Urim en Tummim

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Urim en Tummim zijn voorwerpen die zich bevonden in het borstschild op de efod van de hogepriester van Israël met een waarschijnlijk voorspellende functie, waarbij getracht werd een beslissing van God te vragen. Men[bron?] vermoedt dat het een soort dobbelstenen waren. Ze werden verondersteld een vraag aan de Here met ja of nee te kunnen beantwoorden, maar ze konden ook zwijgen.

In de NBV worden ze aangeduid als orakelstenen.

Beide woorden zijn een meervoud - het gaat dus kennelijk om minstens vier voorwerpen. Het woordje 'twee' (NBV Exodus 28:30, Leviticus 8:8) staat niet in de grondtekst.

De eerste vermelding van deze raadselachtige voorwerpen is in Exodus 28, waarin de priesterkleding wordt beschreven. Volgens het verhaal krijgt Mozes opdracht een efod te maken en daarop een borstschild te bevestigen met de Urim en de Tummim. Vermoedelijk heeft God deze voorwerpen aan Mozes gegeven, maar daarover wordt niets gezegd. In de roerige tijd van Saul en David heeft David de beschikking over de efod met de Urim en de Tummim, zodat hij God veelvuldig "om raad kan vragen".

In Ezra 2:63 en Nehemia 7:65 staat geschreven dat alleen een priester bevoegd is de Urim en de Tummim te gebruiken, wat een aanwijzing zou kunnen zijn dat deze voorwerpen na de Babylonische ballingschap nog aanwezig waren (of dat men vermoedde dat ze nog ergens te vinden waren). Na Nehemia 7 wordt er niet meer van de Urim en de Tummim gesproken.