Lijst van vaktermen in de vestingbouwkunde
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Vaktermen in de Vestingbouwkunde)
Deze pagina bevat een alfabetische lijst van de belangrijkste termen uit de vestingbouw, met verklaringen.
A – B – C – D – E – F – G – H – I – J – K – L – M – N – O – P – Q – R – S – T – U – V – W – X – Y – Z
A [bewerken]
Kanon op Affuit, voor de stadspoort te Grave
- Acces
- Een toegang tot het achter een inundatie gelegen land in de vorm van een hoog terreingedeelte, dijk, kade, land-, spoor- of waterweg.
- Accespost
- Batterij of fort om een acces af te sluiten. Voorbeelden zijn Fort Spion in Loosdrecht of Fort Asperen.
- Affuit
- Onderstel van een kanon.
- Approches
- zie ook loopgraaf.
- Arsenaal
- Opslagplaats voor wapens in een fort of garnizoensstad.
B [bewerken]
Bastion in Heusden
- Banket of banquette
- Doorgaande ophoging achter de borstwering van een vestingwal of in een loopgraaf, voor infanterie om over de borstwering te kunnen schieten.
- Barbacane
- Bolwerk als bescherming voor of om een poort. Voorbeelden van intacte barbacanes zijn te vinden in Elburg. Andere voorbeelden zijn de door muren aan de hoofdpoort verbonden voorpoort bij de Amsterdamse Poort in Haarlem en de Noordhavenpoort in Zierikzee.
- Barbette of geschutsbank
- Een verhoging voor het opstellen van geschut, zodat het over de borstwering heen kon schieten.
- Bastion
- Vijfhoekige uitbouw in een vestingwal, speciaal ter bestrijding van een dode hoek.
- Bastei (vesting)
- Grote, lage, halfronde toren met geschutsstellingen in een vestingmuur. Ontworpen door Albrecht Dürer, de voorloper van het bastion.
- Batterij
- Een groep geschut van hetzelfde kaliber dat als een eenheid vuur geeft, of een plaats waar deze kanonnen worden opgesteld.
- Bedding of batterijhout
- Een meestal van hout gemaakt opstelvlak voor geschut om het richten te vergemakkelijken.
- Bedekte weg
- Doorlopende weg om een vesting heen, gedekt door een extra vestingwal of door een glacis.
- Beer
- Een dam in een vestinggracht om het zoete water in de vestinggracht te scheiden van zout of sterk stromend water van een grote waterpartij (zee, meer, rivier).
- Bekledingsmuur
- Muur aan de voet van een verdedigingswerk, die het afkalven van de aarden wal voorkwam. Ook kon men hierdoor het talud van de wal steiler maken.
- Berm
- een smalle strook grond aan de voet van het talud of escarp van de hoofdwal, glacis of dam.
- Binnenpolygoon
- In het polygonaal stelsel de lijn die loopt door de denkbeeldig naar binnen verlengde courtines. De hoekpunten liggen dus in de keel van de bastions.
- Blokhuis
- Een oude benaming voor een verdedigingswerk, dat kon variëren van een eenvoudig bouwsel van halve boomstammen tot kasteelachtige bouwwerken.
- Bolwerk
- Vaak ronde uitbouw van een vestingmuur. Hieronder vallen ook rondeel en bastei.
- Borstwering
- Een dichte lage muur tot borsthoogte, ter verdediging van de mensen die zich op de vestingwal bevonden.
- Bres (vesting)
- Opening in de muur of wal van een vesting, gemaakt met behulp van kanonvuur, een mijn of een stormram. Als de bres groot genoeg was konden de belegeraars overgaan tot een bestorming.
- Buitenpolygoon
- In het polygonaal stelsel de lijn die loopt door de saillanten van de bastions.
- Buitenwerken
- Alle onderdelen van een vesting die voor de hoofdwal liggen maar nog binnen de bedekte weg/glacis liggen: contregarde, couvre-face, halve maan, hoornwerk, kroonwerk, ravelijn, tenaille.
- Bunker
- Uit het Duits afkomstige benaming voor in beton uitgevoerde kazematten.
- Bonnet-traverse
- Traverse aan de facen van een saillant die door hun ligging beide saillanten dekking geven.
C [bewerken]
- Caponnière
- Plek waar flankerend geschut opgesteld kon worden in een vesting die gebouwd is volgens het polygonaal stelsel.
- Citadel
- Een fort in of bij een stad dat als laatste toevluchtsoord kon dienen voor een in de stad gelegerd garnizoen, maar ook als basis van waaruit een opstandige burgerij kon worden onderdrukt. In Nederland is de Citadel van 's-Hertogenbosch als enige nog min of meer intact.
- Contre-approche
- een loopgraaf met een verdedigende functie, gegraven vanuit een vesting richting de approches van de belegeraars
- Contregarde
- Buitenwerk langs de facen van een bastion, dat niet de saillant dekt.
- Contrescarp
- Tegenover de escarp gelegen en soms bekleed talud.
- Courtine
- Wal tussen twee bolwerken in.
- Couvre-face
- Een voor de facen van een bastion, in de gracht gelegen pijlvormige wal. Niet te verwarren met een halve maan, dat is een eilandje in de gracht. Een couvre-face bestaat enkel uit een wal.
- Cunette
- Extra diep stuk in het midden van een vestinggracht. Bedoeld als hindernis voor vijandelijke troepen die door de gracht proberen te waden.
D [bewerken]
- Defensielijn
- De denkbeeldige lijn die loopt van de saillant van een bastion naar de aangrenzende courtine. De lijn die loopt vanuit de saillant naar de flankhoek van het aangrenzende bastion wordt de bestendige defensielijn genoemd. De lijn vanuit de saillant naar het punt op de courtine waar deze door de denkbeeldig doorgetrokken face wordt geraakt is de strijkende defensielijn.
- Defensiehoek
- Hoek van de bestendige defensielijn met de flank van het naastgelegen bastion.
- Demi-lune
- Franse naam voor een ravelijn. Niet te verwarren met een Halve maan.
- Dode hoek
- Gebied vlak voor een vestingwal dat niet door verdedigingsgeschut kan worden bestreken.
- Dwingel
- Vlakke ruimte tussen twee verdedigingsmuren van een middeleeuwse vesting. De breedte is minder dan een boogafstand, de afstand die een pijl kan vliegen.
E [bewerken]
- Embrasure
- Schietopening of schietsleuf in de borstwering. Het schootsveld van het geschut was door een embrasure uiteraard beperkt.
- Emplacement
- Plaats voor het opstellen van een stuk geschut.
- Enveloppe
- Rond de hoofdgracht gelegen beschermingswal. Was vaak voorzien van een bedekte weg. Het is mogelijk dat er aaneengeschakelde buitenwerken deel van uitmaken.
- Erkertoren
- een overhangend torentje op een muur of vestingwal ter bescherming van een schildwacht met vrij zicht op de omgeving van het vestingwerk.
- Escarp
- Het talud van een gracht aan de zijde van de vestingwal. Het tegenovergelegen talud heet contrescarp.
F [bewerken]
- Face
- De twee naar buiten gerichte zijden van een bastion, ravelijn, flèche, redan of lunet die samenkomen in de meest naar buiten gerichte punt (saillant) van het werk.
- Faussebraye
- zie onderwal
- Flank
- Zijkant van een bastion, ravelijn, flèche, redan of lunet, waarvanaf men de naastgelegen courtine en de facen van een ernaastgelegen werk kan bestrijken.
- Flankhoek
- Ook wel courtinehoek, die de flank met de courtine maakt.
- Flèche
- Klein pijlvormig vestingwerk bestaande uit twee wallen en een open keel. Lijkt sterk op een redan.
- Fort
- Klein zelfstandig aan alle kanten te verdedigen vestingwerk ter verdediging van strategisch gelegen gebieden en accessen. Er bestaan woonforten (met logies voor een permanent aanwezig garnizoen) en wachtforten (zonder logiesgebouwen, waar het garnizoen regelmatig moet worden afgelost).
G [bewerken]
- Gedekte weg
- Een doorlopende, met een aarden wal beschermde weg aan de buitenzijde van de gracht.
- Gedekte gemeenschapsweg
- Een door een aarden wal en een gracht beschermde weg die tussen een aantal steunpunten en een linie liep. Over deze weg kon men buiten het zicht van de vijand troepen verplaatsen of goederen transporteren.
- Glacis (vesting)
- Flauw aflopend talud, gelegen buiten een vesting.
- Gordijn
- Zie courtine.
- Gracht
- greppel die benadering van de wal moet bemoeilijken.
H [bewerken]
- Halve maan
- Een soort ravelijn vóór de punt (saillant) van een bastion.
- Hoornwerk
- Een buitenwerk bestaande uit twee halve bastions met een courtine ertussen. Een voorbeeld van een hoornwerk is Kostverloren.
I [bewerken]
- Inundatie
- Het onder water zetten van een stuk land voor de verdediging van het achterliggende gebied. Over het algemeen zijn de inundaties niet dieper dan enkele decimeters: te ondiep voor zware boten maar te diep om in het modderige water obstakels als sloten te kunnen zien.
- Italiaans vestingstelsel
- Een vroege vorm van vestingbouwkunde naar Italiaans ontwerp. Belangrijkste kenmerken hiervan zijn de lange courtines met kleine bastions die een sterk teruggetrokken flank hebben. De flanken zijn voorzien van kazematten.
J [bewerken]
K [bewerken]
Kruittoren bij Slot Loevestein.
- Kanteel
- Een rechtopstaand, vierkant of rechthoekig stuk van een borstwering, met eventueel een schietgat.
- Kat (vesting)
- Een vrijstaande, hoog boven de wal uitstekende opstellingsplaats voor geschut
- Kapitaal
- Ook wel hoofdlijn of hoofdas genoemd, een lijn die door de saillant van een bastion loopt en dit ongeveer in twee gelijke delen verdeelt.
- Kazemat
- "Bomvrij" onderkomen voor huisvesting van geschut, manschappen of voorraden. Oorspronkelijk ingegraven in rondelen, bastions en andere bolwerken. Later ook als los, zelfstandig bouwwerk. Voorbeelden van kazematten als onderdeel van een bolwerk zijn in Nederland o.a. te vinden en te bezoeken in Naarden, Maastricht en Elburg. Kazematten als losse, zelfstandige bouwwerken zijn te vinden aan beide uiteinden van de Afsluitdijk en langs de gehele Nederlandse kust als onderdeel van de Atlantikwall.
- Keel
- Achterzijde van een bastion of een, qua vorm, van een bastion afgeleid vestingwerk.
- Keelhoek
- Hoek tussen de doorgetrokken lijnen van de courtines in de keel van een bastion.
- Kogelgloeioven
- Een oven voor het verhitten van kogels, om brand mee te stichten.
- Kroonwerk
- buitenwerk bestaande uit twee halfbastions met een heel bastion ertussen. Gave voorbeelden van kroonwerken zijn te vinden in Bourtange en Klundert.
- Kruithuis
- Plaats waar buskruit werd gewogen, verpakt en opgeslagen. Vaak stond het kruithuis aan de rand van of buiten de stad of vesting.
- Kruittoren
- waltoren die is ingericht als kruitmagazijn, soms ook wel pulvertoren genoemd.
L [bewerken]
- Lampgang
- Gang met nissen voor verlichting rond een magazijn. Voor de veiligheid zijn de nissen door middel van glas van het magazijn gescheiden. Ook wel lichtgang of spouwgang.
- Linie
- Geheel van elkaar ondersteunende forten, schansen en andere kleinere werken die tot doel hadden om de toegang tot een bepaald gebied af te schermen. Als men over een 'stelling' spreekt, bedoelt men ook een linie. over het algemeen worden de wat kleinere linies aangeduid als een stelling.
- Lunet
- Klein verdedigingswerk met twee facen en veelal korte flanken; doorgaans in de keel open maar kan ook aan de achterzijde gesloten zijn. Komt voor als zelfstandig verdedigingswerk maar ook als onderdeel van een linie. Soms ook wel aangeduid als ravelijn of halve maan, hoewel dit eigenlijk andere typen vestingwerken zijn.
- Logement
- Door de aanvallende infanterie ingenomen positie in de nabijheid van een bres.
M [bewerken]
- Machicoulis of mezekouw
- Een werp- of schietgat tussen de kraagstenen van de stenen uitbouwen van torens en muren.
- Mortier
- Een kanon met een korte, schuin omhoog wijzende loop, dat wordt gebruikt om tijdens belegeringen over een vijandelijke vestingwal te schieten. In Naarden zijn ze echter ook gebruikt als verdedigingsmiddel in speciaal, achter het saillant van de bastions, gebouwde mortier-kazematten.
- Monnik
- Een meestal rond obstakel geplaatst op een beer om te voorkomen dat deze dammen worden gebruikt als middel om de gracht over te steken.
N [bewerken]
- Nieuw Nederlands Vestingstelsel
- Manier van het ontwerpen en construeren van vestingwerken, in de tweede helft van de 17e eeuw ontworpen door Menno van Coehoorn. Bedoeld als reactie op en verbetering van het Oud Nederlands Vestingstelsel en de Franse manier van vestingbouw zoals ontworpen door Vauban.
O [bewerken]
Oorbommen in Naarden Vesting
- Onderwal
- Een lage wal gelegen voor de hoofdwal van een vesting en bedoeld voor de nabijheidsverdediging van een vesting. Vanaf de onderwal konden soldaten met musketvuur aanstormende vijandelijke soldaten bestoken. De onderwal kwam in het Nieuw Nederlands Vestingstelsel niet meer voor omdat het een vesting uiterst kwetsbaar maakte; wanneer de onderwal eenmaal veroverd was kon men vrij gemakkelijk de hoofdwal ondermijnen aangezien verticale verdediging bij een vestingwal niet mogelijk is. In Nederland is een voorbeeld van een onderwal te zien in de vestingwerken van Heusden. Een onderwal werd vroeger ook wel 'fausse-braye' genoemd.
- Oorbom
- Grote holle kogel voor een mortier. De holle kogel kan worden gevuld met kruit, glas en ijzeren scherven om zo als primitieve fragmentatiebom te fungeren. De opening in de bom wordt afgesloten met een speciale kurk waarin een langzaam brandende lont van sas is ingebouwd. De naam slaat op de twee ringen die als oren aan de bom zitten en waarmee de bommen in de loop van het mortier werden getakeld.
- Opril
- Ook wel oprit genoemd. Dit is een naar de walgang oplopende weg. De weg wordt gebruikt om o.a. geschut te verplaatsen.
- Oreillon of orillon
- Oorvormig onderdeel van de facen van een bastion. De facen werden doorgetrokken tot voorbij de flank van een bastion en boden bescherming tegen geschut dat van tegenover het bastion de flanken probeerde te beschieten. Bastions voorzien van oreillons kan men in Nederland vinden in Naarden, Willemstad, Utrecht (de sterrenwacht) en Hellevoetsluis.
- Oud Nederlands Vestingstelsel
- Een aan de Nederlandse grondstoffen en landschappen aangepaste manier van het ontwerpen en bouwen van vestingwerken, vooral gebruikt tijdens de 16e en de 17e eeuw. Bedoeld als verbetering van de Italiaanse manier van vestingbouw. In Nederland goed bewaarde voorbeelden van volgens deze methode geconstrueerde vestingen zijn Heusden, Woudrichem en Bourtange.
P [bewerken]
De polvertoren van Praag
- Papenmuts
- Andere benaming voor een dubbele tenaille (voorwerk).
- Plongee
- Het schuine vlak op een borstwering.
- Polvertoren
- Andere naam voor kruittoren. De naam is afkomstig van het oude Nederlandse woord 'polver', wat poeder betekende (Duits:Pulver).
- Polygonaal stelsel
- Een methode van vestingbouw uit de late 19e eeuw waarin vestingen volgens regelmatige veelhoekige vormen werden gebouwd en waarin het geschut voor de flankering van de grachten werd opgesteld in zgn. caponnières, in plaats van op bastions.
- Polygoonshoek
- Ook wel omtrekshoek of figuurhoek genoemd. Dit is in het polygonaal stelsel de hoek die zijden van de buitenpolygoon met elkaar maken.
- Poort
- zie stadspoort.
- Poterne
- Een aan weerskanten met deuren afsluitbare overdekte doorgang door een muur of wal. Door deze gang konden manschappen en materieel veilig naar de gedekte weg of de ravelijnen komen. De term poterne gebruikt men ook voor een overdekte gang tussen verschillende delen van een vestingwerk.
- Parados
- Traverse tegen vijandig rugvuur.
- Paraflanc
- Traverse tegen vijandig flankvuur.
Q [bewerken]
R [bewerken]
- Ravelijn
- Verdedigbaar eilandje in een vestinggracht, ter verdediging van een erachtergelegen vestingwal.
- Ravelijnsgracht
- Gracht voor een ravelijn langs.
- Redan
- Klein vestingwerk bestaande uit twee wallen en een open keel.
- Reduit
- Laatste vluchtplek, bijvoorbeeld een klein zelfstandig fort binnen een grotere vesting (zoals bij Fort bij Rijnauwen, Fort bij Vechten en Fort Blauwkapel bij Utrecht. Het begrip 'reduit' kan ook in meer algemene zin worden gebruikt. Zo werd Amsterdam met haar fortengordel gezien als het reduit van de Vesting Holland.
- Redoute
- Een kleine geheel omsloten veldschans met alleen uitspringende en geen inspringende hoeken. (Niet te verwarren met een Reduit!)
- Retranchement
- Klein vestingwerk zonder vaste grondvorm. Dit kan de vorm aannemen van een losse gebastionneerde wal. Dit is ook het geval bij het dorpje Retranchement, dat omgeven is door een losse gebastionneerde wal met aan ieder uiteinde oorspronkelijk een kleine schans.
- Revettement
- Stenen bekleding van het buitentalud van de vestingwal.
- Rondeel
- Halfrond bolwerk. Even hoog als de stadsmuur met ruimte om bovenop enkele kanonnen te plaatsen. Vaak is het een tot walganghoogte afgebroken waltoren. Soms, zoals bij rondeel 'De Vijf Koppen' in Maastricht, een speciaal gebouwd werk. Kan beschikken over een of meerdere kazematten.
S [bewerken]
- Saillant
- Punt waar twee muren die de punt van een bastion vormen, elkaar raken.
- Saillanthoek
- Ook wel bolwerkshoek genoemd. Het is de hoek waaronder de twee facen van een bastion elkaar raken.
- Sas
- Fijn, snel brandend buskruit.
- Schans
- Klein type fort, meestal van aarde. Kon op zichzelf staan of een ondersteunende functie in een linie vervullen.
- Schietgat
- Opening in een muur waardoor men vanuit een kasteel, vesting of bunker op de vijand kon schieten. Ook dient dit schietgat om relatief veilig de vijand te kunnen bespieden.
- Schouderhoek
- Dit is de hoek tussen de face en de flank van een bastion. Ook wel epaulementshoek genoemd.
- Stadspoort
- Toegang tot een ommuurde of omwalde vestingstad.
T [bewerken]
- Tamboer
- Klein rondom te verdedigen zelfstandig buitenwerk.
- Tenaille
- Benaming voor twee verschillende onderdelen van een vesting. Er kan een buitenwerk mee bedoeld worden waarvan de buitenste fronten niet bestaan uit (half)bastions, zoals bij hoorn- of kroonwerken, maar uit een in en uitspringende, zigzaggende wal. Een ander werk dat ook tenaille wordt genoemd is een losse geknikte onderwal tussen twee bastions in.
- Tenaillehoek
- Ook wel de flankerende hoek genoemd. Dit is de hoek die de denkbeeldig in de richting van de courtine doorgetrokken facen van twee naast elkaar gelegen bastions met elkaar maken.
- Terreplein
- Plein of ruimte binnen een bastion of klein zelfstandig vestingwerk.
- Torenfort
- Een type fort gebouwd in de late 19e eeuw. De hoofdbouw van deze forten werd gevormd door massieve stenen torens waarin de logies van de soldaten waren ondergebracht. Deze torens stonden vrij op het fortterrein en werden meestal bekroond door sierkantelen. De filosofie achter een torenfort was dat de ronde vorm het meeste kanonvuur zou af laten ketsen terwijl de toren zelf een enorme concentratie van verdedigend vuur zou kunnen herbergen. Deze bouwwerken raakten snel verouderd door de introductie van kanonnen met een getrokken loop. De meeste torens werden aangepast door er een beschuttende aarden wal omheen te leggen en door een aarden dekking op het dak aan te brengen. Voorbeelden van torenforten in Nederland die nu nog gezien kunnen worden zijn: Weesp, Nieuwersluis, Fort Honswijk, Fort Everdingen en Fort Vuren.
- Traverse
- Aarden wal of andere beschutting die haaks op de hoofdwal staat om manschappen en geschut tegen vijandig flankvuur te beschermen.
- Tsjechische egel
- Statisch anti-tank verdedigingsobstakel gemaakt van gehoekt ijzer, ingezet tijdens de Tweede Wereldoorlog.
U [bewerken]
V [bewerken]
- Valbrug
- Over een gracht van een verdedigingswerk gebouwde ophaalbrug of klapbrug.
- Valhek
- Houten of ijzeren hekwerk ter afsluiting van een poortdoorgang, bevestigd in verticale sleuven in het poortgebouw waardoor het dicht (naar beneden) kon vallen.
- Versterken
- Het van verdedigingswerken voorzien van een terrein of bewoonde plaats.
- Vesting
- Versterkte stad, kasteel of fort ten bate van de landsverdediging. Niet elke stad die voorzien is van verdedigingswerken is een vestingstad, alleen de strategisch gelegen steden die belangrijk waren voor de landsverdediging zijn als echte vestingstad te beschouwen. Veel andere steden hadden wel verdedigingswerken, maar deze fungeerden enkel ter verdediging van de eigen stad en tegen roversbenden en ander gespuis. Zij konden zich maar zelden verdedigen tegen georganiseerde legers.
- Voorwerk
- verdedigingswerken, gelegen voor het glacis van een vesting, maar binnen het bereik van het ondersteunende vuur daarvan. Voorbeelden van voorwerken zijn: kroonwerken, hoornwerken.
- Vuur
- Een aantal uit een vuurwapen afgegeven schoten.
- Vuurlijn
- De bovenrand van het binnentalud van een borstwering waar men net overheen kan vuren. Ook wel binnenkruin, voorkruin, vuurkruin, vuurkam genoemd.
- Vuurmond
- Enkelvoudig stuk geschut.
- Vuurreep
- Met pek of teer overgoten bos stro. Bedoeld om brandend door de verdedigers op de naderende aanvallers te worden gegooid.
W [bewerken]
- Wachthuis
- Klein, meestal vierkant stenen gebouw dat is voorzien van schietgaten en een aarden dekking. Rond 1850 is een groot aantal forten van wachthuizen voorzien.
- Wal
- Aarden of stenen muur ter verdediging van een stad of kasteel.
- Waltoren
- Toren in een vestingmuur, bedoeld als uitzichtpost, opslagplaats, of voor flankeringsvuur.
- Wapenplaats
- Open ruimte achter een punt in de buitenwal of glacis om manschappen en/of wapens bijeen te brengen.
- Waterlinie
- Aaneengesloten stelsel van inundaties met forten die de accessen en andere strategische plaatsen bewaken. Belangrijke waterlinies in Nederland zijn de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Stelling van Amsterdam en de Grebbelinie.
- Waterpoort
- Een poort in een vestingmuur die een rivier of kanaal toegang biedt tot de stad.
- Weererker
- een erker aan de muren van kastelen en aan de middeleeuwse vestingwerken van steden en weerkerken.
- Wolfskuil
- Put of kuil met op de bodem puntige palen. Worden in groepen aangelegd.
X [bewerken]
Y [bewerken]
Z [bewerken]
Boven het Ravelijn (B) in dit voorbeeld ligt een Zwaluwstaart (A)
- Zwaluwstaart
- Een type tenaille (in de hoedanigheid van buitenwerk), waarbij de naar het front gerichte zijde bestaat uit een naar binnen geknikte wal. Het geheel heeft op een plattegrond iets weg van een zwaluwstaart. Het voorwerk dat op de afbeelding hieronder met nummer 20 is aangegeven, is een zwaluwstaart.
- Zool
- Grondvlak van een embrasure, schietgat of schietsleuf.
- Zwalp
- Constructie van planken en balken. Gebruikt voor het opleggen van niet in gebruik zijnde kanonlopen.
Schema [bewerken]
Schema van een (overigens niet-bestaande) vesting volgens het gebastionneerd systeem met de belangrijkste onderdelen en voorwerken daarbij afgebeeld.
|
|
||
Nummer 6 ontbreekt omdat deze verwijst naar een niet informatief onderdeel, net als nummer 38.
Zie ook [bewerken]
- Lijst van Nederlandse vestingsteden en versterkte steden
- Lijst van Belgische vestingsteden en versterkte steden