Verdrag van Pont-à-Vendin

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Nadat graaf Boudewijn IX van Vlaanderen in 1205 onder geheimzinnige omstandigheden verdween toen hij als keizer van Constantinopel een veldtocht tegen de Bulgaren ondernam, werd zijn oudste dochter Johanna door koning Filips II August van Frankrijk naar Parijs overgebracht. Het was voor de ambitieuze vorst immers van groot belang dat deze erfdochter onder zijn controle werd gebracht. En dus koppelde hij haar aan de Portugese prins Ferrand (zoon van Sancho I), in wie hij een gemakkelijk te manipuleren graaf van Vlaanderen zag.

In 1212 mocht het jonge paar de Vlaamse troon overnemen van Johanna's oom (haar vaders broer) Filips, markgraaf van Namen en tijdelijk regent van het graafschap. Dit gebeurde echter niet vooraleer Filips II August hen een verdrag voorlegde, waarbij beiden de steden Sint-Omaars (Saint-Omer) en Ariën (Aire-sur-la-Lys) aan Frankrijk afstonden. Ze tekenden op 25 februari 1212 te Pont-à-Vendin, een Vlaams-Artesisch grensplaatsje op de Deule tussen Lens en Rijsel.