Verdrag van Londen (1839)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Verdrag van Londen van 19 april 1839, ook bekend als het Verdrag der XXIV artikelen, betekende de definitieve internationale erkenning van de Belgische onafhankelijkheid.

De XXIV artikelen[bewerken]

Pagina uit het Scheidingsverdrag met België

In 1831 had het nieuwe België een tamelijk gunstig verdrag kunnen afsluiten met de Mogendheden, bekend als het Verdrag der XVIII artikelen. Het werd na veel discussie door het Nationaal Congres aanvaard en weinige dagen later had Leopold I de grondwettelijke eed als koning afgelegd.

Daarop opende Willem I de vijandelijkheden. Van 2 tot 12 augustus 1831 vond de Tiendaagse Veldtocht plaats, die de kwetsbaarheid van het nieuwe koninkrijk onderstreepte. Als gevolg hiervan werden nieuwe onderhandelingen opgelegd door de Mogendheden, die heel wat minder gunstig waren voor België. Dit werd het Verdrag der XXIV artikelen dat, opnieuw na heftige debatten, einde 1831 door het Belgisch parlement werd aanvaard. De Mogendheden (Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Oostenrijk, Pruisen en Rusland) betuigden hun akkoord. Alleen Willem I verwierp het, met als gevolg dat de status quo behouden bleef en België in het feitelijk bezit bleef van Limburg over de Maas (de Brabantse landen van Overmaas) behalve Maastricht en Duitstalig Luxemburg.

Op 14 maart 1838 liet Willem I aan de Conferentie in Londen weten dat hij zich nu toch bij het verdrag neerlegde. Hij had niet meer de illusie dat hij België nog zou kunnen herwinnen en hij kreeg in Nederland grote kritiek over de hoge kosten die het onderhouden van een leger-op-oorlogsvoet met zich meebrachten. Leopold I en de Belgische regering probeerden nog om de betwiste grondgebieden af te kopen, maar de Mogendheden bleven onwrikbaar. Na woelige, zelfs dramatische debatten in de Kamer, volgde op 19 maart 1839 de stemming: 59 Kamerleden stemden voor aanvaarding en 42 voor verwerping van de XXIV artikelen.

Op 19 april 1839 volgde de definitieve ondertekening in Londen. Maastricht, Limburg over de Maas en Duits Luxemburg kwamen definitief niet bij België.

Andere gevolgen van het Verdrag waren:

  • België was nu definitief internationaal erkend en werd ook door Nederland erkend.
  • De binnenlandse Belgische politiek werd voortaan niet meer beheerst door de solidariteit tegenover de vijand, het zogenaamde 'unionisme'; de politieke tegenstellingen tussen 'groenen' en 'rijpen' (in moderne termen: tussen progressieven en conservatieven) of tussen klerikalen en liberalen, kwamen volop aan bod.
  • Het 'orangisme' had geen reden van bestaan meer en verdween stilaan.

Inhoud[bewerken]

Het verdrag hield onder meer in:

  • Nederland erkende (net als de andere landen) de onafhankelijkheid van België.
  • België moest het oostelijk deel van Limburg weer afstaan aan Nederland, dat vervolgens het statuut kreeg van hertogdom binnen de Duitse Bond.
  • België kreeg het recht op de IJzeren Rijn, een spoorverbinding door het pas in het leven geroepen Nederlands-Limburg.
  • België moest neutraal blijven (artikel 7).
  • België verkreeg het Franstalige westelijk deel van Luxemburg; het oostelijk deel bleef als groothertogdom via regerende leden van het Huis van Oranje in een personele unie verbonden met Nederland. Heel Luxemburg had nog het statuut van zelfstandig Groot-hertogdom binnen de Duitse Bond. De Luxemburgse geschiedenis zal dus eerder zeggen dat het westelijk deel aan België werd afgestaan. De verdeling geldt als de Derde deling van Luxemburg. Een rompstaat bleef over, met ongeveer een derde van het oorspronkelijke grondgebied met de helft van de bevolking [1] in personele unie met het Koninkrijk der Nederlanden onder Koning-Groothertog Willem I (en vervolgens Willem II en Willem III). Deze regeling werd later vastgelegd in het Verdrag van Londen (1867),[2] bekend als het 'Tweede Verdrag van Londen' naar analogie van het verdrag van 1839. De personele unie eindigde met de dood van Koning-Groothertog Willem III op 23 november 1890, omdat hij geen mannelijke nazaten bezat. Het Groothertogdom vererfde in de mannelijke lijn.[3]
  • Groot-Brittannië en Pruisen garandeerden de neutraliteit en veiligheid van België.
  • Inwoners van België en Nederland kregen de vrije keuze tot welke nationaliteit zij wensten te behoren.
  • Nederland wilde niet dat België zeggenschap kreeg over de Westerschelde en behield Zeeuws-Vlaanderen, maar
  • Nederland moest wel de toegang tot de haven van Antwerpen via de Westerschelde garanderen en het onderhoud ervan toestaan.
  • Een voor België nogal ongunstige verdeling van de staatsschuld moest er worden bijgenomen.

Gevolgen[bewerken]

Naam van het Koninkrijk der Nederlanden[bewerken]

Geschiedkundigen leggen bij het inwerkingtreden van het verdrag de grens tussen de ontbinding van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden. In werkelijkheid was er geen sprake van hernoeming en heette het land altijd al Koninkrijk der Nederlanden. De thans gebruikte terminologie heeft en had derhalve slechts een beschrijvende functie, van enige juridische waarde was geen sprake.

Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Toen de Duitsers op 4 augustus 1914 België binnenvielen en daarmee zijn neutraliteit schonden, hielden de Britten vast aan hun garantie en verklaarden zij conform de casus foederis het Duitse Keizerrijk de oorlog. Hierna begon de Eerste Wereldoorlog.

De Britse ambassadeur had de Duitse kanselier Theobald von Bethmann Hollweg meegedeeld dat Groot-Brittannië Duitsland de oorlog zou verklaren bij schending van de neutraliteit van België. De kanselier riep dat hij niet kon geloven dat Groot-Brittannië de oorlog zou verklaren vanwege un chiffon de papier (...een vod papier).

Voor de Britten telden andere argumenten zwaar: Duitsland mocht met haar groeiende marine de zeehavens van België niet in bezit krijgen. Op 2 augustus 1914 had keizer Wilhelm II Generaal Helmuth von Moltke tevergeefs gevraagd om van de invasie van België af te zien om Groot-Brittannië buiten de oorlog te houden.

IJzeren Rijn[bewerken]

Nadat de IJzeren Rijn heel wat jaren ongebruikt was gebleven, wilde België deze verbinding tussen de Antwerpse haven en het Ruhrgebied eind 20e eeuw weer in gebruik nemen.[4] Nederland was hier tegen. De uitspraak van het Permanent Hof van Arbitrage van 24 mei 2005 stelde België op basis van het verdrag in het gelijk, waardoor de spoorlijn weer geopend moet worden.

Westerschelde[bewerken]

Een uitwerking van het verdrag is het Scheldetractaat, waarmee het loodsen op de Westeschelde werd geregeld.

Begin maart 2005 sloten Nederland en Vlaanderen een verdrag over het uitdiepen van de Westerschelde. Vanwege juridische bezwaren die door de Nederlandse Raad van State moesten worden opgelost[bron?], bleef uitvoering, tot frustratie in Vlaanderen en België, achterwege. Door een uitspraak in januari 2010 waarbij de klagers werden afgewezen, konden de werkzaamheden (voornamelijk baggerwerken) worden begonnen. Ter compensatie van het uitdiepen zou de Hedwigepolder onder water worden gezet, wat in Nederland op veel verzet stuitte.

Afbeeldingen[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • (en) Calmes, Christian, The Making of a Nation From 1815 to the Present Day, Saint-Paul, Luxembourg City, 1989
  • (fr) Kreins, Jean-Marie, Histoire du Luxembourg, 3rd edition, Presses Universitaires de France, Paris, 2003 ISBN 978-21-3053-852-3.
  • Theo Luyckx, Politieke Geschiedenis van België van 1789 tot heden, Brussel/Amsterdam, 1964.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Calmes (1989), p. 316
  2. Kreins (2003), pp. 80–1
  3. Kriens (2003), p. 83
  4. Heropening van IJzeren Rijn, De Standaard, 3 december 1999