hield zich, zo goed en kwaad als het kon, met de sabel de Balinezen van het lijf. De smeerlappen wilden hem levend gevangen nemen. Eindelijk ziende dat hij voor de overmacht zou moeten bukken, liet hij zich in de punt van zijn eigen sabel vallen. Een uur later joeg zijn broer zich een kogel door het hoofd. Nog juist bijtijds kwam een majoor met zijn mannen opdagen en werden we uit de tempel verlost. [2]

Gebroeders Uhlenbeck[bewerken]

Twee broers uit het geslacht Uhlenbeck, namelijk Johannes Cornelius Uhlenbeck (Colombo, 29 Juni 1813 - Bali, 9 Juni 1848) en Carel Samuel Uhlenbeck (Colombo, 20 April 1818-Bali 9 Juni 1848), beiden eerste luitenant, namen deel aan de tweede expeditie naar Bali, waar zij beiden sneuvelden bij de bestorming van Djaga Ragas.[3] Zij raakten gewond tijdens de bestorming en werden belaagd door tientallen Balinezen. Een van de broers liet zich, om niet in handen van de vijand te komen in de punt van zijn sabel vallen en de andere joeg zich een uur later een kogel door het hoofd. Van de vijf broers Uhlenbeck dienden Johannes Cornelis en Carel Samuel bij de infanterie, drie dienden bij de genie (Gerhard Hendrik, Dirk Jacob en Pieter Hendrik) en twee bij de marine, namelijk Peter Frederik en Olke Arnoldus.

Ooggetuigenverslag[bewerken]

Balinese vlag

Flankeur Louis Lust. [4] Enfin, ze kunnen mij toch niets meer doen, als ik het vertel. Generaal Van der Wijck, onze commandant, was van de genie en onze officieren zullen hebben gezegd, dat hij van de infanterie geen lor afwist. De onderofficieren dachten er ook zo over en wij – soldaten – geloofden het. Reeds toen we te Soerabaja werden ingescheept, werd onderling gemompeld dat wordt donderen. Ik behoorde bij het derde bataljon, bij de compagnie van kapitein Macdonald, die later zwaargewond werd. Mijn luitenanten waren de heren Schimmelman, Camauër, Daniëls en Van Heemskerck. Van een der ordonnansen hoorden we, dat generaal van der Wijck bijna drie maanden had onderhandeld met Goesti Djilantik, en dat de Balinezen in die tijd zulke sterke bentings hadden gebouwd, dat we met onze 2.000 mannetjes ze niet konden bestormen. We voelden ons dus warempel niet erg lekker, toen we op 8 juni debarkeerden en direct op Sangsit losmarcheerden. De gehele cavalerie, zowat een 25 ruiters, bleef achter. In het dorp troffen we heel wat voorvechters, die hun vrouwen en kinderen de nek afsneden, en toen hun lansen verkort hadden, omdat zij zichzelf ook de dood wensten. Nu, ze zijn dan ook ter ziele gegaan, want onze bajonetten waren langer dan hun lansen. De kerels droegen rode vesten en witte baadjes, terwijl het haar hun tot op de rug hing. Schreeuwen dat ze konden, het was om er tureluurs van te worden.

De lucht van bloed die uit poelen opsteeg, maakte me zo misselijk, dat mijn maag zich geheel en al buitenste binnen keerde. Allen waren dodelijk vermoeid, hongerig en dorstig, maar in plaats van die lichamelijke behoeften te kunnen bevredigen, hoorden we opeens roepen: Dat is Djagara helemaal niet, het is slechts een fort of zoiets. En waarachtig, daar kregen we vlak vóór ons plotseling een vuur van wat ben je me. Van alle kanten kwamen duizenden Balinezen aangesneld met het kennelijke doel ons te omsingelen. De toestand scheen hachelijk en het duurde niet lang of men vernam hier en daar de uitroep: Daar heb je het gedonder in de glazen! De generaal weet het niet en wij zijn naar de maan! Dàt bracht de schrik erin en vóór men er aan dacht was het een algemene vlucht. Lopen deden ze als hazen, meneertje, en naar de officieren luisterde niemand meer. Het ging er bij hopen en hopen van door. Mijn kameraad Libert, een Duitser, kreeg een lansstoot achter in zijn nek. Hij viel en ik hoorde hem nog stamelen: Het is gedaan, kerel. Helpen kon ik hem niet, want dat gemene volkje kwam in dichte drommen vlak achter mij aan en het regende lansen. Het jaar daarop vond ik op dezelfde plaats de gordel van Libert terug, en die heb ik nog.

Resultaat[bewerken]

Het leger te Bali had een zevende van de officieren, een tiende aan minderen verloren; veel soldaten stierven later nog door uitputting. Het terrein had onoverkomelijke problemen opgeleverd en de natuur had meegewerkt om de reeds sterke stellingen der Balinezen nog meer geducht te maken. Ook de verschrikkelijke hitte matte de manschappen af, zodat behalve door de vijandelijke kogels ook menig soldaat door vermoeidheid bezweek. De aanwezige krijgsmacht werd onvoldoende geacht om tot een nieuwe aanval over te gaan. Weer was de onverantwoordelijke fout begaan een expeditie van onvoldoende sterkte uit te zenden, na reeds door voortdurend weifelen de vijand de gelegenheid te hebben gegeven zich terdege te verschansen en hem te hebben versterkt in zijn overmoed. Het fort te Beliling werd van de nodige bezetting voorzien en de expeditionaire troepen keerden naar Batavia terug. De kusten werden geblokkeerd om de invoer van wapens te beletten en de handel van de Balinezen afbreuk te doen. De tweede expeditie naar Bali was mislukt en had voor de linie van Djaga Raga het hoofd gestoten. Dit werd met groot leedwezen in het moederland vernomen; men besefte hoe slecht die indruk op de bevolking in Nederlands-Indië moest zijn en het was vanzelfsprekend dat er zonder aarzelen tot een derde veldtocht besloten werd, waarvoor het Indische leger werd aangevuld.

Nuvola single chevron right.svg Zie ook derde expeditie naar Bali in 1849 voor het vervolg op de tweede expeditie naar Bali
Nuvola single chevron right.svg Zie ook eerste expeditie naar Bali in 1846 voor wat vooraf ging aan de tweede expeditie naar Bali

Deelnemers aan de tweede expeditie[bewerken]

luitenant Van Heemskerck
Sergeant-majoor Van der Heijden

Deelnemers aan de tweede expeditie waren onder meer:

Gesneuvelde officieren[5][bewerken]

Officeren die sneuvelden tijdens de tweede expeditie naar Bali waren: J.J.A. Wichers, tweede luitenant der infanterie (†8 juni 1848 te Boenkoelan), J.C. Uhlenbeck, eerste luitenant der infanterie (†9 juni 1848 voor Djaga Raga), C.S. Uhlenbeck, eerste luitenant der infanterie (†9 juni 1848 voor Djaga Raga), H.J. van der Wijck, eerste luitenant der infanterie (†9 juni 1848 voor Djaga Raga), G.J. Donleben, kapitein der infanterie (†9 juni 1848 voor Djaga Raga), M.L. Dostal, kapitein der infanterie (†15 juni 1848 voor Djaga Raga - voor de vijand door uitputting bezweken, kort na het stormenderhand nemen der redoute nummer 4, waarbij hij de voorste was en door zijn moed de bewondering had opgewekt).

Bronnen, noten en/of referenties
  1. soldaat Jacob Blijlaar geciteerd in Omzwervingen van ouwe Jan in 1903. A. Prell. 'Taptoe!
  2. Het betrof hier de broers J.C. en C.S. Uhlenbeck
  3. Overlijdensadvertentie
  4. soldaat Louis Lust geciteerd in Met Toontje Poland op Bali in 1903. A. Prell. 'Taptoe!
  5. 1850. H.M. Lange. Hulde aan de nagedachtenis van hen, die sinds de vestiging van het Koninklijk Nederlands gezag in Oost-Indië, roemvol gesneuveld zijn. Militaire Spectator. Bladzijde 464-475.
  • 1876. A.J.A. Gerlach. Nederlandse heldenfeiten in Oost Indië. Drie delen. Gebroeders Belinfante, Den Haag.
  • 1900. W.A. Terwogt. Het land van Jan Pieterszoon Coen. Geschiedenis van de Nederlanders in oost-Indië. P. Geerts. Hoorn
  • 1900. G. Kepper. Wapenfeiten van het Nederlands Indische Leger; 1816-1900. M.M. Cuvee, Den Haag.