Veenhooibeestje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Veenhooibeestje
Veenhooibeestje, Coenonympha tullia
Veenhooibeestje, Coenonympha tullia
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse: Insecta (Insecten)
Orde: Lepidoptera (Vlinders)
Familie: Nymphalidae (schoenlappers, parelmoervlinders en
zandoogjes)
Onderfamilie: Satyrinae
Geslacht: Coenonympha
Soort
Coenonympha tullia
Müller, 1764
Afbeeldingen Veenhooibeestje op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Veenhooibeestje op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Insecten

Het veenhooibeestje (Coenonympha tullia) is een dagvlinder uit de familie Nymphalidae, schoenlappers, parelmoervlinders en zandoogjes.

Verspreiding[bewerken]

De soort komt voor van Noord-Schotland, de Faeröereilanden en Noord-Noorwegen tot Zwitserland en de Franse Alpen tot Oost-Azië, en ook in Noord-Amerika.

In Nederland was het veenhooibeestje tot halverwege de twintigste eeuw een vrij algemene vlinder van hoogvenen en veentjes. Het ontginnen van de grote veengebieden, de intensivering van de landbouw en de vermesting van heidevennen zorgde ervoor dat het aantal vliegplaatsen terugliep. In de jaren 90 verdween het veenhooibeestje ook van een aantal van de laatste vindplaatsen door verdroging, vermesting, te abrupte verhoging van het waterpeil en isolatie van te kleine populaties. Op dit moment is de grootste populatie te vinden in het Fochteloërveen, op de grens van Friesland en Drenthe, en zijn er daarnaast nog drie kleinere populaties, allen in Drenthe. Het veenhooibeestje staat op de Nederlandse Rode lijst dagvlinders en is in Nederland bedreigd.

Levenswijze[bewerken]

Het veenhooibeestje legt de 60 tot 100 eieren apart op de bladeren van de waardplant. Het veenhooibeestje is bekend van de volgende waardplanten: tandjesgras (Danthonia decumbens), ruwe smele (Deschampsia cespitosa), pijpenstrootje (Molinia caerulea), borstelgras (Nardus stricta) en eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum). In Nederland wordt voor zover bekend alleen eenarig wollegras als waardplant gebruikt. De soort overwintert als halfvolgroeide rups verscholen in de strooisellaag. De vliegtijd is van begin juni tot eind juli.

Biotoop[bewerken]

De vlinder komt voor op moerassige plaatsen met een ruige, maar open begroeiing. In gematigde streken is dit vrijwel alleen in slenken van hoogvenen en langs oevers van heidevennen, in koele klimaten kunnen dit ook licht beweide graslanden zijn.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Bink, F.A. (1992) Ecologische Atlas van de Dagvlinders van Noordwest-Europa, Haarlem: Schuyt.