VOC op de Banda-eilanden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het eiland Banda Besar, gezien vanaf het grootste Europese fort in Indonesië, de VOC-versterking Fort Belgica op Banda-Neira

Dit artikel beschrijft de geschiedenis van de VOC op de Banda-eilanden. Deze Banda-eilanden, deel uitmakend van Molukken, bestaan uit drie grote en een aantal kleinere eilanden en hebben een vulkanische oorsprong. Ze zijn arm aan flora en fauna (op het plaatje niet goed te zien), maar bijzonder geschikt voor de teelt van muskaatnoten en foelie. Een monopolie op de handel in deze producten was het belangrijkste doel waarnaar de VOC streefde. Doordat de Bandanezen na herhaalde pogingen niet met een monopolie instemden, leidde dit in 1619 tot een bezetting en tot de uitroeiing van de bevolking door de VOC in 1621.

Vanaf die tijd werden Aziatische immigranten aangevoerd en voormalige VOC-dienaren als beheerders aangesteld van nootmuskaatplantages op Banda (zogenaamde 'perkeniers').

Eerste bezoek VOC[bewerken]

Locatie van de Banda-eilanden

Het allereerste bezoek aan de eilanden dateert van 1599 toen admiraal Wijbrand van Warwijck en viceadmiraal Jacob van Heemskerck naar de Molukken en Celebes voeren in dienst van een voorcompagnie. Van Heemskerck bezocht de Banda-eilanden met de schepen Gelderland en Zeeland.

De Heeren XVII, het bestuur van de VOC te Amsterdam, had opdracht gegeven de positie van de VOC vooral in de Molukken te versterken. Vanaf 1602 was alleen het eiland Pulau Ay gemonopoliseerd door admiraal Wolfert Harmenszoon; het eiland Pulau Run was gemonopoliseerd door de Engelsen.

Steven van der Hagen vertrok in 1605 van Ambon om een verdrag met de Bandanezen te sluiten.

Het verraad der Bandanezen[bewerken]

Bij het vertellen van het verhaal over het "verraad van de Bandanezen" is mogelijk van de agressie van plaatselijke bevolking of van de VOC uit te gaan.

Eerste versie[bewerken]

In mei 1609 ging admiraal Pieter Willemsz. Verhoeff met 250 soldaten aan land. Hij kwam met een brief van prins Maurits, waarin deze toestemming vroeg om een fort te bouwen op Banda ter bescherming tegen Portugezen en Engelsen en met de opmerking dat deze vesting ook bescherming zou bieden aan de inlanders. De inlanders wilden hierover beraad en enige dagen later stelden de Bandanezen Verhoeff voor de kwestie op 22 mei 1609 vriendschappelijk, en in kleine kring, te bespreken. Dit was echter een valstrik van de Bandanezen. Verhoeff werd vermoord met zijn kleine gevolg, waarna de overige VOC-bemanning represaille-acties uitvoerde, de bevolking aanviel en veel verwoestingen werden aangericht.

Tweede versie[bewerken]

Verhoeff had geschenken bij zich en een brief van prins Maurits met het verzoek een fort te mogen aanleggen. Verhoeff begon met het egaliseren van de bouwgrond, waarop de Bandanezen het plan vatten het drinkwater te vergiftigen.[1]

De dorpsoudsten lokten de Nederlanders naar een bespreking om zogenaamd te onderhandelen over de prijs van de specerijen en eisten dat een compagnie soldaten moest worden teruggestuurd.[2] Verhoeff en twee leden van de brede raad werden vervolgens naar het dorp geleid. De compagnie maakte rechtsomkeert toen ze geschreeuw hoorden, maar kwam te laat. De drie mannen waren vanuit een hinderlaag vermoord. De gijzelaar, die eerder door Verhoeff was uitgezonden, werd de volgende dag op het strand gevonden. Uit wraak en vergelding is op 15 juni 1609 de kampong Lebetakke op Banda uitgemoord.[3] Uiteindelijk zijn naast een belangrijk deel van de brede raad, nog 46 bemanningsleden of soldaten bij de acties omgekomen. Jan Pieterszoon Coen wist te ontkomen en deze traumatische gebeurtenis heeft bij hem een blijvende indruk achtergelaten.

Derde versie[bewerken]

Rond juni 1609 kwam Verhoeff op Banda Neira aan en wilde de vestiging van een fort afdwingen. De Bandanezen gaven de voorkeur aan vrije verkoop, waarbij zij de kopers van verschillende nationaliteit tegen elkaar konden uitspelen.[4] De dorpshoofden lokten drie onwelkome onderhandelaars van de vloot in de val en vermoorden ze. Als vergelding werd op 15 juni 1609 de kampong Lebetakke op Banda door de Nederlanders geheel uitgemoord.[3] De vloot verloor bij de acties op Banda ca 46 bemanningsleden en soldaten. Als gevolg daarvan werden een aantal zeelieden bevorderd en zo werd Piet Hein in 1610 schipper van de Hollandia. In 1611 keerde hij terug naar Holland met een uiterst waardevolle lading kruidnagelen (ter waarde van 100.000 guldens) die ging broeien en bij de Azoren overboord moest worden gezet om brand te voorkomen.[bron?]

Vervolgens bouwde de VOC-bemanning nog hetzelfde jaar 1609 het fort Nassau, waarvan de resten nu nog te zien zijn op het eiland Lonthor. Omdat het fort ongunstig lag, werd in een later stadium fort Belgica op een heuvel ingericht.

Vanwege de schraalheid van de bodem waren de Bandanezen naast sago voor hun voedselvoorziening sterk afhankelijk van invoer van rijst vanaf Java. De Nederlanders waren niet zo snel in staat daarin te voorzien.[5]

Volkerenmoord[bewerken]

Jan Pieterszoon Coen gaf leiding aan de massaslachting op de Banda-eilanden

De VOC koerste aan op een volledig monopolie van de nootmuskaathandel, maar doordat de verhouding met de Bandanezen reeds getekend was door geweld en contractbreuk en de VOC dus weerstand kon verwachten van de bevolking, streefde Jan Pieterszoon Coen, met de inzet van 2.000 man, naar een volledige onderwerping van de "lastige" eilandbewoners.

De Engelsen hadden zich inmiddels een betere positie verworven op kruidnageleilanden en betaalden de plaatselijke bevolking met wapens, kruit en lood. Daardoor werd de situatie voor de Hollanders tamelijk hachelijk en gingen deze over tot het verbranden van de oogst, zodat die niet in Engelse handen zou kunnen vallen.[bron?]

Na een opstand van de bevolking volgde een volkerenmoord en van de 15.000 oorspronkelijke bewoners bleven er slechts 600 over. Japanse samoerai-beulen, in dienst van de VOC, werden ingezet om de 33 of 47 dorpshoofden te onthoofden. Hun lichamen werden in een put geworpen. Deze plek is voor de bevolking op het eiland Lonthor om begrijpelijke redenen, nog steeds een zeer beladen plaats.

Achthonderd Bandanezen werd gedeporteerd naar Batavia; 2.500 bewoners vluchtten de bergen in en kwamen om van de honger. Alle mannen van het eiland Run werden om het leven gebracht.[6] Een klein aantal inlanders wist nog met bootjes te vluchten naar onder andere de naburige Kei-eilanden. De Engelsen, onder de indruk van al dit grove wapengeweld, stonden vervolgens ook het eiland Poeloe Run zonder tegenstand af aan de Nederlanders.

Dit optreden van Coen heeft veel kritiek uitgelokt; zelfs de Heren XVII hebben het onbewimpeld afgekeurd.[7]

Na de systematische uitroeiing was Banda volledig ontvolkt en het hele gebied van de Banda-eilanden werd vanaf 1621 door Nederland gekoloniseerd, inclusief de bewoners van de omliggende eilanden. De Engelsen trokken zich na de 'Ambonse Moord' in 1623 uit het gebied terug. Deze gebeurtenis, een overhaaste terechtstelling van een tiental Engelse compagniedienaren op grond van een slecht gefundeerde beschuldiging van verraad, maakte definitief een einde aan het in Europa gesloten verdrag tussen VOC en EIC.[8]

De ontwikkeling van het perkenierssysteem op Banda[bewerken]

Jan Pieterszoon Coen stelde kort na de onderwerping op Banda in 1621 aan de Heeren XVII voor om stukken land op Banda, nootmuskaatperken die nu eigendom waren van de VOC, te verhuren aan Hollanders onder de voorwaarde dat zij de VOC daarmee zouden voorzien van nootmuskaat.

Daarmee werd rond 1621 feitelijk de start gemaakt met de uitgifte van 68 perken door de VOC en de aanstelling van perkeniers die vanuit Nederland naar Indië getransporteerd werden en de nootmuskaatperken in beheer kregen. Hoewel de perkeniers zich mettertijd als "eigenaars" van de perken beschouwden, waren de perken eigenlijk door de VOC aan de perkeniers verhuurd. Het was voor de VOC een slimme methode om via het perkenierssysteem de toelevering van nootmuskaat aan Holland op die wijze te waarborgen.

Nederlandse (en Engelse?) handelsposten op het vulkanische Ambon en Neira (1655) met de nog steeds werkende Gunung Api (658m), het eiland in zwaveldamp hullend

Het exploiteren van de plantages was geen eenvoudige zaak. Een nootmuskaatboom groeit zeer langzaam en draagt pas na zes jaar vrucht. Pas na twintig jaar is de opbrengst behoorlijk. Iedere perkenier kreeg een aantal slaven toegewezen en moest daarmee zien een zo goed mogelijke opbrengst tot stand te brengen.

Om te voorkomen dat er overproductie ontstond en dit de winst in Holland zou verminderen, werden op last van de VOC oogsten vernietigd en zogenaamde "hongi-tochten" gehouden waarbij VOC-soldaten op nogal willekeurige wijze nootmuskaatbomen kapten en plantages vernietigden.

De rijkdom van de perkeniers in de 17e en 18e eeuw was zeer behoorlijk. Dit uitte zich in excessieve uitgaven. Perkenierswoningen werden met rijksdaalders geplaveid, tevens liet men allerlei kostbaarheden naar Banda transporteren. Buitensporige maaltijden werden georganiseerd met dure Europese spijzen en dranken, vergulde rijtuigen, muziekavondjes en danspartijen. Naar alle waarschijnlijkheid weelde in overvloed dus, puur vanwege de nootmuskaathandel.

De nazaten van Pieter van den Broecke wisten zich op Banda generaties lang te handhaven (hun plantage, bewerkt door 55 slaven, leverde jaarlijks 6.000 pond foelie en 24.000 pond nootmuskaat).[9]

Het enige, dat de perkeniers in problemen bracht, was een plotselinge uitbarsting van de vulkaan de Gunung Api, waarvan de asregen vervolgens de plantages bedekte en waarbij soms ook delen van plantages door de lavastroom werden verwoest. Op Lonthor zijn reusachtige rotsblokken te zien, die bij een vulkaanuitbarsting vanuit de Gunung Api over de tussenliggende baai naar het overliggende eiland Lonthor zijn gesmeten.

In 1687-1688 was François Valentijn aangesteld als predikant op de Banda-eilanden. Het eiland telde toen ruim 6.000 inwoners, waarvan 700 voor de VOC werkzaam waren; voornamelijk militairen.[10]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Opstall, M.E. van, p. 95.
  2. Opstall, M.E. van, p. 98.
  3. a b Maritieme kalender - Scheepvaartmuseum
  4. Dillen, J.G. van (1970) Van Rijkdom en Regenten, p. 128 - 129.
  5. Grote Atlas van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie. Atlas Isaak de Graaf, Atlas Amsterdam (2006), p. 329.
  6. De Oost-Indische voyagie van Wouter Schouten (1676), p. 110. Michael Breet (2003) met medewerking van Marijke Barend-van Haeften
  7. Dillen, J.G. van (1970) Van Rijkdom en Regenten, p. 129.
  8. De VOCsite : handelsposten; Amboina
  9. Grote Atlas van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie. Atlas Isaak de Graaf, Atlas Amsterdam (2006), p. 333
  10. Ron Habiboe (2004) Tot verheffing van mijne natie. Het leven en werk van François Valentijn (1666-1727), p. 39. ISBN 9051942621
  • Met toestemming van de auteur, Rick van den Broeke, gedeeltelijk overgenomen uit diens lezing over dit onderwerp op de Pasar Malam Besar 1994.
Gebieden in handen van de WIC

Gouvernementen: Berbice* · Cayenne · Demerary* · Essequibo* · Goudkust* · Nederlands Brazilië · Nederlandse Antillen · Nieuw-Nederland · Pomeroon · Suriname*

Gebieden met een directeur: Maagdeneilanden

Gebieden met een baron: Tobago (geleend aan Cornelis Lampsins)

Factorijen / handelsposten: Arguin · Loango-Angola kust · Senegambia · Slavenkust

Gebieden in handen van de VOC

Gouvernementen: Amboina* · Banda* · Batavia* · Ceylon · Coromandelkust* · Formosa · Java's Noordoostkust* · Kaapkolonie* · Makassar* · Malakka* · Mauritius · Molukken*

Directoraten: Vestingen in Bengalen · Vestingen in Perzië · Suratte

Commandementen: Bantam* · Malabar · Sumatra's Westkust*

Residenten: Bandjarmasin* · Cheribon* · Palembang* · Pontianak*

Gebieden met een opperhoofd: Birma · Dejima* · Vestingen in Siam · Timor · Tonquin

Factorijen: Vestingen in China

Gebieden in handen van de Noordse Compagnie

Nederzettingen: Amsterdam eiland (incl. Smeerenburg) · Jan Mayen

Overige gebieden in handen van de Staat

Vestingen: Acadia · Fort Nassau · Zoutpannen in Venezuela

*: Gebieden ook in handen van de Bataafse Republiek geweest.