Veldkrekel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Veldkrekel
Vrouwtje (te herkennen aan haar legbuis)
Vrouwtje (te herkennen aan haar legbuis)
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
Onderstam: Hexapoda (Zespotigen)
Klasse: Insecta (Insecten)
Orde: Orthoptera (Krekels en sprinkhanen)
Onderorde: Ensifera
Familie: Gryllidae
Onderfamilie: Gryllinae
Geslacht: Gryllus
Soort
Gryllus campestris
Geer, 1773
Afbeeldingen Veldkrekel op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Veldkrekel op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De veldkrekel (Gryllus campestris) is een insect uit de familie krekels (Gryllidae).

Beschrijving[bewerken]

De veldkrekel heeft vleugels maar leeft voornamelijk op en in de bodem. Hij heeft een rond lichaam en een gedrongen bouw. Kop en halsschild zijn zeer stevig en glanzend zwart, de voorzijde lijkt enigszins op een helm. Bij het mannetje is de vleugelbasis lichter tot geel terwijl bij het vrouwtje de vleugels overwegend bruin zijn. Met haar groot achterlijf heeft zij een plomper uiterlijk. De mannetjes worden 18 tot 26 mm lang, vrouwtjes worden 19 tot 27 mm [1]. De mannetjes zijn echter ook makkelijk van de vrouwtjes te onderscheiden doordat deze laatsten een duidelijk zichtbare legbuis hebben waarmee de eitjes in de bodem worden afgezet. De legbuis heeft bij deze soort een verdikking aan het uiteinde. Bij jonge nimfen is seksuele differentiatie op zicht zo goed als onmogelijk. De cerci zijn zowel bij de mannetjes als bij de vrouwtjes relatief lang en draadvormig. De volwassen veldkrekel is doorgaans te zien (en te horen) van begin mei tot uiterlijk eind juli.

Verspreiding[bewerken]

De soort Gryllus campestris komt voor in centraal- en zuidelijk Europa, noordelijk Afrika en westelijk Azië.

In Nederland komt de veldkrekel voor in Het Gooi, de duinen van Voorne Putten en Schouwen Duiveland, de Veluwe, Noord-Brabant en Zuid-Limburg.[2]

In Vlaanderen wordt hij voornamelijk opgemerkt in de Provincie Limburg en de Antwerpse Kempen. In Vlaams-Brabant is deze insectensoort zeldzaam tot zeer zeldzaam, terwijl hij in Oost- en West-Vlaanderen zo goed als verdwenen is.[3]

Onderscheid met andere soorten[bewerken]

De veldkrekel is door het zwarte lichaam en plompe voorkomen alleen met de zuidelijke veldkrekel (Gryllus bimaculatus) te verwarren. Deze laatste soort heeft een halsschild dat even breed is als de kop, bij Gryllus campestris is het halsschild smaller dan de kop.

Algemeen[bewerken]

Het biotoop van de veldkrekel bestaat uit zonnige, droge en schrale, lichtbegroeide plaatsen. In zijn noordelijk verspreidingsgebied komt hij bijna uitsluitend voor in oligotroof grasland en heidegebieden. De veldkrekel is een warmteminnende en bodembewonende soort die noch vliegt, noch klimt. Om zich te beschermen graaft hij een gang onder graspollen of plantenwortels. Hij maakt hiervoor gebruik van zijn sterke kaken of mandibula. Eén per één werkt hij achterwaarts kruipend een hoopje aarde naar buiten. De vochtige zandkorrels worden zo goed en zo kwaad mogelijk bijeengehouden door ze tussen kop en borststuk tegen de bodem te drukken en naar buiten te slepen. Eenmaal enkele centimeters van de ingang verwijderd, verspreidt de krekel het aangesleepte materiaal door hevig met zijn achterste poten te bewegen, zodanig dat het uitgegraven zand tussen de vegetatie niet opvalt. De tunnel is gewoonlijk tussen de 20 en 30 cm lang met een diameter van ongeveer 15 mm en eindigt in een kleine ronde ruimte. Hierin wordt overwinterd en geschuild bij slecht weer of bij verstoring.

Voortplanting[bewerken]

Na de laatste vervelling, vanaf eind april, maakt het mannetje vlak voor het hol een soort podium door planten weg te knagen. Hier zit de krekel te zonnen en te tjirpen, maar bij het minste gevaar schiet hij terug zijn schuilplaats in. Bij een ietwat hogere begroeiing van de habitat zal de krekel links of rechts van het podium een kort gangetje door de vegetatie heen knagen. De vrouwtjes graven ook, maar gaan in de lente op zoek naar de tjirpende mannetjes. De mannetjes zijn echter niet strikt aan hun territorium gebonden en kunnen regelmatig andere holtes bezoeken en er hun rivalen uit verdrijven. Mannetjes die geen eigen onderkomen meer hebben, zijn kwetsbaar en moeten ofwel op hun beurt een nieuwe holte inpalmen ofwel een andere schuilplaats zoeken. Dit kan onder een wortel, een steen of enig ander beschermend voorwerp, zoals zelfs bouwafval onder de vorm van plastieken platen of planken zijn. De gangen die evenwel tijdens het paarseizoen gegraven worden, zijn doorgaans niet meer zo diep.

De mannetjes zingen vanaf een temperatuur van 13-14°C, zowel overdag als tijdens het eerste deel van de nacht. Het geluid ontstaat door stridulatie en is typisch krekelachtig; kri..kri..kri waarbij altijd de linkervleugel onder de rechtervleugel wordt geschoven.

Eenmaal een vrouwtje in de buurt opduikt, begint het mannetje zachter en hoger te tjirpen waarbij hij haar met kleine rukjes achterwaarts nadert. Indien zij paringsbereid is, wurmt het mannetje zich onder haar en deponeert hij een zaadpakketje in het geslachtsorgaan van zijn partner. Dit wit pakketje is met wat geluk ook goed te zien, na uiterlijk een half uur wordt het donkerder. Na de bevruchting wordt de balts hervat om te verhinderen dat een ander mannetje het pakketje zou verwijderen.

De vrouwtjes leggen reeds in mei hun eitjes die in kleine pakketjes van 20 tot 40 stuks met behulp van haar legboor in de grond worden gedeponeerd. In juni komen de eerste nimfen uit de grond gekropen, zij zijn dan amper 1 mm lang, maar groeien zeer snel en kunnen na een zestal weken reeds 20mm bereiken. Om te vervellen gaan de nimfen met hun kop omlaag gericht aan een grasspriet of enig andere lage plant hangen. Vlak na de vervelling hebben ze een vuile bruinrode kleur. Omdat de imago’s doorgaans tegen eind juli sterven, gebruiken de grotere nimfen de holtes van hun voorgangers, maar elk jaar zullen er ook nieuwe gegraven worden.

Voedsel[bewerken]

Door de schraalheid van zijn biotoop is de veldkrekel niet erg kieskeurig en mag zelfs een polyfaag en opportunist genoemd worden. Zijn voedsel bestaat dan ook uit wat hij in zijn onmiddellijke omgeving kan vinden. Grassen en kruiden die hij in zijn habitat tegenkomt, vormen het hoofdbestanddeel van zijn menu, maar ook hun wortels, zaden en kiemen worden verorberd. Met zijn stevige kaken gaat hij zelfs ietwat grotere zaden eerst van hun zaadhuid ontdoen om het voedzame kiemwit te kunnen bereiken. Indien voorhanden, zullen zowel de nimfen als de imago's een voorkeur hebben voor het proteïnerijke handjesgras of ook het raaigras. Van de paardenbloem worden de bladeren niet gegeten terwijl hun voedzame zaadjes soms zelfs actief opgezocht worden. Hoewel de veldkrekel zijn holte kan delen met een occasionele spin, zullen dierlijke eiwitten in de vorm van kleine, trage geleedpotigen of zelfs een dood (zoog)diertje niet versmaad worden.

Bedreigingen en beschermingsmaatregelen[bewerken]

In België en Nederland gaat de soort al lange tijd achteruit en is niet meer overal algemeen. Door het verdwijnen van zijn biotoop, hoofdzakelijk veroorzaakt door habitatfragmentatie en eutrofiëring van de bodem door overbemesting, wordt de soort in onze contreien steeds zeldzamer en dringen beschermingsmaatregelen zich op. Het plaggen, het inzetten van schapen en eventueel het kleinschalig gecontroleerd branden[4], gecombineerd met het verplaatsen van deze niet vliegende insecten, biedt een oplossing.

In Nedersaksen (Duitsland), met eind vorige eeuw nog maar 10 bekende populaties, werden nimfen in een laat stadium van hun onvolledige gedaanteverwisseling met succes verplaatst naar andere natuurreservaten. In de nabijgelegen deelstaat Hessen wordt een soortgelijk initiatief met succes toegepast.

In Groot-Brittannië was er tegen 1990 nog maar één bekende vindplaats in West Sussex die minder dan 100 volwassen individuen telde. Het is niet helemaal zeker of deze geïsoleerde populatie geen ondersoort is. Hier worden de veldkrekels ex situ in de Londense zoo (Zoological Society of London) gekweekt en in de vroege herfst uitgezet. In totaal werden over 8 seizoenen meer dan 15.000 nimfen in geschikte biotopen gereïntroduceerd. Dit kweekprogramma heeft deze soort voorlopig van een zekere ondergang gered en de Britse veldkrekelpopulatie bereikt nu zo'n 1000 adulten[5]

Er zijn echter ook gevallen van zoöchorie gekend waarbij de verspreiding gebeurt via schapen.[6] Deze dieren, maar ook geiten en koeien, worden immers veel gebruikt om natuurgebieden op een ecologische wijze te beheren. Nimfen kunnen in hun vacht als toevallige "blinde passagiers" de voor hen onoverkomelijke afstanden of hindernissen overwinnen.

In Vlaams-Brabant werd onder andere de Veldkrekel in 2009 tot 'koesterbuur' uitgekozen.

Externe links[bewerken]

Afbeeldingen[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Referenties

  1. Roy Kleukers & René Krekels, Veldgids sprinkhanen en krekels, Uitgeverij KNNV, 2004 ISBN 90 5011 193 9.
  2. Verspreidingskaart Waarneming.nl
  3. Verspreidingskaart Waarnemingen.be
  4. R. Bobbink et al. (2009). Branden als EGM-maatregel. Directie Kennis, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
  5. Pearce-Kelly P, Jones R, Clarke D, Walker C, Atkin P, Cunningham AA (1998) The captive rearing of threatened Orthoptera: a comparison of the conservation potential and practical considerations of two species’ breeding programmes at the Zoological Society of London. J Insect Conserv 2:201–210.
  6. S. Fischer. Die Bedeutung der Wanderschäferei für den Artenaustausch zwischen isolierten Schaftriften. Diplomarbeit Univ. Marburg. FB Biologie, Naturschutz

Bronnen

  • Roy Kleukers & René Krekels - Veldgids sprinkhanen en krekels - 2004 - Uitgeverij KNNV - ISBN 90 5011 193 9
  • Kleukers R, Nieukerken Ev, Ode´ B, Willemse L, Wingerden Wv (1997) De Sprinkhanen en Krekels van Nederland (Orthoptera). Nederlandse Fauna I, KNNV Uitgeverij & EIS-Nederland, Leiden
  • Pearce-Kelly P, Jones R, Clarke D, Walker C, Atkin P, Cunningham AA (1998) The captive rearing of threatened Orthoptera: a comparison of the conservation potential and practical considerations of two species’ breeding programmes at the Zoological Society of London. J Insect Conserv 2:201–210
  • R. Rodriguez-Munoz, A. Bretman, J. Slate, C. A. Walling, T. Tregenza, (2010) Natural and sexual Selection in a Wild Insect Population. Science, vol 328 4 June 2010
  • C. Venne, F. Ahnfeldt (2003) Neuansiedlung der Feldgrille (Gryllus campestris) in Bielefeld? Ber. Naturwiss. Verein für Bielefeld u. Umgegend, 43, 407-417
  • S. Fischer (1994) Die Bedeutung der Wanderschäferei für den Artenaustausch zwischen isolierten Schaftriften. Diplomarbeit Univ. Marburg. FB Biologie, Naturschutz (niet gepubliceerd)
  • Mark van Veen - Kenmerkengids Sprinkhanen en krekels Website