Vakbond

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een vakbond, vakvereniging, werknemersvereniging, vakorganisatie of syndicaat is een organisatie die de individuele en collectieve belangen behartigt van aangesloten werknemers. Een gele vakbond is een bond die door de werkgever is opgericht of onvoldoende onafhankelijk is van die werkgever.

Rechtsvorm[bewerken]

Vakbonden hebben over het algemeen de rechtsvorm van een vereniging. In België zijn vakbonden echter bij bijzondere bepaling géén rechtspersoon.

Geschiedenis van de vakbeweging[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook het artikel Vakbonden in Vlaanderen.

De eerste vakbonden ontstonden ten tijde van de industriële revolutie. Zij lagen aan de basis van het socialisme. Karl Marx en Friedrich Engels organiseerden vanuit Brussel een netwerk van arbeidersorganisaties die leidde tot de stichting van de Eerste Internationale.

In België ontstond de allereerste vakbond in 1842: de ALCIT was een vereniging van typografen in Brussel. De ambachtslui in drukkerijen hadden een lange traditie van onderlinge bijstand. Tot het einde van de 19e eeuw werden die verenigingen "kapellen" genoemd. In het begin van de 19e eeuw, ten tijde van de industrialisatie, werkten arbeiders voor minimumlonen en leefden ze in ellendige omstandigheden. Tot 1887 ging de uitbetaling van loon in België meestal volgens het trucksysteem; de werkgevers betaalden een gedeelte in natura. In Nederland was gedwongen winkelnering tot in de 20e eeuw in de venerijen en de schoenindustrie schering en inslag. Langzamerhand vormden zich meer vakbonden, dikwijls in de vorm van bijstandskassen (mutualiteiten). Deze arbeidersorganisaties stonden dikwijls op de rand van de legaliteit. In 1866 werd het toenmalige coalitieverbod (art. 415/416) echter vervangen en werd vakbondsorganisatie mogelijk, hoewel stakingen nog steeds bestraft werden. Werkgevers maakten bijvoorbeeld zwarte lijsten met namen van voortrekkers van de vakbond. Wie op deze lijst stond, kon elders moeilijk nog werk vinden.

De eerste vakvereniging in Nederland was de Bredase vereniging van drukkersknechten Door Eendragt t' Zaam Verbonden (D.E.t'z.V.), opgericht in 1837.[1] Op 1 januari 1906 werd het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) opgericht, waarbij vijftien vakbonden waren aangesloten. In 1977 ging het NVV op in de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV).

Activiteiten[bewerken]

De vakbond onderhandelt namens de leden met de werkgever of daarvoor aangewezen partij, zoals de werkgeversvereniging, over collectieve arbeidsvoorwaarden. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn: loon, vergoedingen, werktijden en rusttijden. Daarnaast kan de vakbond met de (vertegenwoordiger van) werkgevers onderhandelen over de werkomstandigheden en meer in het algemeen de rechten en plichten van de werknemers. Ook treedt de vakbond op om de belangen van leden te behartigen bij bijvoorbeeld ontslag en reorganisatie, en kunnen vakbonden (arbeids)juridische bijstand en advies geven aan hun leden. Ook komt de vakbond meer in het algemeen op voor de verdediging van de geldende maatschappelijke waarden en normen ten aanzien van mens en arbeid.

Kritiek[bewerken]

Sommige economen zijn fel gekant tegen de verplichte organisatie van werknemers binnen een vakbeweging of tegen vakbonden in hun algemeenheid. Verplicht lidmaatschap van een vakbond is in Nederland niet populair. Dat economen vakbonden afwijzen komt doordat de vakbonden een minimumprijs voor arbeid kunnen afdwingen voor hun leden. Ze zijn van mening dat producenten dan minder werknemers zullen aannemen en dat de productiviteit daarmee wordt aangetast. Bij verplicht lidmaatschap moeten werknemers die geen lid willen worden hun heil zoeken in een andere sector of kiezen voor werkloosheid. Vrijheid van vereniging en Vrijheid van vergadering zijn internationale grondrechten en mensenrechten. Kenmerkend is dat dictatoriaal geregeerde landen geen vrije vakbonden toestaan.

Wat de verplichte organisatie van werknemers binnen een vakbeweging betreft, is er in België de wet van 24 mei 1921 op de verenigingsvrijheid, die expliciet de negatieve verenigingsvrijheid beschermt, dus de vrijheid om niet lid te worden van een vakbond.

Cao-deskundige en publicist Harry Vogels uitte in zijn boek CAO Compact kritiek op de gebrekkige verantwoording van het geld dat op grond van cao-afspraken door werkgevers en werknemers in cao-fondsen moet worden gestort. Deze fondsen dienen voor scholingsprojecten en dergelijke en worden door werkgeversorganisaties en vakbonden beheerd. Volgens Vogels wordt dit geld gebruikt om de vakbondsorganisatie te financieren.[2] Volgens een persbericht van 9 april 2004 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vloeide 10% van de cao-fondsen naar de vakbonden en werkgeversorganisatie voor de uitvoering van bepaalde activiteiten. Van 3% van het geld dat de sociale partners in dit kader ontvingen was onduidelijk waar het aan besteed was.

Anderen zijn van mening dat vakbonden werkgevers chanteren door te staken of te dreigen met staking. Door te staken wordt immers het bedrijf schade toegebracht. Bij sommige stakingen wordt zelfs het openbare leven verstoord (denk aan stakingen waarbij het openbaar vervoer wordt platgelegd, snelwegen geblokkeerd worden of industriezones met wegblokkeringen worden afgezet). Vooral bij publieksonvriendelijke stakingsacties door diensten als bijvoorbeeld de brandweer kan de verontwaardiging bij het publiek groot zijn. De ervaring heeft echter geleerd dat publieksvriendelijke akties na korte tijd door de rechter verboden worden. (Het gratis vervoeren van reizigers werd niet lang toegestaan). Het gebruik van het stakingswapen dient proportioneel te zijn. Werknemers die niet willen staken worden soms door de stakers moreel gedwongen het werk toch neer te leggen.

Ook een veelgehoorde kritiek op vakbonden is dat zij soms proberen op de stoel van de ondernemer te gaan zitten, door zich verregaand te bemoeien met de bedrijfsvoering. Dit verschijnsel doet zich met name voor bij slecht geleide bedrijven, waar het management het eigen belang boven dat van het bedrijf stelt. Werknemers hebben belang bij continuering van de werkgelegenheid en niet bij het zo veel mogelijk opvoeren van de op korte termijn te behalen winst. Werknemers op de werkvloer zien meestal sneller waar en hoe een proces beter kan dan managers die vaak een geheel andere opleiding hebben en niet altijd de inhoudelijke vakkennis bezitten. Hierbij kan een vakbond een bemiddelende rol spelen.

Vakbeweging wereldwijd[bewerken]

In vele landen waren vakbonden lange tijd illegaal en werd het opzetten van een vakbond streng bestraft.

Met name in Zuid-Amerika kan het vakbondslidmaatschap van oudsher levensgevaarlijk zijn. Er worden daar volgens cijfers uit 2003 jaarlijks nog steeds meer dan 100 vakbondsleden vanwege hun lidmaatschap vermoord. Desondanks kwamen vakbonden ook daar tot stand en kregen politieke macht, wat leidde tot arbeidswetgeving die niet alleen het recht op het vormen van vakbonden erkende, maar ook de relatie tussen werkgevers en vakbonden vastlegde.

Huidige positie[bewerken]

De syndicalisatiegraad in België bedraagt 54% (in de leeftijd 15-64 jaar), wat een van de hoogste percentages ter wereld is. Alleen Scandinavische landen scoren systematisch hoger.

In 2001 was 25% van de Nederlandse werknemers (in de leeftijd 15-64 jaar) aangesloten bij een vakbond ("georganiseerd"). In 2010 waren circa 1.870.000 personen lid van een Nederlandse vakvereniging.

Imago[bewerken]

Het imago van de vakbond wordt in belangrijke mate bepaald door wat er in de media over wordt gepubliceerd. De journaals en actualiteitenprogramma's laten meestal vakbonden in aktie op een kenmerkende manier zien. Vaak worden de gekleurde hesjes, petjes, toeters en fluitjes van oude, grijze mannen in beeld gebracht, hoogst zelden jonge mensen in actie. De indruk wordt zo gewekt dat er veel wordt gestaakt en dan ook nog door oude mannen. De feiten zijn anders. In de periode 2001-2010 waren er in Nederland ruim 200 geschillen waarbij werknemers in staking gingen om tegemoetkoming aan hun eisen af te dwingen. Hierbij gingen in tien jaar ruim 600.000 arbeidsdagen verloren. In 2010 gingen 59.000 arbeidsdagen verloren door stakingen. Uitgedrukt in procenten van de gewerkte tijd is het stakingspercentage in Nederland als gebruikelijk verwaarloosbaar.[3]

Vakbonden in diverse landen[bewerken]

Vakbonden in België[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Vakbonden in Vlaanderen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Vakbonden in Nederland[bewerken]

  • AC - Ambtenarencentrum overkoepelend orgaan van aantal Rijksbonden
    • ANPV, Vakbond voor politiepersoneel
    • ABGP - Vakbond voor werknemers in alle sectoren.
    • VBM - Vakbond voor defensiepersoneel.[4]
    • BBTV - Beroeps Bepaalde Tijd Vakbond, een defensiebrede vakbond gericht op defensiemedewerkers met een contract voor bepaalde tijd.
  • ASB - (Anarcho Syndicalistische Bond). anarchistische vakbond
  • AVV - Alternatief voor Vakbond
  • BTP - Bond van Telecompersoneel
  • BVPP - Bond voor Post Personeel, vakbond voor medewerkers in de postbranche
  • CGMV - voorheen Christennetwerk / GMV (6.000 leden)
  • CNV - Christelijk Nationaal Vakverbond, met als aangesloten bonden (335.000 leden):
  • FNV - Federatie Nederlandse Vakbeweging, met als aangesloten bonden (1.400.000 leden):
    • Abvakabo FNV (zorg, welzijn en de publieke sector) (353.000 leden).
    • AFMP/FNV (Algemene Federatie van Militair Personeel) (25.000 leden)
    • ANBO (Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen) (178.000 leden)
    • Algemene Onderwijsbond (AOb) (81.000 leden).
    • FNV Bondgenoten (landbouw, industrie, zakelijke dienstverlening, handel en personenvervoer) (476.000)
    • FNV Bouw (Bouw & Infra, Afbouw & Onderhoud, Meubel & Hout, Woondiensten, Waterbouw) (124.000 leden)
    • FNV Horecabond (24.000 leden)
    • FNV KIEM (grafische/prepublishing, uitgeverijen, audiovisuele, verpakkingen en/of kunstensector) (36.000 leden; ook freelancers en zzp'ers)
    • FNV Mooi (Kappers, Schoonheidsspecialisten, Visagisten, Pedicures, Nagelstylisten en Wellness) (ook zzp'ers)
    • Marver/FNV, gericht op medewerkers van de Koninklijke Marechaussee (25.000 leden)
    • Nautilus NL (werknemers in de maritieme sector) (6.000 leden)
    • FNV Sport (1.100 leden)
    • NL Sportea (De bond voor alle andere topsporters dan de profvoetballers)
    • NPB (Nederlandse PolitieBond) (24.000 leden)
    • NVJ (Nederlandse Vereniging van Journalisten) (8.000 leden)
    • FNV Vrouwenbond (4.000 leden)
    • VVCS (Vereniging van Contractspelers)
    • FNV ZBo (voor zzp'ers in de bouw en hout) (10.000 leden)
    • FNV Zelfstandigen (13.000 leden)
  • HZC - Vakvereniging Het Zwarte Corps (vakbond voor machinegebonden personeel) (11.000 leden)
  • LBV - Landelijk Belangen Vereniging
  • LSVb - Landelijke Studenten Vakbond
  • NCF - Nederlandse Categoriale vakvereniging Financiën voor medewerkers bij het Ministerie van Financiën, Belastingdienst en Douane
  • NVB - Nederlandse Vervoers Bond
  • RMU - Reformatorisch Maatschappelijke Unie
  • De Unie
  • Vakbond ABW - (Algemene Bond van Werknemers) (6.000 leden)
  • VCP - Vakcentrale voor Professionals, met als aangesloten bonden (100.000 leden):
  • VLD - Vakbeweging in Vervoer, Logistiek en Dienstverlening
  • VNC - Vakbond van Nederlands Cabinepersoneel
  • VVMC - (Vakbond voor Rijdend Personeel) (4.000 leden)
  • W.I.M. - Werknemersvereniging IKEA Medewerkers

Vakbonden in Spanje[bewerken]

Europese vakbonden[bewerken]

Internationale vakbonden[bewerken]

Historische internationale vakbonden[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties