Ur (Sumer)
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
|
|
|
Ur (ook wel Oer en in het Sumerisch: Urim) was een stad in het land van Sumer en is eeuwenlang een van de belangrijkste steden van de Sumerische cultuur geweest. De stad was gelegen even ten zuiden van het huidige Nasriya aan de toenmalige benedenloop van de Eufraat, niet ver van de toenmalige golfkust.
Inhoud |
[bewerk] Pre-Dynastische tijd
Dichtbij Ur is Al-Ubaid waar al in de prehistorie 4000-3500 v.Chr. een belangrijke nederzetting was. Uit deze vroege tijd zijn boten van klei gevonden als bewijs van het feit dat men de rivier en misschien ook de golfkust bevoer. Ook halfedelstenen die uit India afkomstig zijn laten verre handelscontacten vermoeden.
[bewerk] Vroeg-Dynastisch
In de vroegdynastische periode moest Ur eerst het voortouw laten aan Uruk (Erech) en Kisj, maar vanaf ca 2560 voor de gangbare jaartelling was de stad onder Mesannipadda en zijn dynastie (Ur I) een tijdlang de belangrijkste stad van Sumer. Rond 2334 kwam er een eind aan de eerste dynastie. Tijdens de tweede dynastie, waarover niet veel bekend is, berustte de macht eerst bij de Semitische vorsten van Akkad en daarna bij de Guti.
Een archief van enkele honderden teksten uit ongeveer de 27e eeuw v.Chr., waarvan de herkomst -tempel of paleis- onbekend is en dat slechts op een deel van de samenleving (personen, land) betrekking heeft, toont een sociale gelaagdheid, beroepsmatige specialisatie, en de economische macht van een grote organisatie, die personeel in dienst heeft, rantsoenen en land ter beschikking stelt en over een goede administratie beschikt.
[bewerk] De derde dynastie
Met Ur-Nammu van Ur begon in ca 2112 opnieuw een bloeiperiode voor Ur onder de derde dynastie (Ur III). Deze duurde tot 2004. In deze tijd stond de cultuur van het land op een bijzonder hoog peil en de overblijfselen getuigen van een tijd van grote rijkdom. De maatschappij was grotendeels rond de tempel georganiseerd. Men bouwde verhoogde platforms, ziggoerats genoemd, om er de goden te vereren, vooral de maangod Nanna. De landbouw stond op hoog peil en met een goed georganiseerd bevloeiingsstelsel werden grote oogsten binnengehaald
[bewerk] In de Hebreeuwse Bijbel
In de Tenach en het Oude Testament komt Ur ook voor. Het is de plaats waar aartsvader Abraham oorspronkelijk woonde en van waaruit hij wegtrok op zijn lange reis naar Kanaän.
Er staat echter bij vermeld dat Ur van de Chaldeeën was. Dezen, de Kaldu waren een Aramese stam die omstreeks 970 voor Christus -een klein millennium na de tijd waarin Abraham geleefd zou hebben- Babylonië binnenviel en nog eens drie eeuwen later -in de tijd van de Babylonische ballingschap- het vorstenhuis van het Nieuw-Babylonische Rijk zou leveren (onder andere koning Nebuchadnezar). In de Hebreeuwse Bijbel staat overigens niet vermeld of de Chaldeeën al in Ur woonden ten tijde van Abraham of dat Abraham zelf een Chaldeeër was. Volgens sommige onderzoekers zou de toevoeging 'Ur in Chaldea' een anachronistische latere toevoeging door de schrijvers van het Oude Testament (de Tenach) zijn geweest, dat in feite pas in de 6e eeuw v.Chr. tijdens de ballingschap werd neergeschreven.[1]
Een andere mogelijkheid is dat met het Bijbelse Ur een andere stad dan het Sumerische Ur(im) bedoeld is. Men denkt daarbij vooral aan de stad die nu Urfa genoemd wordt en onder de Arameeërs als Urhai bekend stond. De Bijbel noemt namelijk ook de stad Harran die daar niet ver vandaan ligt als verblijfplaats van de aartsvader en de stad ligt eerder in het gebied waar in zijn tijd Kaldu te situeren zijn.
Grondige geschiedenis van de stad
Ur was een Sumerische haven in het Zuiden van Mesopotamië gelegen aan de Eufraat, de ruïnes liggen ongeveer op driehonderd kilometer ten Zuidoosten van de huidige hoofdstad van Irak, Bagdad, in de buitenwijken van de stad Nasirijjah . Maar voor ik het geschiedkundig en het archeologisch luik van de stad ga belichten zou ik graag een voornaam onderzoeker citeren, zijn citaat belichaamd voor mij de historie van de stad van zijn mythische oorsprong tot zijn einde. ‘It is the paradox of the history of Ur that it ends in grosser darkness than it begins. Its pulse fluttered still when all real life had fled, and the last watcher had long departed. But the strength of the of a primitive memory prevailed almost back to the day of his birth, and marked that event as coaeval perhaps with the creation of the world, and of the men who first peopled it. Legend knew a time when on high the heaven was not named and the earth beneath not called by name.’ Dit geeft al meteen de mythische sfeer weer waar de oorsprong van de stad zich in bevindt, de vraag is natuurlijk wat kunnen we filteren tussen de verhalen en bestempelen als historisch correcte feiten.
Wat we zeker weten is dat de opgravingen van Ur zijn begonnen in de jaren 1918-1919 door Dr. H. R. Hall en dat in 1922-1923 meneer C. L. Wooley de opgravingen verder zette. Wooley leidde een gezamenlijke onderneming van het ‘Britisch Museum’ en het Universitair museum van Pennsylvania, de opgravingen werden pas in 1934 beëindigd . De oudste laag van de stad die ongeveer rond 4000 voor onze jaartelling moet worden gedateerd is volledig bedekt met een dikke laag klei afkomstig van een overstroming die de stad had verwoest. Oorspronkelijk werd deze overstroming in verband gebracht met de Bijbelse overstroming van de aarde, waarbij Noah de opdracht kreeg om alle soorten dieren en een kleine groep mensen te redden en vervolgens opnieuw te beginnen. Deze overstroming was de bestraffing voor het zondige leven van de toenmalige bewoners van de aarde. Maar alhoewel Noah mogelijk Ziusudra was, een koning van de stad Shuruppak en dus wel degelijk een historisch figuur was, leefde hij veel te laat om in verband te worden gebracht met de overstroming van Ur. Volgens Wooley moet deze overstroming rond 3500 v.Chr. zijn voorgevallen, terwijl Ziusudra, waarop het verhaal van Noah is gebaseerd, rond 2900 v. Chr. leefde . De Mesopotamische geschiedenis werd immers doorkruist door gewelddadige overstromingen , die al dan niet sporen hebben achter gelaten voor de toekomst. Deze oudste laag werd door Wooley opgedeeld in drie subperioden, die hij de namen Ubaid I tot Ubaid III gaf. In lagen die gerelateerd worden aan de twee laatste perioden zijn ook restanten gevonden van inhumaties en afbeeldingen van een moedergodin evenals beschilderde potten die ook op andere plaatsen in Mesopotamië zijn teruggevonden .
Wat nu gaat volgen is de geschiedenis van de stad beginnend net na de overstroming tot dat ze verlaten werd en verkommerde. Bovenop deze kleilaag is een afzetting van vijf en een halve meter dik zichtbaar die de restanten bevat van de voegstedelijke periode gaande van 3400 tot 2900 v. Chr. . Deze periode wordt gekenmerkt door de vondsten van talloze pottenbakkersovens en de resten van deze activiteit, hun voornaamste bezigheid was immers de ‘bevelled-rims bowls’ te produceren. Dit waren ruwe kleien potten, vervaardigd voor het afmeten van voedselhoeveelheden. Ook deze periode werd opgedeeld in subperioden gaande tot Uruk 6 . De eerste voegdynastieke periode die hier opvolgde was een eerste bloeitijd, dit is duidelijk zichtbaar door veel rijke graven en een zware terrasmuur. De twee daaropvolgende voegdynastieke perioden die aanvang namen in 2750 tot 2400 v. Chr. getuigen ook zeker van een grote welwaard. Dit blijkt duidelijk aan de koningsgraven die in deze tijd zijn opgericht. Wooley vond immers bij zijn opgraving bij elk van deze tombes zes à tachtig skeletten van personen van de hofhouding die zelfmoord hadden gepleegd om dienaren te zijn voor hun meester of meesteres in het hiernamaals . De hofdames waren meestal getooid met sieraden uit goud en lazuursteen en er waren ook lijfwachten en andere dienaren in terug te vinden. De laatste van deze graven moet mogelijk al toegeschreven worden aan de eerste van de drie echte dynastieke perioden van de stad Ur .
Messanipadda en zijn zoon A’annipadda waren de eerste twee van vijf koningen uit de eerste dynastie, maar de belangrijkste dynastie en misschien wel de belangrijkste periode uit de geschiedenis van Ur is ongetwijfeld de derde dynastie van Ur die in 2112 v. Chr. aanvang nam met koning Urnammu. Hij werd opgevolgd door vier andere vorsten beginnende met Sulgi, Amar-Sin, Su-Sin en Ibbi-Sin. Zij waren heerser over heel Mesopotamië inclusief gebieden zoals Elam en delen van Syrië voor bijna een ganse eeuw. Daarvoor hadden ze een centraal systeem uitgebouwd, dat werkte met stadsvorsten en gouverneurs . Ook is dit de periode van enorme bouwactiviteiten in de stad, zo werd de ziqqurrat goed bewaard door de bakstenen bekleding die het omsloot. Er zijn ook nog andere bakstenen gebouwen uit de derde dynastie bewaard. De belangrijkste zijn de tempel van Ningal de maangodin, het koninklijk paleis en een overdekte ondergronds mausoleum dat spijtig genoeg al in de Oudheid zelf werd leeggeroofd door grafrovers en dat mogelijk veel schatten herbergde . Al deze gebouwen en heiligdommen werden door een muur omsloten en werd zo afgesloten van de rest van de stad . Ongeveer rond 2000 v. Chr. kwam er een einde aan het rijk door de opdringerige Amorieten en verscheidene aanvallen van Elam, maar ook interne problemen speelde hier een belangrijke rol in. Na de verwoesting van de stad door de Elamieten kon Ur nog enkele eeuwen stand houden maar dan vooral als handelsplaats en vereringplaats voor de Mesopotamische maangodin Sin . Gedurende het 1ste millennium v. Chr. verlegde de Eufraat haar bedding naar het Oosten en werd Ur meer en meer opgeslokt door de woestijn en werd het dus moeilijker om er een grote bevolking onder te brengen en te voeden. In de 7de eeuw kreeg de stad nog aandacht van de Assyrische koningen, zo liet de vorst Nebukadzar II een nieuwe muur rondom gans het tempelcomplex optrekken. In de nieuw-Babylonische periode, die het grootste deel v an de 6de eeuw v. Chr. dekte werd het zuiden van Mesopotamië overheerst door een Babylonisch-Armeense bevolkingsgroep, de Kaldu. Volgens het Oude Testament zouden zij de voorvaderen zijn van de familie van Abraham . Omstreeks 535 v. Chr. stopt als het ware de geschiedenis van Ur, voor de periode daarna is er niets meer geweten over een publiek figuur uit de stad, het is immers ook tijdens deze periode van Perzische overheersing dat Ur als het ware langzaam leegbloedde . Een oorkonde uit 316 v. Chr. is het laatste gedateerde voorwerp waarvan we kunnen afleiden dat de stad nog steeds werd bewoond . Dusterwijl de naburige stad Uruk nog steeds bevolkt was en bekend was voor zijn astronomie school, was Ur al reeds verdroogd en bijna verlaten. De stad werd enkel nog bewoond door rondtrekkende nomaden die Ur af en toe bezochten om er een tijdelijk kampement op te slaan .
De geschiedenis van Ur eindigt dus vooral in mineur, van het legendarische begin is nog maar weinig te merken in de donkere dagen van het verval. Aan een geschiedenis van bijna vijfduizend jaar komt abrupt een einde, om pas honderden jaren later terug onder het stof en zand te voorschijn te komen en terug de pracht en praal te tonen waar het eens zo bekend voor was. Laat het nu net deze streek zijn dat eens zo welvarend was en behoorde tot opeenvolgende rijken van het Nabije Oosten dat nu verscheurd wordt door oorlogen en terreur.
[bewerk] Referenties
- ^ Magnussen, M. 1978: Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, Westland, Schoten, ISBN 9024670209 p. 37

