Universalisme (theologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de theologie wordt met universalisme de universele redding of Apokatastasis bedoeld. Deze doctrine van de alverzoening gaat ervan uit dat alle mensen uiteindelijk gered zullen worden, dat wil zeggen verzoend zullen worden met God. In het christendom wordt deze verzoening verbeeld door de toegang tot de hemel na de dood, eventueel met een (louterings)fase in het vagevuur of het uitboeten van een straf in de hel. De idee van een uiteindelijke redding voor allen is beïnvloed door de Platoonse filosofie en werd voor het eerst opgegrepen door Origenes en in de 4e eeuw uitgewerkt door Gregorius van Nyssa. Het debat tussen particularisme en universalisme vormt een hoofdthema van de (post)moderne filosofie en religiewetenschappen en is als thema ook in alle wereldgodsdiensten doorgedrongen.

Hedendaagse theologen[bewerken]

Abraham Heschel[bewerken]

De joodse theoloog, filosoof en rabbijn Abraham Joshua Heschel (1907-1972) benadrukt dat het thema van uitverkiezing het universele karakter, ofwel "de eenheid van de geschiedenis" in het Jodendom steeds een belangrijke plaats heeft gehad. In zijn boek "De Profeten" beschouwt hij de profeet als "de eerste universele mens in de geschiedenis", omdat hij is gericht op en zich richt tot alle mensen. "De eerste die uitgaat van de eenheid van alle mensen is niet de heerser maar een profeet". In Jeremia (28:8) zegt deze profeet tegen Chananja dat profeten er sinds eeuwen zijn geweest en "hebben geprofeteerd tot vele landen en tot grote koninkrijken". Jeremia ziet zich staan in een traditie waarin ook hij is aangesteld als profeet voor de volkeren"(Jer. 1:5) en niet alleen voor Israël. Zo ook spreekt Jesaja profetieën uit "die betrekking hebben op vele naties". Heschel is van mening dat bij de oude joodse profeten het idee van één geschiedenis is geboren. "Elke afzonderlijke gebeurtenis of situatie wordt betrokken op Hem die regeert over alle naties".[1] Maar er zijn tot op vandaag ook joodse stemmen die het universalisme juist een bedreiging achten voor de eigen, exclusieve identiteit. De Britse rabbijn en taal- en geschiedkundige Nicholas de Lange (1944) stelt in zijn inleiding op het jodendom dat het 19de-eeuwse universalisme van de Verlichting – dat de civiele gelijkheid van alle joden in de Europese samenleving aankondigde – ‘de machtigste vijand van de natie’ vormt. Volgens De Lange gaat de dreiging van het universalisme voor de joden uit bóven de dreigingen die uitgaan van assimilatie, individualisme, verstrooiing, fragmentatie en zelfs van genocide.[2]

Jacques Dupuis[bewerken]

In zijn belangrijkste werk, Towards a Christian Theology of Religious Pluralism (1997) probeerde de jezuïet Jacques Dupuis (1923-2004) een theologische uitwerking te geven aan het verlangen naar wederzijds respect en samenwerking tussen de religies zoals die door Vaticanum II waren uitgesproken. Dupuis getuigde van een universalisme op basis van eerbied voor andere religies, zij het binnen de grenzen van de eigen identiteit. Hij leidde tot kritiek op zijn werk vanuit de Vaticaanse Congregatie voor de Geloofsleer. [3]

Hamid Dabashi[bewerken]

Hamid Dabashi, hoogleraar Iraanse Studies aan de Colombia Universiteit in New York, vindt dat een op de toekomst gerichte ‘bevrijdingstheodicee’ van moslims alle exclusiviteit zal moeten laten varen. Ze moet realistisch zijn en uitgaan van ‘een islam die terugwijkt in het weefsel van de samenleving in algemene zin’. Wie nu toch nog meent vanuit dé islam een confronterende dialoog met hét Westen te moeten voeren, zoals Tariq Ramadan nog ambieert, is volgens Dabashi ‘niet van deze tijd’. De kernwaarden en begrippen waar zijn bevrijdingstheodicee van uitgaat, zijn dan ook: ‘diversiteit’ en ‘schakering’ (van de werkelijkheid), ‘alteriteit’ (in de zin van het vermogen tot het verwisselen van het eigen perspectief met dat van de ander) en dat zonder de pretentie ‘het kwaad’ in de wereld nog ergens te kunnen lokaliseren. Moslims zullen juist moeten leren leven ‘met de schaduwen van de waarheid’. Hij verwerpt daarom ook het ‘islamistisch juridicalisme’. Met zijn inclusieve, soms bijna pluralistische posities zet Dabashi de vertrouwde manieren van denken binnen de islam op scherp. Hij daagt er tegelijkertijd de ideologische exclusiviteit van sommige Europese filosofen mee uit en tart zo ook de exclusiviteit van een ‘joodse’ staat. [4]

Hedendaagse filosofen[bewerken]

Sjaak Koenis[bewerken]

De Nederlandse filosoof Sjaak Koenis, die concludeert dat een land dat niet uitgaat van het bezit van één veronderstelde, exclusieve identiteit of ‘ziel’ van de natie, een hogere graad van tolerantie kan ontwikkelen dan een land dat dat wel doet, en dat er binnen een dergelijk land beter kan worden nagedacht over het gemeenschappelijke ethos.[5]

Peter Sloterdijk[bewerken]

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk roept in een pluralistisch, nivellerend betoog de monotheïstische religies op ‘de overgang te maken van militant universalisme naar een beschaafd universalisme’. Hij noemt dat ‘desuprematisering, een minuscule beweging die een wereld van verschil maakt’. Sloterdijk brengt als filosoof de apostel Paulus (ca. 3-ca. 64/67) naar voren als grondlegger van ‘een nieuw verenigingsmodel’ ofwel ‘de gemeenschap der heiligen’, die het etnocentrisme afwijst. Maar voor Sloterdijk staat vast dat Paulus zich hierbij schuldig maakte aan een ‘vijandige overname’ van de Tenach die hij voor christelijke doeleinden zou hebben geïnstrumentaliseerd – en zo in feite de omstreden ‘substitutietheologie’ introduceerde, die het jodendom overbodig verklaarde en de kerk in de plaats stelde van het jodendom. [6]

Alain Badiou[bewerken]

De atheïstische filosoof Alain Badiou komt in het universalisme/particularisme-debat daarentegen tot een regelrechte rehabilitatie van Paulus als de eerste ‘beschaafde universalist’. De apostel belichaamt bij hem het ‘waarheidsproces’ van de voortgaande universaliteit. Badiou plaatst diens getuigenis lijnrecht tegenover Nietzsche die wars was van Paulus egalitaire mensopvatting en universalistische wereldbeschouwing. Badiou schuift Paulus naar voren, om het postmoderne denken te bekritiseren dat volgens hem veel te geringschattend is over het streven naar gelijkheid en gerechtigheid-voor-allen en over het daaruit voortvloeiende anti-multiculturele vertoog van deze tijd. Het bracht hem in botsing met de filosoof Alain Finkielkraut, die zich stoorde aan de opvatting van Badiou dat de idee van een nationale identiteit in essentie ‘een reactionair concept’ is. Finkielkraut, criticus van het multiculturalisme, vatte Badiou’s kritiek op als een ontkenning van zijn particuliere, joodse wortels. [7]

Charles Taylor[bewerken]

Ook de katholieke Canadese filosoof Charles Taylor brengt Paulus ter sprake door diens ‘jood noch Griek’ verklaring te lezen als ‘de sterke morele aantrekkingskracht van een nieuwe, minder overvolle, meer universele en broederlijke ruimte’. Die is volgens Taylor als streven binnen de geschiedenis van de mensheid een duurzame, nastrevenswaardige constante geworden. Paulus werd, in het kader van dit onderzoek, voor mij een steeds intrigerender persoonlijkheid, te meer toen bleek hoezeer hij voor sommige joodse en moslimdenkers, maar ook weer niet voor allen, nog steeds een steen des aanstoots kan zijn.[8]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Abraham Joshua Hechel, De Profeten, Skandalon Vught (2013) 229-231.
  2. N. De Lange, An Introduction to Judaism, Cambridge (2000) 33.
  3. Dupuis, S.J., Christianity and the Religions. From Confrontation to Dialogue, Maryknoll, New York 2002
  4. In Gied ten Berge, Land van mensen. Christenen, joden en moslims tussen confrontaties en dialoog, Nijmegen(2011) 167.
  5. Koenis, S., Het verlangen naar cultuur. Nederland en het einde van het geloof in een moderne politiek, Amsterdam (2008) 231-242.
  6. Sloterdijk, P., Het Heilig Vuur. Over de strijd tussen jodendom, christendom & islam, Amsterdam (2008) 104.
  7. Badiou, A., Paulus. De fundering van het universalisme, Kampen 2008.
  8. Taylor, C., Een seculiere tijd, Rotterdam (2009) 754.