USS Essex (1799)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
USS Essex (1799)

De eerste USS Essex van de United States Navy, was een fregat die deelnam in de Quasi-Oorlog met Frankrijk, de Eerste Barbarijse Oorlog en de Oorlog van 1812, waarin ze werd aangevallen in neutrale wateren en gekaapt werd door de Britse Navy in 1814.

Geschiedenis[bewerken]

Het fregat werd te water gelaten op 30 september 1799 door Enos Briggs, Salem, Massachusetts, met als kostprijs van zo'n 139.326 dollar, bijeen verzameld door de bevolking van Salem en Essex County. Op 17 december 1799 was ze gereed voor de U.S.Navy en goedgekeurd voor de actieve dienst bij de Marine door kapitein Edward Preble, die het bevel kreeg.

Quasi-Oorlog[bewerken]

Met de inmenging tussen de Verenigde Staten in een zeeoorlog tegen Frankrijk op 6 januari 1800, voer de "USS Essex" onder bevel van kapitein Preble uit tegen de Franse kapers. Hij vertrok vanuit New York, samen met de "USS Congress" in een samenkomst met een konvooi, bestaande uit handelsschepen, die terugkeerden vanuit Batavia op Nederlands Oost-Indië. Kort na de aanvang van haar gezamenlijke reistocht, was de "USS Essex" het eerste U.S.Navyschip die de evenaar passeerde. De "USS Congress" werd enkele dagen later teruggestuurd, zodat de "USS Essex" genoodzaakt werd haar reis alleen als gewapend fregat voort te zetten met het konvooi. Daar maakte ze haar eerste gevecht mee tegen de weerselementen tijdens het rondden van Kaap de Goede Hoop in maart en nog eens in augustus 1800, met vooral een succesvolle taakvolbrenging met haar konvooimissie in november.

Barbarijse Oorlog[bewerken]

Kapitein William Bainbridge had nu het bevel over de "USS Essex" op haar tweede reis, waar ze vertrok naar de Middellandse Zee met een eskader van commodore Richard Dale. Daar handelde ze als bescherming voor de Amerikaanse handelsbelangen en over hun zeelui tegen de plunderende praktijken door de Barbarijse zeerovers. Het eskader kwam aan in Gibraltar op 1 juli 1801 en voerde het volgende jaar konvooibegeleidingstaken van Amerikaanse koopvaardijschepen en blokkeerde mede de Tripolitaanse schepen in hun havens. Vervolgens ging ze in herstelling op de Washington Navy Yard in 1802. Daarna ging de "USS Essex" terug naar de Mediterrane wateren onder bevel van kapitein James Barron in augustus 1804. Het fregat nam deel in de succesvolle aanval op de stad Derne in Libië op 27 april 1805 en bleef in deze wateren totdat er een vredesovereenkomst tot stand kwam in 1806.

Ze keerde terug naar de Washington Marine scheepswerf in juli en werd ze voorlopig voor herstelling opgelegd in de loop van februari 1809, wanneer ze terug in actieve dienst werd gesteld voor sporadisch gebruik voor patrouillering in Amerikaanse wateren en één enkele reis naar Europa.

Oorlog van 1812[bewerken]

Toen ze werd ingezet tegen de Britten op 18 juni 1812, voerde de "USS Essex" nu uit onder bevel van kapitein David Porter. Ze maakte een succesvolle reis richting zuid. Op 11 juli, nabij Bermuda, ging ze alleen fel tekeer tegen zeven Britse gewapende koopvaardijschepen en tegen de avond nam ze één van hen in als prijsschip. Op 13 augustus viel ze een zeilsloep aan, de "Alert", die ze kaapte en innam, eveneens als premieschip. Tegen september, toen ze terugkeerde naar New York, had de "USS Essex" 10 prijzenschepen opgevorderd.

De "USS Essex" zeilde nu in Zuid-Amerikaanse wateren langs de kust van Brazilië, in de loop van januari 1813, wanneer kapitein Porter iets ondernam tegen Britse walvisvaarders in de Stille Oceaan. Het was vooral te doen voor de kostbare levertraan. Ofschoon haar bemanning in hoge mate verlies leden aan gebrek aan provisie en worstelen met het schip, in een zware storm, tijdens het rondden van Kaap Hoorn, ankerde ze toch veilig in de haven van Valparaíso in Chili. Op 14 maart kaapte ze nog de zeilschoeners "Elizabeth" en "Nereyda" toen ze onderweg was naar Chili. De volgende vijf maanden bracht de "USS Essex" 13 prijzenschepen op, met inbegrip de "Essex Junior" (ex-Atlantic) waarmee ze reisde in gezelschap met haar veroverd schip, naar het eiland Nukahiva voor haar noodzakelijke herstellingen. Kapitein Porter plaatste zijn naaste officier John Downes als bevelhebber over het gekaapte zeilschip.

In januari 1814 zeilde de "USS Essex" in neutrale Chileense wateren voor Valparíso, waar ze in een valstrik werd gelokt door het Britse fregat "HMS Phoebe", bewapend met 36 kanonnen en de oorlogssloep "HMS Cherub" met 18 kanonnen. De praktijken van het Amerikaanse fregat werden niet langer meer getolereerd door de Britse Marine. Ze was een gevaar voor de Britse walvisvaarders en koopvaardijschepen in deze zuidelijke wateren van de Stille Oceaan en moest daarom uitgeschakeld worden. Op 28 maart 1814 besliste Porter naar open zee te varen, uit vrees voor een vlootbijeenkomst van de Britse Royal Navy. Tijdens een moeizame passage van Kaap Hoorn, verloor de "USS Essex" haar hoofdtopmast door hevige rukwinden en werd ze gedwongen terug te keren naar Valparaíso voor haar dringende herstellingen. Porter veronderstelde dat ze daar veilig lagen in deze neutrale Chileense haven en dat de Britten niets mochten ondernemen tegen haar. Als haar hoofdtopmast zou hersteld zijn had ze weer kans om op volle snelheid en met alle zeilen bij, de Britse vloot enigszins voor te blijven. Maar kapitein David Porter vergiste zich schromelijk. De Britten negeerden de neutraliteit van de Chileense haven en begonnen met de aanval op het door de storm beschadigde Amerikaanse fregat. In twee en een half uur, schoot de "USS Essex" met al haar krachtvolle kanonnen, maar schoten toch letterlijk en figuurlijk tekort tegen de betere carronadekanonnen, met hun langere lopen van de Britten (welke Porter zich bij de U.S.Navy meermaals had over geklaagd).

Ze verzette zich dapper tegen de superieure gevechtskrachtige en langere loopkanonnen van de Engelse schepen, maar de Amerikaan moest toch uiteindelijk zwichten tegen deze overmacht. Tweemaal brak er brand uit aan boord van de "USS Essex", terwijl ook haar scheepsboorden, zeilen en tuigage stuk geschoten werden. In deze inferno sprongen ongeveer 50 matrozen overboord en zwommen voor de zekerheid naar de wal. Het werd een hopeloze situatie zodat het Amerikaanse fregat, zwaar beschadigd, gedwongen werd de strijd te staken en zich over te geven. De "USS Essex" had 58 doden en 97 gewonden aan boord, terwijl de Britse 5 doden en 10 gewonden hadden.

Als HMS[bewerken]

De "USS Essex" werd geheel hersteld en nadien bij de Royal Navy ingedeeld als "HMS Essex", en in 1833 diende ze als gevangenisschip in Kingston, Ierland. Op 6 juni 1837 werd ze publiekelijk verkocht.

Admiraal David G. Farragut, die later een prominent Federale Marineofficier werd in de Amerikaanse Burgeroorlog, diende als midshipsman (adelborst) aan boord van de "USS Essex".

USS Essex (1799)[bewerken]

  • Type: Fregat (zeilschip) - U.S.Navy
  • Gebouwd: 1798 (?) door Enos Briggs, Salem, Massachusetts
  • Te water gelaten: 30 september 1799
  • In dienst gesteld: 17 december 1799
  • Feit: Beschadigd en gekaapt in 1814
  • Dan als: "HMS Essex"
  • Verdere taak: In 1833 als gevangenisschip
  • Verkocht: Publiekelijk verkocht op 6 juni 1837

Algemene kenmerken[bewerken]

  • Waterverplaatsing: 850 ton
  • Lengte 140 voet - 42,67 m
  • Breedte: 36 voet - 11 m
  • Diepgang: 12 voet - 3,66 m
  • Voortstuwing: Gezeild, (Drie masten en boegspriet)
  • Bemanning: 300 officieren en matrozen

Bewapening[bewerken]

  • 32 x 40-pounder carronadekanonnen, (korte loop),(16 kanonnen aan SB en BB)
  • 6 x 12-pounder lange loopkanonnen, (3 kanonnen aan SB en BB)

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]