Verfransing van Brussel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

██ Brabants, de oorspronkelijke volkstaal van Brussel.

Frans en Nederlands zijn beide officiële talen van alle Brusselse gemeenten.

De verfransing van Brussel is de ontwikkeling waarbij de aanvankelijk bijna uitsluitend Nederlandstalige stad[1][2][3] tijdens de voorbije twee eeuwen[1][4] tweetalig werd met het Frans als meerderheidstaal en lingua franca.[5] De assimilatie van de Nederlandstalige inwoners in de loop van enkele generaties was hiervoor doorslaggevend,[6][1][7][8][3] hoewel ook instroom uit Frankrijk en Wallonië een rol speelde.[1][9]

De verfransing begon geleidelijk aan het einde van de 18e eeuw,[10][11] en liet zich door de snelle groei van de stad na de Belgische onafhankelijkheid ook voelen in de omliggende gemeenten.[12][13] De werkelijk massale achteruitgang van het oorspronkelijke Brabants dialect begon echter pas in de late 19e eeuw,[14] toen na 1880[15][16][17] de kennis van het Frans onder de Nederlandssprekenden explodeerde.[13][15][18] Het Nederlands — waarvan de standaardisering in België nog erg zwak was[17][19][13] — kon niet wedijveren met het Frans, de exclusieve taal van het gerecht, de administratie, het leger, de cultuur, het onderwijs en de media.[20][21][2][22][4] Beheersing van die taal was zowel een voorwaarde voor als een symbool van maatschappelijke bevordering.[2][23][6][13][24][25] Het Nederlands werd niet meer doorgegeven aan de volgende generatie,[26] waardoor het aantal eentalige Franstaligen sterk toenam na 1910.[23][27]

Vanaf de jaren 1960,[28] na de vastlegging van de taalgrens,[29] en de economische ontwikkeling van Vlaanderen,[17][15] stagneerde de verfransing van de Nederlandstaligen.[18] Sindsdien werd Brussel een centrum van de internationale politiek en bestendigde een toestroom van immigranten de positie van allochtone talen en het Frans,[30][18][26] ten nadele van het Nederlands.[4][31] Tegelijkertijd ontstonden er ten gevolge van de verstedelijking[32] Franstalige meerderheden in een aantal gemeenten in de Vlaamse Rand.[29][33] Dit fenomeen — gekend als de "olievlek"[6][34][18] — vormt samen met het statuut van Brussel[35] een van de belangrijkste twistpunten in de Belgische politiek.[15][21]

De middeleeuwen[bewerken]

Het belang van het Frans in Brussel blijft tot de vroege 16e eeuw zeer bescheiden.[4]

Rond het jaar 1000 werd het Graafschap Brussel — ten noorden van de taalgrens, in Germaans gebied[18][4][36][6] — een deel van wat later het Hertogdom Brabant zou worden.[37] Vanaf het einde van de 13e en in de loop van de 14e eeuw verloor Leuven gaandeweg de rol van hoofdstad aan Brussel,[38] dat deze functie zou behouden doorheen de Bourgondische tijd (1406-1482).[24] Deze periode markeert het begin van het Frans als bestuurs- en prestigetaal in de Bourgondische Nederlanden,[6][20] hoewel het slechts werd gesproken door een kleine groep edelen[8] en hun dienaren en ambtenaren.[9][24] Om met de bevolking te communiceren werd de volkstaal gebruikt.[4][18]

Vanaf de 12e eeuw werd het Latijn als schrijftaal in bijna heel West-Europa teruggedrongen door de volkstaal.[39][4] De Brusselse magistraten en gilden schakelden in het laatste kwart van de 13e eeuw over op het Middelnederlands,[40] terwijl voor overeenkomsten tussen privépersonen het Latijn in zwang bleef tot de 16e eeuw.[39] Terwijl in Brussel het Latijn terrein verloor aan het Diets,[37][40][41][18][4] was dit in het Graafschap Vlaanderen vaak in het voordeel van het Frans:[42][18] deze taal had reeds tegen de 12e eeuw de status van internationale voertaal bereikt.[4] In tegenstelling tot het Graafschap Vlaanderen, dat tot de 14e eeuw afhing van de Franse Kroon, behoorde Brabant toen tot het Heilige Roomse Rijk.[4][40] In een beduidend deel van het Graafschap Vlaanderen — de streek rond Rijsel en Dowaai — werden bovendien Romaanse dialecten gesproken, terwijl dit in Brabant slechts beperkt was tot de landelijke streek rond Nijvel en Geldenaken (ongeveer het huidige Waals-Brabant).[43][40] Daar waar in stadsarchieven van Vlaamse steden als Brugge en Gent het aandeel Franse stukken rond de 50 procent schommelde,[4] was dit in Brussel rond het jaar 1500 beperkt tot minder dan 5 procent.[4] Tot het einde van de 15e eeuw was er in Brabant en Brussel dus amper sprake van een Franstalige aanwezigheid.[18][9]

Spaanse tijd[bewerken]

De Scheiding der Nederlanden betekent voor het Nederlands in het Zuiden een zware slag.[19]

In 1482, na de dood van Maria van Bourgondië, die gehuwd was met Maximiliaan I van Oostenrijk, kwamen de Lage Landen onder de soevereiniteit van het Huis Habsburg. In 1506 wordt hun zoon Filips de Schone, via zijn echtgenote Johanna, koning van Castilië. Tegen hun kleinzoon Filips II brak in 1568 de Nederlandse Opstand uit. In de loop van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), in het licht van de Contrareformatie en de Inquisitie, verschoof het economische en culturele zwaartepunt naar de protestantse Noordelijke Nederlanden.[6] Na de Val van Antwerpen in 1585 trok een groot deel van de maatschappelijke bovenlaag — in totaal zo'n 150.000 mensen — met zijn rijkdom, vaardigheden en kennis naar het Noorden, wat de economie en beschaving daar in hoge mate stimuleerde.[6][44][45]

In de Zuidelijke Nederlanden daarentegen resulteerde deze exodus in een afname van het schriftelijk gebruik van het Middelnederlands.[18][46][6][47] Hoewel het Brabants van de emigranten een substantiële invloed op de taal in het Noorden had,[45] nam het Zuiden niet deel aan de standaardisering van het Nederlands[4][46] en bleef het zijn uiteengroeiende dialecten spreken.[44][6][18][46] De in Holland groeiende eenheidstaal verwierf een calvinistisch etiket,[4] onder meer omdat de Statenvertaling van 1635 een belangrijke rol in dit proces speelde.[6][45] In het Zuiden bleef het Latijn de taal van de katholieke kerk, de wetenschap, de wijsbegeerte en het hoger onderwijs.[4] Daarnaast groeide in de 17e eeuw — zoals elders in Europa, maar meer uitgesproken — er de luister van het Frans, dat aan gebruik won onder de hogere standen[6][44][24] en in de diplomatie en politiek.[48] Met twee standaardtalen voorhanden — het Latijn en het Frans — had de elite in het Zuiden geen behoefte aan een aparte Nederlandse standaard- of cultuurtaal.[4]

Situatie in Brussel[bewerken]

De beperkte instroom van vreemdelingen heeft zeer weinig effect op de rest van de bevolking.

Het Paleis op de Koudenberg was tot zijn verwoesting in 1731 de residentie van de buitenlandse vorsten in Brussel.

De Spaanse administratie gebruikte doorgaans het Frans als bestuurstaal,[6] maar de steden bleven het Nederlands gebruiken.[47] Brussel trok als hoofdstad van de Spaanse Nederlanden enkele Franstalige edelen, hovelingen en hoge ambtenaren aan.[24] Zij vestigden zich met hun hoofdzakelijk Waals en Frans dienstpersoneel in de bovenstad, met name op de Koudenberg en aan de Zavel.[6] Na de Unie van Atrecht in 1579 ontving Brussel daarnaast talrijke Waalse en Picardische protestantse vluchtelingen.[18] De bijkomende toestroom van Waalse venters en voermannen in de late 16e eeuw — na de opening van het kanaal dat de stad verbond met de Samber — zorgde voor de opname van Waalse woorden in het Brussels dialect, maar deze gemeenschap assimileerde zich snel.[18] In 1638 zouden de jezuïeten in Brussel drie keer in de week in het Nederlands en tweemaal in het Frans gepreekt hebben.[49][18] Hoewel de Franstalige aanwezigheid in werkelijkheid zeer klein was, toonde de 17e eeuw niettemin een prille vertrouwdheid van de middenklasse met het Frans, met name onder handelaars en ambachtslui.[24]

Oostenrijkse tijd[bewerken]

Het Frans bloeit volop, terwijl het Nederlands verschraalt.[18][4]

Na het uitsterven van de Spaanse tak van de Habsburgers gingen bij de Vrede van Utrecht van 1713 de Zuidelijke Nederlanden over naar de Oostenrijkse monarchie.[6] De Oostenrijkse tijd (1715-1794) betekende de definitieve doorbraak van het Frans, dat onder de Habsburgse administratie de voertaal was,[50][6][20] maar net zoals onder de Spanjaarden niet in de lokale besturen.[51]

Het Frans kreeg in de 17e en de 18e eeuw in het bijzonder als taal van de Verlichting een steeds grotere uitstraling[6][50][18][4] en werd de wereldtaal bij uitstek voor de betere kringen, inclusief in landen als Rusland en Pruisen.[24][33][18] Deze mode waaide ook over naar de Oostenrijkse Nederlanden en liet zich het sterkst voelen in Brussel,[24] waar het Nederlands verder aan prestige inboette ten aanzien van het Frans.[6] Reeds in de 18e eeuw, zelfs voor de Franse bezetting, waren er al klachten over de achteruitgang van het Nederlands,[48] hoewel de reactie tegen de "gallomanie" er minder sterk was dan in andere landen.[18] Dit kwam onder meer door het lage aanzien van het Nederlands zelf.[18][4] De aan het begin van de 17e eeuw ingezette neergang van het Nederlands als literaire taal zette zich tijdens de 18e eeuw zodanig door, dat er tegen de 19e eeuw geen noemenswaardige Nederlandse literatuur meer zou bestaan in het Zuiden.[6] Na de 17e eeuw — de Gouden Eeuw — kenden de Noordelijke Nederlanden ook zelf op politiek, cultureel en economisch vlak een zekere terugval, waardoor het Frans ook daar aan invloed won.[4] Hoewel de perceptie van verval zeker bestond, moet de aftakeling en desintegratie van het Nederlands volgens andere auteurs evenwel niet overdreven worden.[48]

Eerste pagina van de Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden (1788), een manifest voor de herwaardering van het Nederlands.

In de 18e eeuw was angst voor verfransing een algemene trek in de Nederlanden.[48] Jan-Baptist Verlooy, een Brussels advocaat, schreef in 1788 zijn "Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden",[44] waarin hij de herwaardering van het Nederlands als voorwaarde voor de democratisering van de samenleving en ontwikkeling van het volk benadrukte.[44][4] Hij beklaagde zich over de "Fransdolheyd" die heerste in Brabant en Brussel in het bijzonder.[52][18][48]

Aanhalingsteken openen [...] de Nederduytsche tael is hier [...] mishandelt by ons, en voor al in Brussel: zy is in deze stad niet alleen veronachtzaemt, maer ook veracht [...]. wy zullen het Frans hier de moederlyke tael maken: wy zullen het doen de tael worden van ons Nederland. [...] Ten zy wy dan door onze domme fransverwaentheyd by den alfranswillenden Fransman [...] willen blyven den naem verdienen van Grossiers Flamands; [...] wy moeten het frans verlaten.[52][53]
— Verlooy, 1788
Aanhalingsteken sluiten

In dit werk schatte hij dat de Franstalige minderheid slechts min of meer 5 procent bedroeg, en geconcentreerd woonde in de buurt van de Zavel, de Hoogstraat en het huidige Poelaertplein (de "buytevesten").[18][52] Het percentage van de bevolking dat zich in het openbare leven bij voorkeur in het Frans uitdrukte, bedroeg volgens andere bronnen in 1760 tussen 5 tot 10 procent en lag in 1780 waarschijnlijk rond de 15 procent.[54][17][20][4][9] Deze minderheid — die onder andere door de hoofdstedelijke functie van Brussel[24] groter was dan in steden als Antwerpen of Gent[11] — was welgesteld en vormde de maatschappelijke bovenlaag.[20][11][48] Uit notariële archieven en diverse officiële documenten blijkt dat aandeel van de akten die in het Frans waren opgesteld steeg van ongeveer een vijfde in 1760 tot een kwart in 1780.[18] Meer dan de helft van de Franstalige akten was evenwel afkomstig van de maatschappelijke elite, die rond een tiende van de bevolking uitmaakte.[18] De ambachtslieden en kleinhandelaars stelden hun akten in 1760 slechts voor 4 procent op in het Frans; in 1780 was dit gestegen tot 13 procent.[9] In de privésfeer was Nederlands nog veruit de meest gebruikte taal.[49][54]

De verstedelijkingsgraad in Brabant daalde van 39 procent in 1526 tot 24 procent in 1784, hoewel de bevolking er tussen 1709 en 1784 met meer dan de helft toenam.[44] Deze demografische groei ging gepaard met een algemene verarming — in Brussel verdubbelde het aantal armen tussen 1755 en 1784 tot 15 procent — wat leidde tot een verdere stigmatisering van de volkstaal. Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog werd Brussel van 1746 tot 1748 kortstondig door de Fransen bezet, wat de invloed van het Frans verder vergrootte.[54] Franse ex-militairen bleven in Brussel en gingen zich aan het onderwijs wijden.[55] Tijdens de Brabantse Omwenteling (1789-1790) verspreidde het stadsbestuur een aantal voorschriften ter ordehandhaving in beide talen, maar dit kwam ook wegens de toestroom van Waalse revolutionairen. In het algemeen gebruikte het Brusselse stadsbestuur voor de inval van de Fransen in 1794 voor officiële mededelingen aan de bevolking slechts in vijf procent van de gevallen het Frans, de rest was in het Nederlands. Zoals in heel West-Europa was tot dan toe de verfransing beperkt gebleven tot het hof, de aristocratie,[56] de hogere geestelijkheid, de hogere burgerij, en het mondaine en artistieke leven, maar was het effect hiervan op de bevolking en de instellingen waarin ze werd bestuurd beperkt.[17][47] Toch werd het Frans voor de Vlaamse burgerij, in tegenstelling tot de Vlaamse adel, geen echte spreektaal, maar bleef het beperkt tot de culturele sfeer.[44]

Franse tijd[bewerken]

Het Frans wordt de taal van het openbare leven en van economische, politieke en sociale macht.[15]

De Franse bezetting (1794-1814) van het huidige België leidde tot een verdere achteruitgang van het Nederlands, dat meteen werd afgeschaft als bestuurlijke taal.[20][11] In tegenstelling tot andere landen — waar de Fransen marionettenregeringen installeerden — werden de Zuidelijke Nederlanden ook effectief geannexeerd.[36][17] De gedecentraliseerde standenmaatschappij uit het Ancien Régime werd vervangen[6] door een unitaire gecentraliseerde staat die in zekere zin de kennis van het Frans vereiste als voorwaarde voor burgerschap en aansluiting bij de moderniteit.[17][4] De taalpolitiek van de Franse overheden werd dan ook gezien als onontbeerlijk unificatiemechanisme ter versterking van de nationale staat.[54][36][4][19] Daar waar elders in Europa enkel de aristocratie verfranste,[13] kwam in Vlaanderen nu ook de verfransing van de burgerlijke elite in een stroomversnelling: zij dankte haar emancipatie aan de Franse Revolutie en wilde zich via verfransing als Frans staatsburger manifesteren.[17][4] Zo werd het Frans definitief de taal van het openbare leven en van economische, politieke en sociale macht.[15]

Verfransingspolitiek[bewerken]

Het Frans wordt opgelegd aan alle openbare organen,[2][24] waaronder het onderwijs.[50]

Anders dan in de Oostenrijkse tijd werd de verfransing onder Franse heerschappij ondersteund door dwingende wetgeving.[24] Het straatbeeld werd bij wet verfranst: opschriften, aankondigingen, straatnamen en dergelijke moesten in het Frans zijn. Officiële documenten moesten voortaan in het Frans opgesteld worden,[19] al werd soms een niet-rechtsgeldige vertaling toegestaan voor Fransonkundigen.[6] Tegelijkertijd verklaarde men alle werknemers van landelijke gemeenten die het Frans niet machtig waren, niet langer in staat hun functie verder uit te oefenen.[49] Ook het gerecht onderging deze maatregelen: pleidooien, vonnissen en andere geschriften moesten in het Frans opgesteld worden, tenzij dit uit praktische overwegingen niet mogelijk was.[49] Daarnaast vielen ook de notarissen onder deze wet, hoewel het pas in 1803 was dat dit echt in de praktijk werd gebracht. Hierdoor steeg het deel van de akten dat in het Frans opgesteld werd in Brussel van 24 procent in 1794 tot 60 procent aan het einde van de 18e eeuw en tot 80 procent na 1810.[18] Dit weerspiegelt echter meer het naleven van de taalwetten dan een evolutie in het taalgebruik van de bevolking.[18][24] Een betere maatstaf daarvoor zijn de testamenten, waarvan in 1804 nog drie vierde in het Nederlands werd opgesteld,[18] ondanks dat dit eerder iets voor de betere kringen was.[49] Ook de hogere sociale klassen hielden dus voornamelijk nog vast aan het Nederlands.[49]

De Franse bezetting is in kwantitatief opzicht niet doorslaggevend geweest,[4] maar legde wel de basis voor de latere verfransing van de Vlaamse middenklasse omdat in deze tijd een overwegend Franstalig onderwijssysteem[50] — weliswaar voorbehouden voor een slechts dunne laag van de bevolking — ingang vond.[55] Op de scholen werd niet langer in het Nederlands lesgegeven — een tendens die al was ingezet tijdens het Ancien Régime — en de taal werd ook niet langer onderwezen.[55] Meer dan een derde van het onderwijzend personeel had waarschijnlijk het Frans als moedertaal.[55] Een hele generatie van onder meer juristen was opgeleid in Franstalig secundair en hoger onderwijs, en vond het niet langer evident dat de ambtenarij en magistratuur in de volkstaal hoorden te functioneren.[17] Twintig jaar na de inlijving bij Frankrijk was het culturele en administratieve wezen grondig verfranst.[24] Op de lage sociale klassen, waarvan nog ongeveer 60 procent analfabeet was[4] — iets wat nog toenam door de mislukte invoering van een gelaïciseerd openbaar lager onderwijs, onder meer wegens een gebrek aan Franstalige onderwijzers[17] — was het effect hiervan op dat moment evenwel zeer gering.[20][18] Het volk bleef zijn dialecten spreken[4][15][9] en de stad had haar fundamenteel Vlaamse karakter vooralsnog behouden.[24][47]

Franse bovenstad[bewerken]

Het Frans verankert zich in de residentiële buurten.[49]

Tijdens de Franse tijd was er in Brussel een aanzienlijke aanwezigheid van Franse ambtenaren, soldaten, ambachtslieden en handelaars.[18][9] Daarnaast kende de stad ook een instroom van Waalse immigranten met professionele motieven[4] die dubbel zo groot was als de Vlaamse.[18] Een overzicht van het taalgebruik werd in het begin van de 19e eeuw opgemaakt door het Bureau voor Statistiek van het napoleontische Rijk, waaruit blijkt dat het Nederlands nog de meest gebruikte taal was in de arrondissementen van Brussel en Leuven, met uitzondering van Brussel-stad, waar in sommige wijken het Frans reeds de meest gesproken taal was. In het arrondissement Nijvel, nu in Waals-Brabant, was de volkstaal het Waals.[49] In de Brusselse Vijfhoek (binnen de huidige Kleine Ring) was het Frans toonaangevend in de aangename wijken van de bovenstad (aan de Hoogstraat, op de Koudenberg en aan de Zavel),[57] terwijl het Nederlands de overhand had aan de haven, de Schaarbeeksepoort en de Leuvensepoort. In Sint-Gillis, vlak naast het centrum, werd nog enkel Vlaams gesproken;[49] 150 jaar later — nadat tussen 1819 en 1840 de tweede stadsomwalling, waar nu de Kleine Ring ligt, geleidelijk was afgebroken zodat de stad kon uitdijen over de buurgemeenten[23] — was de helft van de bevolking daar eentalig Frans geworden, en tegenwoordig is de aanwezigheid van het Nederlands er slechts marginaal.[31]

Nederlandse tijd[bewerken]

Willem I slaagt er niet in het Nederlands in ere te herstellen.[2][22][50][4][18]

De vernederlandsingspolitiek onder Willem I zette kwaad bloed bij de elite.

Na de val van Napoleon Bonaparte bij de Slag van Waterloo in 1815 werd door de Europese grootmachten op het Congres van Wenen besloten tot de stichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830). Vlak na de oprichting van de nieuwe staat, waarvan driekwart van de bevolking Nederlandstalig was,[58][51] werd bij koninklijk besluit van 1 oktober 1814 het Nederlands ook in de Zuidelijke Nederlanden erkend als officiële taal, maar nog niet verplicht gesteld.[44] De Groot-Nederlandse regering realiseerde zich dat, alvorens bijvoorbeeld de gerechtshoven van de Nederlandstalige streken te vernederlandsen, er eerst genoeg Belgische juristen met een toereikende kennis van het Nederlands moesten zijn.[44] Hoewel ambtenaren en juristen tijdens de Franse tijd gewend waren geraakt om in het Frans te werken,[50] ondervond de vernederlandsing van het juridisch apparaat uiteindelijk betrekkelijk weinig problemen.[46][44] Na een overgangsperiode van ongeveer vijf jaar kondigde de regering op 15 september 1819 aan dat vanaf 1 januari 1823 het bestuur en de rechtspraak in de vier Vlaamse provincies uitsluitend in het Nederlands zouden mogen geschieden.[44][17][42] Nog voor de verplichte toepassing van deze wet, kondigde de regering dit per koninklijk besluit van 26 oktober 1822 ook aan voor de arrondissementen van Leuven en Brussel,[9][51] inclusief Brussel-stad,[17][46] waar het aantal Franstaligen tegen 1821 was toegenomen tot om en bij een kwart van de bevolking.[17][9] De Waalse provincies bleven eentalig Frans.[4]

Om het Zuiden op een even ontwikkeld peil brengen als het Noorden stichtte Willem I een uitgebreid netwerk van scholen die onderwezen in de volkstaal.[44][6][20] De ongeletterdheid daalde onder het bewind van Willem I van ongeveer 59 procent tijdens de Franse tijd tot ruim onder de 50 procent tegen 1830.[44] Belangrijk voor de latere ontwikkeling van het Nederlands in België was dat de bevolking door de ambtelijke vernederlandsing en de uitbouw van het onderwijs voor het eerst in aanraking kwam met het Standaardnederlands.[51][17][46]

Respons tegen de vernederlandsing[bewerken]

De korte eenheid tussen Nederland en België van 1815 tot 1830 deed in Vlaanderen geen afbreuk aan het prestige en de economische macht van het Frans.[2][22][50][4][18] De wens van Willem I om van het Nederlands de landstaal te maken[46][51][18][22][50] botste op verzet van zowel de verfranste burgerij[4][20][36] — die haar plaats in openbare ambten door een verplichte kennis van het Nederlands bedreigd zag[46] — als de voor vernederlandsing vrezende[17] Walen,[20] en de katholieke kerk, die het "Hollands" nog altijd zag als de ketterse taal van het protestantisme.[4][18][46][59][19] Ook een deel van de Vlaamse bevolking kon zich maar moeilijk identificeren met het Noord-Nederlands.[19][46] De grote meerderheid van de mensen in de Zuidelijke Nederlanden sprak dialect en kende geen standaardtaal.[20][18][19] De taalkwestie werd een symbooldossier in de ruimere strijd tegen het autocratische bewind van de Koning.[58] Willem I bond in[6] en voerde op 4 juni 1830 in heel hedendaags Vlaanderen opnieuw taalfaciliteiten voor de Franstaligen in[51][4][60] — al bleef het Nederlands de enige bestuurstaal[17][51] — en werd de eentaligheid van Vlaanderen, waaronder ook Brussel, dus opgeheven.[51] Daarnaast werd ook uitdrukkelijk verklaard dat het Frans de enige officiële taal van Wallonië was, met de bedoeling daar de vrees voor vernederlandsing weg te nemen.[17] De gemeenschappelijke liberale en katholieke afkeer van de politiek van Willem I was de grondslag van de Belgische Revolutie[59][6][4] en een van de aanleidingen voor de latere eentaligheid van België.[17][60] Tegen de tijd dat België onafhankelijk werd, was het hele bestuurlijke apparaat, de hoge burgerij, de adel, de geestelijkheid en delen van de middenstand reeds verfranst of gewend in het Frans te functioneren.[36] Deze uitgesproken voorkeur voor het Frans zou doorslaggevend blijken in de opmars van die taal in Brussel.[17]

Belgische tijd[bewerken]

In de 19e eeuw, na het ontstaan van België in 1830, veranderen de taalverhoudingen in het Brusselse pas echt.[24]

Tot aan de Belgische onafhankelijkheid was er geen wezenlijk verschil tussen Brussel en andere steden als Antwerpen of Gent, behalve dat er in de hoofdstad een bredere toplaag van de bevolking onderhevig bleek aan de verfransing.[36] De verfransing zou haar hoogtepunt kennen tussen het midden van de 19de en het midden van de 20ste eeuw.[18] De nabijheid van de taalgrens speelde geen rol van betekenis in de verfransing van Brussel.[13] Het toenmalig economisch overwicht van Wallonië[13] en de substantiële toestroom van Waalse nieuwkomers[13][56] hebben de verfransing misschien wel versterkt, maar niet bepaald.[13] Hoewel het contact met Wallonië leidde tot de opname van een groot aantal Waalse woorden in het Brussels dialect, werd de stad dus niet verwaalst maar wel degelijk verfranst in een Vlaamse omgeving.[3][8][47] De Vlaamse arbeidersbevolking schakelde in enkele generaties massaal over op het Frans.[25]

Belangrijke oorzaken voor de verfransing waren de noodzaak om Frans te kennen om kans te maken op sociale mobiliteit,[7][2][23][36] de veel grotere uitstraling van het Frans tegenover de Vlaamse dialecten[18][4][36] en zelfs het Standaardnederlands,[4] de voorkeur van ouders voor Franstalige scholen,[18][13][36] de grote toestroom van inwijkelingen van over heel het land[2][18][4][27] waardoor het dialect nog enkel werd gesproken in vertrouwde kringen,[36] de groeiende groep tweetaligen die zich bij voorkeur uitdrukte in het Frans[36] en de gemengde huwelijken waar het Frans de rol opnam van enige gezinstaal.[36][4]

Frans als enige officiële taal[bewerken]

De grondwettelijke taalvrijheid geldt in de praktijk vooral voor de overheid zelf.[44][2][19][15]

Op 16 november 1830[18] werd het Nederlands, dat een voorkeursbeleid had genoten onder Koning Willem I,[51][18][22][50] als bestuurstaal afgeschaft.[44] De enige officiële taal van de jonge gecentraliseerde unitaire staat werd Frans.[21][17][50][18][51] Het geheel Franstalige Voorlopig Bewind nam aan dat de nieuw ingevoerde taalvrijheid de natuurlijke suprematie van het Frans tot gevolg zou hebben.[44] Voor de overheid betekende deze taalvrijheid het individuele recht de taal te spreken die men verkoos, maar niet dat deze taal dan ook te allen tijde gebruikt moest kunnen worden.[6][51] Het Frans was de taal van de politieke, economische en maatschappelijke elite[24][51][21][18] en een symbool voor opwaartse sociale mobiliteit,[2][23][6][13][24][25] en werd zo — zonder dat daar expliciete overheidsdwang voor nodig was[44][17][61] — de exclusieve taal van het gerecht, de administratie, het leger, de cultuur, het onderwijs en de media.[20][21][2][22][4] Het genoot het aura van vooruitgang, cultuur en universalisme en gold als kenmerk van "fatsoen".[57] Het Nederlands daarentegen — waarvan de standaardisering in België nog erg zwak was[17][19][13] — had geen enkel aanzien en werd beschouwd als een taal van kleine boeren en arme arbeiders,[6][62][27] die net als het Waals gedoemd was te verdwijnen.[44] Bovendien had het "Hollands" orangistische[51] en protestantse connotaties gekregen.[17][6] Het beleid van de nieuwe staat zou weldra leiden tot de politieke, culturele en ook sociale onderwerping van de Vlaamse meerderheid van het volk aan de Franstalige minderheid.[44] De Vlaamse massa had door het cijnskiesrecht nauwelijks economische en politieke macht[17][4] en zag de beheersing van het Frans als volkomen noodzakelijk om hogerop te raken.[2][6][23][13][24][25] Naast de geografische taalgrens tussen Vlaanderen en Wallonië bestond er dus in feite ook een sociale kloof tussen Nederlands- en Franssprekenden.[21][25][18]

Brussel was nog steeds een hoofdzakelijk Nederlandstalige stad, waar de inwoners een lokale vorm van het Brabants spraken.[4][18] Desalniettemin leek de stad — in straatnaambordjes, het onderwijs, het bestuur, het culturele leven — naar de buitenwereld toe Franstalig.[18][24][13][4] De notulen van de Brusselse gemeenteraad werden vanaf 28 augustus 1830 — nog voor de omwenteling — niet meer in het Nederlands maar in het Frans opgesteld.[44] De eentaligheid van België leidde tot een sterke taaldruk in de hoofdstad.[56]

Snelle groei van de stad[bewerken]

Door de toestroom van nieuwe inwoners neemt het Frans de functie van omgangstaal over van het dialect.[36]

Tussen 1830 en 1900 nam de bevolking van Brussel-stad toe van ongeveer 100.000[23][12] naar ongeveer 184.000,[16][27] en verzesvoudigde het aantal inwoners van de agglomeratie van de 19 gemeenten tussen 1830 en 1910[16] tot ongeveer 750.000 mensen. In de jaren van 1830 tot 1870 ontstond de "eerste ring" van voorsteden:[12] negen gemeenten — eerst Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Joost-ten-Node, Schaarbeek en Elsene, daarna Etterbeek, Sint-Gillis, Anderlecht, Koekelberg en Laken — verstedelijkten in deze periode.[23] Tussen 1870 en 1910 groeide de stad verder, waardoor de "tweede ring" van voorsteden ontstond: deze bestond uit de gemeenten Vorst, Ukkel, Watermaal-Bosvoorde, Oudergem, Sint-Pieters-Woluwe en Sint-Lambrechts-Woluwe.[23] Vier gemeenten in het noorden — Sint-Agatha-Berchem, Ganshoren, Jette en Evere — verstedelijkten ook, maar in mindere mate.[23]

De snelle groei van de stad was een belangrijke factor in de verfransing,[42][18][2][4][13][56] die werd gedreven door de middenklasse, eerder dan door de burgerij.[13] De nieuwe hoofdstad trok een grote groep Franstaligen aan voor functies in het bestuur en het zakenleven.[16][27][63][56] Terwijl tot het midden van de 19e eeuw de meerderheid van de nieuwkomers Walen waren,[26] kwam vanaf 1840[26] het gros van de inwijkelingen uit het Vlaamse platteland.[2][4][27] De minder talrijke Waalse nieuwkomers[2][4] kwamen, in contrast met de Vlaamse inwijkelingen, vaak uit de middenklasse.[24][27] Bovendien fungeerde de stad tijdens de 19e eeuw als wijkplaats voor talrijke politieke vluchtelingen — vooral Fransen[9][27] — die door hun rol in strategische sectoren als de pers en de ambtenarij[24] de dominantie van het Frans verder verhoogden[17][9] en een bepalende invloed uitoefenden op het culturele en politiek-ideologische landschap.[64] Walen en Fransen hadden naar verhouding een groot gewicht in het onderwijs, de cultuur en het bestuur.[24][27]

De Brusselse gemeenten kenden in 1866 een Franstalige minderheid van ongeveer een vijfde van de bevolking,[23] en die zou tot de vroege 20ste eeuw niet groter worden dan een kwart.[2][18] Toch verklaarde bij een volkstelling in 1846 al ruim 37 procent van de bevolking van Brussel-stad meestal Frans te spreken; in Gent was dit 5 procent, in Antwerpen 1,9 procent.[15][16] Aangezien dit cijfer in 1866 — toen tweetaligheid werd geregistreerd — zou terugvallen tot 20 procent,[36] werd bij de telling van 1846 de Franstalige minderheid zeker overschat.[18] De cijfers duiden eerder op een wijd verbreide aansluiting bij de Franse cultuur van deze groep[13] en haar aanspraak op stedelijke acculturatie en het bijhorende sociaal aanzien.[2]

De toestroom van nieuwe inwoners en de groeiende groep Franstaligen of tweetaligen die zich bij voorkeur in het Frans uitdrukten, vooral bij contacten met onbekenden,[6] schiep een diglossie[24][13][18] waarbij het dialect werd teruggedrongen tot de vriendenkring, het gezinsleven, of contacten met personen van wie men wist dat ze dialect konden en het ook wilden spreken.[36] De Vlaamse bevolking van de stad begon steeds vaker tweetalig te worden, ook al was de kwaliteit van dat Frans maar matig.[24][13][16] Dat Frans spreken chic stond, was ook de Franse dichter Charles Baudelaire niet ontgaan, die bij zijn kortstondige verblijf in België in 1864 de hooghartigheid van de bourgeoisie aanklaagde.[18][65][16]

Aanhalingsteken openen In Brussel kan men geen Frans, niemand kan het, maar ze doen alsof ze geen Vlaams kennen: dat getuigt van goede smaak. Het bewijs dat ze het wel degelijk kennen, is dat ze hun dienstpersoneel in het Vlaams afblaffen.[66]
— Baudelaire, 1866
Aanhalingsteken sluiten

Rol van het onderwijs[bewerken]

De groeiende toegankelijkheid van het onderwijs verspreidt de tweetaligheid onder de Nederlandstaligen.[2][25][16][27]

Het Nederlands — in dialectvorm — was nog steeds de moedertaal van de meerderheid van de leerlingen,[16] maar het onderwijssysteem was volledig Franstalig:[13] tot 1883 op de lagere scholen,[13] in de Vlaamse provincies tot 1881 op de middelbare scholen[50] en tot 1930 ook in het hoger onderwijs[50] (de universiteiten van Brussel, Leuven en Gent waren Franstalig).[17] Ook als leervak werd het Nederlands veronachtzaamd: zo werd het niet onderwezen gedurende de eerste vier jaar van het basisonderwijs voor jongens, en slechts een en later twee uur per week in het vijfde en zesde leerjaar.[13][16] In de gemeentelijke meisjesscholen en in het katholiek onderwijs werd er nog minder aandacht besteed aan het Nederlands.[16] Het voornaamste gevolg van deze toestand was dat het de ontwikkeling van het Nederlands als cultuurtaal afremde,[13] want door de vroegtijdige schooluitval — gemeengoed in die tijd — had het zo goed als geen effect op de verfransing van de arbeidersbevolking.[13] Zij bleef haar Nederlandse dialect trouw zolang de klassenmaatschappij geen echte kansen bood op sociale mobiliteit.[25] Het was pas aan het einde van de 19e eeuw, toen de sociale segregatie minder uitgesproken werd en mogelijkheden ontstonden op maatschappelijke vooruitgang, dat de verfransing van de Brusselse onderklasse begon.[25][27] De toegenomen toegankelijkheid van het onderwijs speelde hierin een cruciale rol.[2][25][16][27] Het Frans was de elitetaal en de kennis ervan vormde in de eentalige Belgische staat een noodzakelijke voorwaarde om hogerop te raken.[2][16] De vorming van het Nederlands als concurrerende standaardtaal zou pas tegen het einde van de 19e eeuw moeizaam doordringen.[16] Er bestond een zekere minachting van de hoofdstedelijke Brusselaars ten aanzien van de Vlaamse immigranten van het arme platteland, ook op taalvlak:[13] het Frans werd door de Nederlandstalige Brusselaars ook zelf als superieur gezien.[4][13][24] Daarom zetten veel Vlamingen vaak zelf de stap naar de verfransing van hun kinderen door ze naar Franstalige scholen te sturen[18][13][36] en — als ze zelf voldoende tweetalig waren — hen in het Frans op te voeden.[6][36] Ook de nieuwe stedelingen verfransten gemakkelijk in een tot twee generaties.[4][18] Het Frans genoot dus een grote voorkeur als gezinstaal, meer dan tweetaligheid.[4] Dit cumulatieve effect was de beslissende factor in de verfransing.[36][65]

Falen van de transmutatieklassen[bewerken]

Op initiatief van Karel Buls, toen schepen van onderwijs en later burgemeester (1881-1899), werden in Brussel-stad in 1879 weer lagere scholen geopend die in het Nederlands lesgaven.[26][13] In deze zogenaamde "transmutatieklassen" werd de eerste twee jaar in het Nederlands onderwezen en pas daarna geleidelijk de overschakeling naar het Frans gemaakt.[36][67] De gemeenteraad gaf zijn aanvankelijke verzet tegen het voorstel-Buls op uit pedagogische overwegingen, omdat bleek dat dergelijk systeem uiteindelijk een betere kennis van het Frans opleverde.[36][16] Ook werd niet aan de dominantie van het Frans geraakt, daar het in de latere jaren opnieuw als instructietaal werd aangewend.[16] De transmutatieklassen zouden, veel meer dan het zuiver Franstalig onderwijs, de tweetaligheid verspreiden,[13] wat neerkwam op een versnelling van de assimilatie.[16]

Wegens verschillende oorzaken — waaronder het gebrek aan een adequate Vlaamse vooropleiding in de normaalscholen en ernstige voorlichting van de ouders, de minachting van het Standaardnederlands als evenwaardige cultuurtaal, en concurrentie met het vrij onderwijs — draaide het systeem-Buls uit op een mislukking.[16] Vlaamse kinderen werden vaak naar Franstalige scholen gestuurd om deze taal goed te beheersen, en de transmutatiescholen werden uiteindelijk opgedoekt.[36] Dit was mogelijk door de "vrijheid van de huisvader" waardoor de thuistaal niet automatisch de schooltaal hoefde te zijn.[34] Later zouden de Vlamingen de afschaffing daarvan eisen om de verfransing af te remmen.[6][34] Tegen 1914, bij de invoering van leerplicht, was er geen enkele Vlaamse klas meer over in Brussel-stad.[36][26] In de 13 gemeenten van de agglomeratie waren er in 1916 maar 441 Vlaamse tegenover 1592 Franstalige klassen, hoewel de Franstaligen nog geen derde van de bevolking uitmaakten.[67] In de rest van Vlaanderen speelde het onderwijs geen rol van betekenis in de verfransing, aangezien de leerplicht pas werd ingevoerd in 1914[61] en in de meeste lagere scholen in de volkstaal onderwezen werd.[6]

Opkomst van de Vlaamse Beweging[bewerken]

De dominantie van het Frans wordt in Brussel als een evidentie ervaren en stuit op weinig tegenkanting.[2][13]

De strijdvlag van de Vlaamse Beweging.

In de eerste decennia van de Belgische onafhankelijkheid groeide langzamerhand de ontevredenheid van de Vlamingen over de achterstelling van het Nederlands,[4][20][21][22] wat een remmende invloed had op de volksontwikkeling.[42][19] In 1856 werd op initiatief van eerste minister Pieter de Decker de "Grievencommissie" opgericht, een organisatie die de Vlaamse problemen moest definiëren en voorstellen doen tot redres ervan.[44][61] De commissie ijverde voor de tweetaligheid van onderwijs, bestuur, gerecht en leger, maar werd politiek genegeerd[68] omdat de stemhebbende burgerij in Vlaanderen niets voor haar voorstellen voelde, en daarnaast de Vlaamse volksmassa aanvankelijk met passiviteit reageerde op de dominantie van het Frans, die men al kende van in de Oostenrijkse en Franse tijd.[4][44][13] Bovendien was Vlaanderen in de 19e eeuw economisch onderontwikkeld[15][17][13] en kampte het met hongersnood,[44][4] waardoor de taalkwestie niet de grootste bekommernis was.[16]

Gedurende de 19e eeuw zou het taalklimaat in Brussel al bij al sereen blijven[13] en kon de Vlaamse Beweging in de stad niet op veel sympathie rekenen.[2][13][69][27] De feitelijke tweetaligheid en de heterogeniteit van haar bevolking werden door de Brusselse flaminganten aanvankelijk als een verrijking gezien.[13][26] Elke poging om het gebruik van het Nederlands te bevorderen en de expansie van het Frans — symbool van sociale promotie[23][2][18][70] — in te perken werd eerder beschouwd als een sociale belemmering dan als een ontvoogdingsstrijd zoals in de rest van Vlaanderen.[13][70] Bovendien hadden ook Waalse arbeiders hun weg gevonden naar de hoofdstad,[27][13] waardoor het Brusselse proletariaat op taalvlak heterogener was dan bijvoorbeeld in Gent, waardoor de kloof tussen een Franstalige elite en een ondergeschikte anderstalige onderklasse minder eenduidig was.[13] De sociale breuklijn viel steeds minder samen met die van de taal en de stad kreeg een immer gemengder karakter.[13] Een voorbeeld daarvan is de volksbuurt van de Marollen, waar een mengtaal van Brabants, Frans en Waals gesproken werd: het "brusseleir".[13]

Over deze situatie van "agglomérat de métis" liet de socialist Jules Destrée — een van de verdedigers binnen de Waalse Beweging van de focus op regionalisering eerder dan op een loutere verdediging van het Frans — zich in 1912 misprijzend uit.[18][71][26]

Aanhalingsteken openen Een ondermaatse soort Belgen is ontstaan in het land, en in Brussel in het bijzonder. [...] Deze bevolking van de hoofdstad [...] is geenszins een volk, het is een ophoping van halfbloeden.[72]
— Jules Destrée, 1912
Aanhalingsteken sluiten

Daarnaast werkten de leiders van de sociale verenigingen — in tegenstelling tot het sterk geïndustrialiseerde Gent — vaker in kleine bedrijfjes of in ambachtelijke beroepen, waarbij ze hun eigenwaarde onder meer haalden uit de overname van het Frans.[13][70] Deze middenlaag van zelfstandige ambachtslui, winkeliers en bedienden had de neiging zich via de Franse taal te onderscheiden van de rest van de bevolking onder haar.[56] Deze factoren maakten dat de Brusselse arbeidersbeweging de klassenstrijd niet opvatte als een taalconflict:[13][70] de aandacht ging naar de verwezenlijking van het algemeen stemrecht.[70] Vanaf de eeuwwisseling verdedigde de Brusselse arbeidersbeweging zelfs tweetaligheid als emancipatiemiddel voor de Brusselse arbeidersklasse. Met de hulp van het onderwijssysteem werd zo de verfransing van de Brusselse arbeiders in de hand gewerkt.[27]

Verscherping van de Vlaamse eisen[bewerken]

In de late 19e eeuw won de Vlaamse Beweging verder aan kracht,[69] wat rechtstreekse gevolgen zou hebben op de Brusselse situatie.[13] De Beweging ijverde aanvankelijk voor de evenwaardigheid van beide landstalen[13] en de erkenning van het Nederlands in Vlaanderen. Dit voorstel werd door de Franstaligen verworpen:[63] zij eisten een eentalig Frans Wallonië[63] (steunend op het territorialiteitsbeginsel), een tweetalig Vlaanderen (volgens het personaliteitsprincipe) en een zo groot mogelijke taalvrijheid in Brusselse agglomeratie, en bijgevolg het vrijwaren van de feitelijke hegemonie van het Frans in die stad.[17][69] De Franstaligen vreesden bij een algemene tweetaligheid van het centrale bestuur Nederlands te moeten leren om banen bij de overheid te kunnen krijgen.[34][44][17][61][63]

Het flamingantisme ontwikkelde zich door de beperktheid en traagheid van de taalwetgeving enerzijds, en de neergang van de romantische en unionistische idealen anderzijds, tot een vorm van Vlaams-nationalisme.[44][19] De tweetaligheid van Brussel werd voortaan beschouwd als een afwijking, een "olievlek".[13] Na de Eerste Wereldoorlog paste men de taaleisen aan[61] en begon te ijveren voor de eentaligheid van Vlaanderen,[34][17][44][15] naar analogie met Wallonië, en tweetaligheid van de centrale administratie en de Brusselse agglomeratie.[17] De Vlamingen hoopten door de afbakening van de taalgebieden de opgang van het Frans aan banden te kunnen leggen.[15] Pas na de Franse nederlaag in de Frans-Pruisische Oorlog in 1870 — die een gevoelige slag had gegeven aan het Franse prestige[61] — waren de eerste wetten aanvaard ter bescherming van het Nederlands.[44] Ook de toenemende spanning tussen de twee grote politieke partijen (de Katholieke Partij enerzijds en Liberale Partij anderzijds), in die tijd ongeveer even sterk, en de agitatie van de Meetingpartij, vergrootten de bereidheid om toegevingen te doen aan de flaminganten in de hoop hun steun te verkrijgen in hun onderlinge concurrentiestrijd.[17][44][61]

Eerste taalwetten[bewerken]

De Brusselse gemeenten worden uitgesloten van de vernederlandsing van het lokale bestuur.[69]

In 1873 werd de wet-Coremans (de eerste taalwet) goedgekeurd, die aan Nederlandstaligen onder meer het recht gaf in het Nederlands terecht te staan.[19] Deze strafwet betrof enkel de Vlaamse provincies Limburg, Antwerpen, West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen en het arrondissement Leuven, en de flaminganten verkregen niet de toepassing ervan in het arrondissement Brussel.[69] Op verzoek van de beklaagde kon de strafzaak nog steeds in het Frans verlopen.[61] De meeste gemeentebesturen waren volledig Franstalig, maar daar zou na de wet-De Laet (de tweede taalwet) uit 1878 geleidelijk verandering in komen. Volgens deze bestuurswet moest in de Vlaamse provincies en het arrondissement Leuven alle communicatie met het publiek in het Nederlands plaatsvinden, ook al bleef het Frans toegelaten als de particulier daarom vroeg.[61] Ook deze wet gold niet voor Brussel en de eerste acht randgemeenten,[69] waar Nederlandstalige dienstverlening enkel moest op verzoek of als antwoord op Nederlandse brieven. De wet-Coremans-de Vigne (de derde taalwet) van 1883 gaf een grotere plaats aan het Nederlands in de rechtspraak, het bestuur en het middelbaar onderwijs.[44] Deze wet zorgde ervoor dat in de Nederlandstalige provincies het Nederlands aan de openbare middelbare school inderdaad veld won,[44] maar in de veel talrijker katholieke scholen werd de taal streng uitgesloten[44][17][61] en in de praktijk bleek zij niet van toepassing op de Brusselse agglomeratie, waar het Frans de enige voertaal bleef.[69] De invoering van het algemeen meervoudig stemrecht in 1893 breidde het kiesrecht uit naar de grote massa Nederlandstaligen, wat de druk om het Nederlands een betere plaats te geven in het bestuur verder vergrootte.[17][44][61]

De Gelijkheidswet van 1898 stelde officieel beide talen op gelijke voet en bepaalde dat alle wetten en officiële bekendmakingen van de centrale overheid in beide talen moesten geschieden.[6] Dit was de eerste taalwet die betrekking had op het hele Belgische grondgebied.[61] Deze stap zou eerder symbolisch blijken, want in de praktijk veranderde er niet veel.[6][69] Rond 1900 werden de meeste grote Vlaamse steden, taalgrensgemeenten en gemeenten van de Brusselse agglomeratie nog hoofdzakelijk in het Frans bestuurd. Door de bank genomen had de taalwetgeving voorlopig betrekkelijk weinig effect[26] — aan de plaats van het Frans werd niet geraakt[17][44][61] — maar het feit dat ze tot stand kwam impliceerde dat de regering, in tegenstelling tot wat zij verwacht had, erkende dat de taalvrijheid ingevoerd in 1830 weliswaar had geleid tot de volledige onderschikking van het Nederlands aan het Frans, maar niet tot de algemene verfransing van de Vlaamse bevolking.[44] De vroege taalwetgeving versterkte bovendien het Nederlands als overkoepelende standaardtaal voor de Vlaamse dialecten — in 1840 had de regering officieel de spelling van het Nederlands vastgelegd[61] — hoewel ze nog steeds een lage status genoot.[17]

Aanvaarding van de regionale eentaligheid[bewerken]

De verenkelvoudiging van het stemrecht in 1918 maakte het kiesrecht onafhankelijk van het inkomen of de opleidingsniveau, en gaf een groter gewicht aan de Vlaamse bevolking, die armer was dan de rest.[26] In de jaren 1920 werd door het overwegend christendemocratische noorden en het socialistische zuiden een compromis bereikt dat neerkwam op een eerste officiële bevestiging van het territorialiteitsbeginsel[17][34] en bijgevolg van het bestaan van een taalgrens.[19] Zowel de leidende, verfranste klasse in Vlaanderen als de grote groep Vlaamse inwijkelingen in Wallonië zouden zich moeten neerleggen bij de eentaligheid van de streek.[17] België werd bijgevolg opgedeeld in drie taalgebieden: een eentalig Nederlands gebied in het noorden (Vlaanderen), een eentalig Frans gebied in het zuiden (Wallonië) en een tweetalig deel (Brussel), hoewel in dat laatste gebied de meerderheid van de bevolking nog Nederlandstalig was. De gemeenten in de Brusselse agglomeratie, het tweetalige deel van België, mochten hun interne bestuurstaal vrij kiezen.[34] Dit was op Sint-Stevens-Woluwe na steeds Frans.

Basisscholen werden pas na 1883 toegelaten om in het Nederlands te onderwijzen. In 1881 stond het gemeentebestuur toe dat geboorte-, overlijdens- en huwelijksakten, met ingang van 1884, ook in het Nederlands opgesteld werden.[13] Van deze optie werd echter in 1892 slechts in respectievelijk 11, 5 en 21 procent van de gevallen gebruikgemaakt.[13] Pas in 1889 werd het Nederlands toegelaten in de rechtszaal, zij het enkel voor mondelinge getuigenissen. Het behoud van de dominante positie van het Frans en het uitblijven van een effectieve taalregeling leidden tot een massaal verfransingsproces van het Brussels hoofdstedelijk gebied.[17][69]

Talentellingen[bewerken]

Tweetaligheid wint snel veld bij de eentalige Nederlandstaligen, waarna enkel het Frans wordt doorgegeven aan de volgende generatie.[15][27]

De wet uit 1921 werd verfijnd in de taalwet uit 1932.[34] Sindsdien mochten de centrale overheid alsook de provincie- en gemeentebesturen in de vier Vlaamse provincies en de arrondissementen van Leuven en Brussel (met uitzondering van de Brusselse agglomeratie) enkel het Nederlands als bestuurstaal gebruiken. De wet bepaalde echter ook dat gemeenten aan de taalgrens of in de omgeving van Brussel tweetalige dienstverlening moesten hebben als de taalminderheid groter werd dan 30%[6][63] — een cijfer bepleit door de Walen om te vermijden dat in Wallonië gemeenten in aanmerking zouden komen voor Nederlandstalige dienstverlening[34] — en dat de bestuurstaal gewijzigd werd als die minderheid groter werd dan 50%.[34][63] Dit werd bepaald bij een tienjaarlijkse talentelling, waarvan de uitslagen door de Vlamingen herhaaldelijk werden betwist omdat er om allerlei redenen aan de betrouwbaarheid ervan kan worden getwijfeld.[36][6][18][19]

De uitslagen van de talentellingen moeten met veel omzichtigheid worden geïnterpreteerd.[15][13][16] Men peilde zowel naar de kennis van de officiële talen als naar de meest gebruikte taal.[15] Voor de ene verwees "meest gebruikte taal" naar de moedertaal, voor de andere naar het prestigieuze en alomtegenwoordige Frans.[15][13] Door de koppeling van de taalvraag aan een mogelijke wijziging van het taalstatuut van de gemeente nam de volkstelling vaak de allure aan van een referendum[13] en werd het verlies van eentalig Vlaams grondgebied in de hand gewerkt.[12] De interferentie van sociolinguïstische motieven als sociale promotie, de evolutie van het niveau van de kennis van een taal en het bestaan van een tweetaligheid — die niet zozeer als de verwerving van een andere cultuurtaal maar als een stap in de richting van de verfransing moet worden gezien — bemoeilijken de interpretatie van de cijfers.[13] Vanaf 1880,[15][16][27] en vooral rond de eeuwwisseling,[15][13] explodeerde onder de Vlaamse bevolking het aantal tweetaligen.[15][27]

Als reactie op de taalwetgeving ontstonden verschillende actiegroepen die de Franse taal verdedigden.[34][18] In dit kader pasten de strijd tegen de invoering van tweetaligheid en voor het behoud van de "vrijheid van gezinshoofd" (vrije keuze van de onderwijstaal),[34] een belangrijke factor in de verfransing.[34][73] De taalwet van 1932 maakte van de streektaal ook de onderwijstaal — niet enkel voor de openbare maar ook voor de vrije scholen — met uitzondering van de Brusselse agglomeratie en de gemeentes langs de taalgrens.[6][34] In die gemeentes moest het gezinshoofd een formulier invullen waarin hij verklaarde wat de taal gesproken binnen het gezin was; het kind zou dan school lopen in die taal.[34] De controle hierop was evenwel zo gering dat dit verdere verfransing niet verhinderde,[34][26][74] en bovendien zou ook de wetenschappelijke waarde die werd gehecht aan de talentellingen in de feiten leiden tot een verdere verfransing van de Brusselse agglomeratie en de taalgrensgemeenten.[34]

Ontwikkeling in Brussel-stad[bewerken]
Haren, een van de toen nog kleine Brabantse dorpjes die opgingen in de Brusselse agglomeratie

Bij de talentelling van het jaar 1846 gaf nog 60,6% van de inwoners aan meestal Nederlands te spreken, voor 38,6% was dit Frans. Men peilde naar de "meest gebruikte taal", zonder rekening te houden met de moedertaal of met een eventuele tweetaligheid, waardoor de resultaten noodzakelijkerwijze vertekend werden.[6][18][13] Bij de census van 1866 werden combinaties van talen ingevoerd,[6] waardoor de verdeling zich als volgt herschikte: 39% sprak in het gezin Nederlands, 38% beide talen en 20% exclusief Frans.[18] Bij deze telling werd evenwel niet verduidelijkt of men de kennis dan wel het gebruik van een taal vroeg, en evenmin werd gevraagd of die taal dan wel de moedertaal was.[13] De lichte achteruitgang van het Nederlands tussen 1866 en 1880 valt ook moeilijk te beoordelen. Kleine kinderen werden bij de eerste telling bij de taal van hun ouders gerekend, terwijl ze in 1880 werden opgenomen als statistisch "doofstom".[13] Bovendien had een groot deel van de hoofdzakelijk Vlaamse arbeidersbevolking de binnenstad moeten verlaten als gevolg van grote infrastructuurwerken als de overwelving van de Zenne.[13][27] In 1900 oversteeg in Brussel-stad het percentage eentalige Franstaligen voor het eerst het percentage eentalige Vlamingen, maar dit kwam enkel door de aangroei van het aandeel tweetaligen ten koste van de eentalig Nederlandstaligen.[18] Vanaf 1910 werd de vraagstelling in de talentelling opnieuw geherformuleerd: vanaf dan peilde men naar de kennis van de nationale talen en daarnaast ook naar de "meest gebruikte taal".[6][13] Hoewel het begrip "tweetalig" misbruikt werd om de Franstaligheid van de stad te bewijzen,[16] is het duidelijk dat het Frans voet aan de grond kreeg in Vlaanderen:[17][61] tussen 1846 en 1910 was het percentage Franstaligen gestegen van 1,9 en 5 procent in respectievelijk Antwerpen en Gent tot ongeveer 8 procent, en spectaculair in Brussel.[17] Tussen 1880 en 1890 steeg het aantal tweetaligen daar van 30 naar 50 procent — grotendeels als gevolg van de "transmutatieklassen"[16] — en daalde dat van de mensen die enkel Nederlands spraken van 36 procent in 1880 tot 16 procent in 1910,[16] terwijl het aantal tweetaligen constant bleef op 50 procent.[36]

In 1920 werden drie randgemeenten bij de gemeente Brussel ingelijfd om de binnenhaven uit te breiden. In Laken waren er nog maar 18% eentalige Franstaligen, met 60% tweetaligen en 21% eentalige Nederlandstaligen. In Haren klokte het percentage eentalige Vlamingen in dat jaar nog af op 83%. In Neder-Over-Heembeek was het percentage van eentalige Franstaligen nog beperkt tot 2%, met reeds 30% tweetaligen. Na 1920 zijn de cijfers voor deze deelgemeenten inbegrepen in de cijfers van Brussel-stad. Deze aanhechtingen voedden de vrees voor een teloorgang van de Vlaams-katholieke identiteit van deze gemeentes; zo sprak katholiek parlementslid Émile van Dievoet zich in het parlement bijvoorbeeld uit tegen de annexatie.[12]

Ontwikkeling in de agglomeratie[bewerken]
De talentellingen toonden de gelijktijdige overgang van Nederlands naar tweetalig en van tweetalig naar Franstalig

Naast Brussel-stad verfransten de gemeenten Elsene, Sint-Gillis, Etterbeek, Vorst, Watermaal-Bosvoorde en Sint-Joost-ten-Node het snelst. In Elsene, reeds in 1846 voor 45% Franstalig, slonk het aandeel eentalig Nederlandstaligen van 53,6% tot 3%, en bedroeg het aandeel eentalige Franstaligen in 1947 reeds 60%. Waar Sint-Gillis in 1846 nog voor 83% Nederlandstalig was, was dit honderd jaar later geëvolueerd tot voor de helft eentalig Frans met 39% tweetaligen. Etterbeek ging eveneens van een 97% eentalig Nederlands dorp over naar een stadsdeel waar bijna de helft enkel het Frans machtig was. Hetzelfde gold voor Vorst en Watermaal-Bosvoorde, waar de ongeveer volledig Nederlandstalige bevolking evolueerde naar ongeveer evenveel Franstaligen als tweetaligen, waardoor de eentalige Vlamingen een kleine minderheid werden, respectievelijk 5,7 en 6,9%. Terwijl er in Sint-Joost-ten-Node in 1846 nog evenveel eentalige Vlamingen als Franstaligen waren, waren er in 1947 nog maar 6% eentalige Vlamingen tegenover 40% eentalige Franstaligen.

In 1921 werd de agglomeratie nog verder uitgebreid: de gemeenten Laken, Neder-Over-Heembeek en Haren werden bij Brussel-stad ingelijfd,[12] en Sint-Pieters-Woluwe en Sint-Stevens-Woluwe werden bij wet een deel van de agglomeratie,[12] wat het totaal op 17 bracht.[34][75] Daarvoor stonden op deze lijst al 15 gemeenten: Anderlecht, Brussel-stad, Elsene, Etterbeek, Jette, Koekelberg, Oudergem, Schaarbeek, Sint-Gillis, Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Joost-ten-Node, Sint-Lambrechts-Woluwe, Ukkel, Vorst en Watermaal-Bosvoorde. In 1932 werd Sint-Stevens-Woluwe weer uit de lijst van Brusselse gemeenten geschrapt, omdat het percentage Franstaligen onder de 30% lag,[12] waardoor het totaal terugviel tot 16.[17][34]

Meest gesproken taal
(huidige 19 gemeenten)
Jaar Nederlands Frans
1910 49,1% 49,3%
1920 39,2% 60,5%
1930 34,7% 64,7%
1947 25,5% 74,2%

Na de talentelling van 1947 werden, door Vlaamse druk uitgesteld tot 1954, Evere, Ganshoren en Sint-Agatha-Berchem aan de lijst toegevoegd.[42] Dit was de laatste uitbreiding van de officieel tweetalige Brusselse agglomeratie en bracht het aantal Brusselse gemeenten op een totaal van 19.[2][34][63] Tussen 1920 en 1947 was het aantal gemeenten waar meer dan de helft van de bevolking aangaf meestal Frans te spreken gestegen van 6 naar 19.[18] In de randgemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek en Wemmel was er een Franstalige minderheid ontstaan, groter dan 30%, waardoor daar taalfaciliteiten (uitwendige tweetaligheid van de dienstverlening) ingevoerd werden, hoewel die gemeenten officieel tot het Nederlandse taalgebied bleven behoren.[42][63]

Uit rechtsstaande tabel blijkt duidelijk dat volgens de resultaten van de talentellingen in de gemeenten van het huidig Brussels Hoofdstedelijk Gewest de meest (of uitsluitend) gesproken taal Frans werd. Opgemerkt moet wel worden dat in 1947 het percentage "tweetaligen" ongeveer 45 procent bedroeg,[18] dat van de eentalig Nederlandstaligen 9,4 en dat van de Franstaligen 38 procent. De tweetaligen waren meestal Vlamingen die ook het Frans beheersten en zo als "tweetaligen" en niet als "Nederlandstaligen" in de statistieken werden opgenomen.[6]

Vastlegging taalgrens[bewerken]

De bestuurstalen worden vastgelegd: Brussel wordt ingesloten door de Vlaamse gordel.[18]

Taalgebieden in België: Brussel werd een officieel tweetalige enclave binnen het Nederlandse taalgebied

██ Nederlands

██ Frans

██ Duits

Na een Vlaamse boycot van de talentelling die had moeten plaatsvinden in 1960 en na twee grote Vlaamse marsen op Brussel,[2] werd de taalgrens bij wet definitief vastgelegd in 1962 en werden de talentellingen afgeschaft.[6][19] Deze doorbraak kon onder meer plaatsvinden door de tweespalt tussen de Brusselse en Waalse vleugel van de Waalse Beweging.[42] De Waalse vleugel was vanaf 1930 zelf vragende partij voor de vastlegging van de taalgrens.[15] Wegens de omstredenheid van resultaten van de talentellingen werd het Centrum Harmel ingeschakeld als adviesorgaan voor de toewijzing van gemeenten aan het ene of andere taalgebied. De Franstaligen zagen de beperking van Brussel tot de 19 gemeenten als een ontkenning van de sociologische realiteit, aangezien de vastlegging van de taalgrens gebaseerd was op de resultaten van de talentelling van 1947 en niet van 1960. Van Franstalige zijde werd in het Centrum-Harmel ook geijverd voor uitbreiding van de agglomeratie met de gemeentes Dilbeek, Wemmel, Strombeek-Bever, Vilvoorde, Diegem, Sint-Stevens-Woluwe, Wezembeek-Oppem, Tervuren, Waterloo, Linkebeek en Halle.[12]

Over het algemeen is de taalgrens maar weinig verschoven sinds de Franse tijd, op enkele uitzonderingen als delen van de arrondissementen Verviers, Aarlen en vooral Brussel na,[15] waarbij steeds eerst de binnenstad en daarna de rand van de stad verfranste,[15] zonder dat hier echte volksverhuizingen hebben plaatsgevonden.[15] Bij de uiteindelijke vastlegging van de taalgrens gingen enkele gemeenten over van het ene taalgebied naar het andere. Zo gingen de gemeenten die nu Voeren vormen naar Vlaanderen, en Komen-Waasten en Moeskroen gingen naar Wallonië. In het Brusselse werden in Wezembeek-Oppem en Sint-Genesius-Rode nog taalfaciliteiten ingevoerd voor de Franstaligen, die bij de laatste telling in 1947 (die over het algemeen voor het Nederlands ongunstig was uitgedraaid)[6][24] net onder de 30% uitkwamen.[76] Brussel werd definitief beperkt tot de 19 gemeenten en werd een tweetalig eiland binnen het eentalige Vlaanderen.[30][20] Een politiek splijtpunt is dat de Franstaligen de faciliteiten steeds als een verworven recht hebben beschouwd, terwijl de Vlamingen dit zagen als een uitdovende overgangsfase om de minderheden de kans te geven zich te integreren.[21][76]

De opdeling in officiële taalgebieden had ook ernstige gevolgen voor het onderwijs: in Nederlandstalig België — Brussel uitgezonderd — werd het Nederlands de enige onderwijstaal[50] en werd de "vrijheid van het gezinshoofd" in Brussel afgeschaft.[19] Hierdoor hadden in theorie Nederlandstalige kinderen onderwijs moeten volgen in het Nederlands en Franstalige kinderen in het Frans.[67] Volgens de Vlamingen zou dit een dam opwerpen tegen verdere verfransing. Er was echter geen controle op de door de vader officieel vermelde moedertaal van de kinderen zodat er in de praktijk weinig veranderde. Bovendien was deze afschaffing niet naar de zin van de meer radicale Franstaligen, vooral dan het jonge FDF, die voor de herinvoering ervan ijverden. Deze zou er ook komen in 1971, en als tegenprestatie voor deze herinvoering verkregen de Vlaamse partijen meer mogelijkheden voor de uitbouw van het aanbod van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel.[67][77]

Franstalige ontevredenheid[bewerken]

De verplichte tweetaligheid van Brussel en de eentaligheid van de Rand stoten op Franstalig ongenoegen.[63][75]

In 1964 werd als reactie op de vastlegging van de taalgrens en de consequenties daarvan het Front démocratique des francophones (FDF) opgericht. De Franstalig-Brusselse partij was tegen de beperking van Brussel tot de 19 gemeenten. Ze eiste de herinvoering van de vrije taalkeuze in het onderwijs, de vrije groei van de agglomeratie over de taalgrenzen heen, economische bevoegdheden voor de agglomeratie (het latere Brussels Gewest), en na initieel zich verzet te hebben tegen de tweetaligheid van Brussel,[63] ging ze uiteindelijk toch akkoord met een tweetalig bestuur, maar zonder verplichte individuele tweetaligheid van de ambtenaren. Ze had ook bezwaar tegen een vaste vertegenwoordiging van de taalgroepen in die instanties en beschouwde die als ondemocratisch. Bij haar eerste opkomst met de verkiezingen van 1964 voerde de partij campagne onder de omstreden slogan "Brüssel Vlaams, jamais",[42] geschreven in gotische letters, doelend op de Flamenpolitik die de Duitsers aanwendden tijdens de Eerste en later ook de Tweede Wereldoorlog, en de daarmee gepaard gaande collaboratie van delen van de Vlaamse Beweging.[17] Omdat de Duitse bezetter bij de bestuurlijke opdeling van België in 1917 Brussel als Vlaamse stad beschouwde (uitgezonderd Elsene),[75] en het gebruik van het Nederlands in het Brusselse onderwijs steunde tijdens beide oorlogen,[74][75] werd de afkeer van het Nederlands ook als legitiem verzet tegen de bezetter beschouwd.[74][75] Bovendien leken de voorstellen tot paritaire vertegenwoordiging in het beheer van de 19 gemeenten — die samen een federaal district zouden vormen eerder dan een apart Gewest, een rijksgebied dus — voor Franstalige groeperingen in de hoofdstad teveel op het Duitse idee van Reichsgebiet.[75] Ook dit paste in de discreditering van de Vlaamse taaleisen door associatie met de bezetting.[75]

In 1971 haalde het FDF, gesteund door Paul-Henri Spaak, met de lijst "Rassemblement Bruxellois", in een verhit communautair klimaat (Leuven Vlaams, de eerste staatshervorming), een grote verkiezingsoverwinning. Het FDF was een van de voorvechters van de uitbouw van de Brusselse agglomeratie tot een "région à part entière", met volwaardige gewestbevoegdheden. De Vlaamse partijen waren eerder gewonnen voor een systeem waarbij Brussel door de beide gemeenschappen samen of door de federale staat beheerd zou worden. De discussie zou aanslepen tot de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 1989, met taalgaranties voor de Nederlandstaligen.

Bij de Belgische gemeentefusies van 1976 gingen min of meer verfranste dorpen op in grotere gemeenten met een Vlaamse meerderheid,[76] waardoor het aantal Franstalige verkozenen slonk. Zo gingen Zellik naar Asse, Sint-Stevens-Woluwe en Sterrebeek naar Zaventem, Strombeek-Bever naar Grimbergen, en ontstonden daarnaast ook grotere gemeenten, met een sterker Vlaams overwicht, als Sint-Pieters-Leeuw, Dilbeek, Beersel en Tervuren. Het FDF beschouwt dit als een reden, en niet als een gevolg, van de gemeentefusies.[77]

Herwaardering van het Nederlands[bewerken]

Het Nederlands wint aan kracht en houdt een verdere verfransing van de Vlamingen tegen.[17][18]

Gelijktijdig met opgedreven communautaire spanningen, werd de sociolinguïstische achterstelling van het Nederlands geleidelijk aan weggewerkt door onder andere de erkenning van het Nederlands als enige taal van Vlaanderen, de uitbouw van een goed functionerend Vlaams onderwijsnet,[17] de Vlaamse economische ontwikkeling[47][17] en de popularisering van het Standaardnederlands,[17][40] dat een vergelijkbaar aanzien zou krijgen als het Frans.[18] Deze evolutie zou, ondersteund door een grote Vlaamse aanwezigheid van pendelaars, het gebruik van het Nederlands in Brussel ondersteunen.[47] Desalniettemin verloor tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw de tweetaligheid steeds meer veld aan eentalige Franstaligheid.[47]

Vernederlandsing van het onderwijs[bewerken]

De Vrije Universiteit Brussel (VUB), de op drie na grootste Vlaamse universiteit

In 1971 behaalde het FDF in Brussel de vrije taalkeuze aangaande het onderwijs, ervan uitgaande dat de verfransing zich zo zou kunnen voortzetten. Inderdaad slonk het aantal kinderen in het Vlaams-Brusselse onderwijs van 6.089 kleuters en 15.611 leerlingen in het schooljaar 1966-67 tot 5.401 respectievelijk 11.839 negen jaar later.[67] Het in 1967 opgerichte Vlaams Onderwijscentrum (VOC) begon van bij zijn oprichting promotiecampagnes voor het Nederlandstalig onderwijs, aanvankelijk gericht op Vlaamse gezinnen. In 1976 werd deze taak overgenomen door de Nederlandse Cultuurcommissie (NCC, voorloper van de VGC), die ook zwaar investeerde in de verbetering van de kwaliteit van de Vlaamse scholen. Vanaf het schooljaar 1978-79 begon deze strategie haar vruchten af te werpen en steeg het aantal inschrijvingen van kleuters opnieuw, enkele jaren later gevolgd door een stijging in de lagere scholen.[67] Zo goed als alle Nederlandstaligen geboren na halverwege de jaren 70 hebben uitsluitend Vlaamse scholen bezocht.[31] De verfransing van de Vlamingen was tegen die tijd zeldzamer geworden. De buitenlandse immigranten, die in de tweede helft van de 20ste eeuw massaal arriveerden, zouden evenwel de expansie van het Frans ondersteunen.[18]

In de jaren 80 concentreerde de NCC zich vervolgens op klassiek tweetalige gezinnen. Een eerder onvoorzien neveneffect was dat ook eentalig Franse gezinnen — naarmate tweetaligheid de intellectuele norm werd — hun kinderen naar het Vlaamse onderwijs begonnen te sturen. Het Vlaamse onderwijs in Brussel oefent tegenwoordig een grote aantrekkingskracht uit op anderstalige leerlingen: in 2005 volgde 20% van de leerlingen in Brussel Nederlandstalig secundair onderwijs, terwijl dit voor het kleuteronderwijs 23% was.[78] Zo zijn de moedertaalsprekers van het Nederlands in de Vlaamse scholen herleid tot een minderheid, wat specifieke ondersteuningsmaatregelen vereist om de kwaliteit van het onderwijs te verzekeren.[67]

Economische ontwikkeling van Vlaanderen[bewerken]

Het allochtone Frans en de wegzinking van Wallonië in een economisch dal deden het prestige van het Frans ten opzichte van het Nederlands in België geen goed. Ondertussen boomde de Vlaamse economie, ontwikkelde de Nederlandstalige middenklasse zich en groeide daarmee het aanzien van het Nederlands. Nu nog steeds hebben de in Brussel geboren Brusselaars uit een eentalig Nederlands gezin een lager onderwijsprofiel dan het Brusselse gemiddelde. Daarentegen hebben ongeveer 30 percent van de Vlaamse nieuwkomers een diploma hoger of universitair onderwijs, en zeker de recente verhuizers zijn hooggeschoold. Sinds 1970 zijn er bijvoorbeeld meer Nederlands- dan Franstalige universiteitsstudenten. Het Nederlands wordt tegenwoordig niet meer geassocieerd met laagopgeleide arbeiders. Het gebrek aan aanzien van het Nederlands was vroeger een van de voornaamste beweegredenen voor Nederlandstaligen om ook in de privésfeer over te schakelen op Frans. De Waalse immigranten van de laatste twintig jaar hebben eveneens een hoger onderwijsniveau dan vroeger en kennen veel vaker Nederlands dan voorheen.[31] Tweetaligheid werd een vereiste voor goede banen. Het prestige dat het Nederlands tegenwoordig in Brussel geniet, is vooral van economische aard.

Er wordt vanuit verschillende hoeken gesteld dat, wil de Vlaamse Gemeenschap haar taal een prominentere plaats geven in Brussel, zij vooral moet investeren in de aantrekkelijkheid van Nederlandstalig onderwijs.[65][78] Een ander aspect van het economische belang van het Nederlands in Brussel is dat de taal wordt losgekoppeld van haar relatief gewicht in de Brusselse bevolking en vooral wordt bepaald door de relaties tussen Brusselse en Vlaamse (en andere Nederlandstalige) bedrijven, wat het belang van het Nederlands versterkt.[65]

Buitenlandse immigratie[bewerken]

De internationalisering geeft het Frans wind in de zeilen.[30][18][26]

In het jaar 1958 werd Brussel de zetel van de Europese Economische Gemeenschap (nu EU), terwijl ook de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) zich in 1967 in Evere kwam vestigen. Dit, gekoppeld aan een economische immigratie uit Zuid-Europa, en iets later ook uit hoofdzakelijk Turkije, Marokko (een voormalig Frans protectoraat) en Congo (een voormalige Belgische kolonie), wijzigde de samenstelling van de Brusselse stadsbevolking. Tussen 1961 en 2006 steeg het aandeel inwoners van niet-Belgische afkomst van 6,8 procent tot 56,5 procent.[78] De nieuwkomers namen in groten getale het Frans aan, temeer omdat velen uit Franstalig Afrika kwamen.

In het algemeen kan gesteld worden dat buitenlandse inwijking het Nederlands verder heeft doen achteruitgaan ten opzichte van het Frans, en in die zin een verdere verfransing van de stad — maar, in tegenstelling tot de eerste helft van de 20ste eeuw, niet zozeer van haar Vlaamse inwoners — met zich meebracht.

Vooral bij de Marokkanen krijgt het Frans als omgangstaal binnen de eigen gemeenschap een steeds belangrijker plaats naast het Arabisch of Berbers, dat gestaag aan belang inboet. De Turken houden veel meer vast aan hun eigen taal, maar ook in hun gemeenschap groeit het belang van het Frans. Het Nederlands krijgt in beide migrantengroepen amper voet aan de grond. Kinderen uit zowel de Turkse als de Marokkaanse gemeenschap volgen of volgden bijna allemaal Franstalig onderwijs, wat niet vreemd is aan het feit dat het Frans steeds vaker in het gezin of de vriendenkring wordt gesproken.[65] Deze evolutie is ook merkbaar bij de migranten van Portugese, Spaanse, Italiaanse of Griekse afkomst, waar het Frans aanzienlijk gemakkelijker opgang maakt als omgangstaal. Bij deze Zuid-Europese migranten was het Frans evenwel al prominenter aanwezig als gezinstaal voor hun komst naar Brussel, versterkt door het feit dat velen van hen een aan het Frans verwante Romaanse taal als moedertaal spreken.[18][65] De Noord-Europeanen, grotendeels pas aangekomen na de jaren 80, houden veel meer vast aan hun eigen taal als gezinstaal. Velen onder hen spreken thuis andere grote en sterke talen als Duits of Engels, die weerwerk kunnen bieden tegen het Frans. Als ze huwen met een Franstalige, wordt de gezinstaal wel vaak Frans. Voor deze gemeenschap is een blijvende weerslag van hun aanwezigheid op de balans Frans-Nederlands dus niet gemakkelijk te bepalen.[65]

Het multiculturele en multi-etnische karakter van Brussel heeft het taalperspectief dus verruimd over de Nederlands-Franse tegenstelling heen. Het Nederlands is onder de allochtonen echter duidelijk veel minder vertegenwoordigd dan het Frans: van de 74 Vlaamse verkozenen waren er bijvoorbeeld slechts twee allochtonen, wat relatief gezien negen keer minder is dan bij de Franstaligen.[78] Van de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met buitenlandse nationaliteit zei in het jaar 2000 2,9% thuis uitsluitend Nederlands te spreken, tegenover 9,2% uitsluitend Frans. Daarnaast sprak nog eens 15,9% naast een buitenlandse taal ook nog Frans in gezinsverband.[31]

Ontstaan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest[bewerken]

Stemmen uitgebracht op Nederlandstalige partijen bij de federale verkiezingen van 2007

De 19 gemeenten vormen samen het enige officieel tweetalige deel van België.[30][79]

De oprichting van een eigen Brussels Gewest liet lang op zich wachten door de verschillende visies over de federalisering van België. De Vlaamse partijen vroegen aanvankelijk vooral culturele bevoegdheden, terwijl de Franstaligen economische autonomie wilden.[63] De Vlamingen vreesden ook geminoriseerd te worden door twee Franstalige gewesten en zagen de oprichting van het Brussels Gewest als de definitieve ontkoppeling van Brussel met Vlaanderen, en daardoor als toegeving aan de verfransing.

In 1989 werd het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dan toch officieel opgericht, als opvolger van de Brusselse Agglomeratieraad. Het kreeg een eigen regionaal parlement, met een gegarandeerde minimumvertegenwoordiging van de Vlamingen (17 van de 89 zetels, ongeveer een vijfde), en een paritaire regionale regering (met uitzondering van de minister-president en de staatssecretarissen). Brussel heeft evenwel geen eigen gemeenschap, waardoor zowel de Vlaamse als de Franse Gemeenschap in Brussel bevoegd zijn. Aan Nederlandstalige kant ontstond de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC, opvolger van de Nederlandse Cultuurcommissie) en aan Franstalige kant de Franse Gemeenschapscommissie (COCOF). De middelen van het Brussels Gewest gaan in een 80-20 verhouding naar respectievelijk de COCOF en de VGC.

Huidige toestand van het Nederlands[bewerken]

Huistalen in Brussel-Hoofdstad (2006 — schattingen)[5]

██ Frans

██ Nederlands en Frans

██ Nederlands

██ Frans en andere taal

██ andere talen

Uit de laatste talentelling, in 1947, bleek dat de Nederlandstalige gezinnen over het algemeen geconcentreerd woonden in het noordwesten van het Gewest. In de gemeenten Evere, Sint-Agatha-Berchem, Ganshoren, Sint-Jans-Molenbeek, Jette, Anderlecht en Koekelberg maakten zij meer dan een derde van de bevolking uit. In tegenstelling tot de meer residentiële gemeenten in het zuidoosten verliep de verfransing daar ook trager.[27] Op basis van steekproeven blijkt dat in Evere en Molenbeek de Vlaamse aanwezigheid sindsdien is geslonken, maar dat in de andere noordwestelijke gemeenten het aandeel Nederlandstaligen relatief hoog is gebleven vergeleken met de andere Brusselse gemeenten.[1] Daar is het Nederlands tevens het meest gekend door niet-Nederlandstaligen, meestal hoger dan 20 procent. Uitschieters zijn Ganshoren, dat met 25 procent koploper is voor de kennis van het Nederlands bij anderstaligen, en Sint-Gillis, waar het Nederlands als gezinstaal nu zo goed als verdwenen is.[31]

Hoe jonger de beschouwde generatie, hoe groter het aandeel niet-Vlaamse Nederlandstaligen. De groep die van huis uit enkel Nederlands kent, en in mindere mate ook de klassiek tweetaligen, heeft een ouder profiel dan het Brusselse gemiddelde. Tussen 2000 en 2006 nam het percentage eentalig Nederlandse gezinnen af van 9,5 naar 7,0 procent, en het percentage klassiek tweetaligen van 9,9 naar 8,6 procent.[5] Terwijl de groep moedertaalsprekers van het Nederlands dus verder slinkt, groeit het aantal inwoners van allochtone afkomst met een goede tot uitstekende kennis van het Nederlands.[31] De helft van de mensen die minstens goed Nederlands spreken, heeft deze taal buiten het gezin geleerd en hun aandeel zal naar verwachting verder groeien.[5]

Van alle handelsvennootschappen met zetel in Brussel gebruikt 35 procent het Nederlands als interne voertaal en als communicatietaal met de overheden. Een derde van alle jobaanbiedingen vraagt om tweetaligheid, een vijfde vraagt daarnaast ook nog kennis van het Engels. Meertalige banen worden meestal ingevuld door Vlamingen. Van alle reclamecampagnes in Brussel is zo'n 41,4 procent tweetalig Frans-Nederlands, een derde eentalig Frans, een tiende tweetalig Frans-Engels en 7,2 procent drietalig.[65] Het aantal Nederlandstaligen groeit overdag sterk aan door de 229.500 pendelaars uit het Vlaams Gewest, een stuk meer dan de 126.500 Waalse pendelaars.[80]

Inmiddels (2012) is 35% van het aantal hogeronderwijsscholen in Brussel Nederlandstalig. Het percentage deelnemers aan kleuter- en lager onderwijs dat in het Nederlands les krijgt nadert inmiddels de 25% (2013). Het percentage deelnemers aan middelbaar en hoger onderwijs dat in het Nederlands les krijgt, is eveneens aan een opmars bezig en bereikte in 2013 17%. Onder buitenlandse Brusselaren is eveneens een duidelijke stijging te zien in zowel aantal als percentage kinderen en volwassenen die voor Nederlandstalig onderwijs kiezen.[81]

Belang voor de nationale politiek[bewerken]

Brussel en de Rand blijven een communautair heet hangijzer.

Arrondissement Halle-Vilvoorde in Vlaams-Brabant

In Wemmel, Kraainem, Wezembeek-Oppem, Sint-Genesius-Rode, Linkebeek en Drogenbos, de zes faciliteitengemeenten in de Rand, die tot het Vlaams Gewest behoren, evolueerde het aandeel Franstaligen in de tweede helft van de 20ste eeuw ook tot een meerderheid. In het arrondissement Halle-Vilvoorde, dat naast de zes faciliteitengemeenten ook nog 29 andere Vlaamse gemeenten omvat, sprak volgens Kind en Gezin in 2006 ongeveer 25 percent van de gezinnen Frans tussen moeder en kind.[82] De Vlaamse Overheid beschouwt dit als een onrustwekkende ontwikkeling en voert een beleid gericht op de ondersteuning van het Nederlandstalig karakter van de Rand rond Brussel.[76][83] Dit vertaalt zich onder meer in een strikte interpretatie van de faciliteiten, zoals blijkt uit de roemruchte omzendbrief-Peeters, die bepaalt dat Franstalige inwoners telkens opnieuw om Franstalige documenten moeten verzoeken.[84]

De Franstaligen die in Vlaanderen wonen, willen dat Vlaanderen het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden ratificeert zodat ze aanspraak kunnen maken op de rechten die daaruit voortvloeien: het gebruik van hun eigen taal met de overheid, de tweetaligheid van straatnamen en andere voor het publiek bestemde topografische aanduidingen, Franstalig onderwijs, en dergelijke. Maar omdat dat verdrag niet verduidelijkt wat een "nationale minderheid" is, en Vlamingen en Franstaligen het hierover oneens zijn, is Vlaanderen zeer weigerachtig om dit goed te keuren, zelfs na een herhaald verzoek van rapporteurs van de Raad van Europa. Het Vlaams Gewest beschouwt de Franstaligen op zijn grondgebied, met name in de Rand rond Brussel, niet als een minderheid die aanspraak kan maken op dergelijke rechten.

De vrees voor een verdere achteruitgang van het Nederlands in Brussel, en daarnaast een verdere verbreiding van de verfransing over Vlaamse gemeenten, is nog steeds duidelijk aanwezig in Vlaamse kringen. De onenigheid omtrent de splitsing van het tweetalige electoraal en juridisch arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde (BHV) vormde in dit verband een grote politieke splijtzwam.

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. a b c d e (en) Backhaus, Peter, Linguistic Landscapes: A Comparative Study of Urban Multilingualism in Tokyo, Multilingual Matters Ltd, 2007, p. 158 ISBN 9781853599460. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  2. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y (fr) Jaumain, Serge; Paul André Linteau, Vivre en Ville: Bruxelles et Montréal aux XIXe et XXe siècles, Études Canadiennes Series n°9, Peter Lang, 2006, p. 375 ISBN 9789052013343. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  3. a b c (fr) Roegiest, Eugeen, Vers les sources des langues romanes. Un itinéraire linguistique à travers la Romania, ACCO, 2009, p. 272 ISBN 9789033473807. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  4. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z aa ab ac ad ae af ag ah ai aj ak al am an ao ap aq ar as at au av aw ax ay az ba (nl) Janssens, Guy; Ann Marynissen, Het Nederlands vroeger en nu, ACCO, 2005 ISBN 9033457822. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  5. a b c d (nl) Janssens, Rudi, Taalgebruik in Brussel en de plaats van het Nederlands — Enkele recente bevindingen (pdf), Brussels Studies, n°13, 2008 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  6. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z aa ab ac ad ae af ag ah ai aj ak al am an ao ap aq (de) Kramer, Johannes, Zweisprachigkeit in den Benelux-ländern, Buske Verlag, 1984 ISBN 3871185973. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  7. a b (en) Baetens Beardsmore, Hugo, Bilingualism: Basic Principles (2nd Ed.), Multiligual Matters Series, Multilingual Matters Ltd, 1986, p. 205 ISBN 9780905028637. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  8. a b c (fr) Ernst, Gerhard, Histoire des langues romanes, Manuel international sur l'histoire et l'étude linguistique des langues romanes, Walter de Gruyter, 2006, p. 1166 ISBN 9783110171501. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  9. a b c d e f g h i j k (nl) Vermeersch, Arthur J., De taalsituatie tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1814-1830) (pdf), Taal en Sociale Integratie, IV, Vrije Universiteit Brussel (VUB), 1981, p. 389-404 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  10. (fr) Poirier, Johanne, Choix, statut et mission d'une capitale fédérale: Bruxelles au regard du droit comparé, Het statuut van Brussel / Bruxelles et son statut [61-97], De Boeck & Larcier, Brussel, 1999, p. 817 ISBN 2-8044-0525-7.
  11. a b c d (fr) Rousseaux, Xavier; René Lévy, Le pénal dans tous ses états: justice, États et sociétés en Europe, Volume 74, Publications des Fac. St Louis, 1997, p. 462 ISBN 9782802801153. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  12. a b c d e f g h i (nl) De Groof, Roel, De kwestie Groot-Brussel en de politieke metropolisering van de hoofdstad (1830-1940). Een analyse van de besluitvorming en de politiek-institutionele aspecten van de voorstellen tot hereniging, annexatie, fusie, federatie en districtvorming van Brussel en zijn voorsteden., De Brusselse negentien gemeenten en het Brussels model / Les dix-neuf communes bruxelloises et le modèle bruxellois [3-56], De Boeck & Larcier, Brussel, Gent, 2003, p. 754 ISBN 2-8044-1216-4.
  13. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z aa ab ac ad ae af ag ah ai aj ak al am an ao ap aq ar as at au av aw ax ay az ba bb bc bd be (fr) Gubin, Eliane, La situation des langues à Bruxelles au 19ième siècle à la lumière d'un examen critique des statistiques (pdf), Taal en Sociale Integratie, I, Université Libre de Bruxelles (ULB), 1978, p. 33-80 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  14. (fr) Witte, Els, Analyse du statut de Bruxelles (1989-1999), Het statuut van Brussel / Bruxelles et son statut [19-33], De Boeck & Larcier, Brussel, 1999, p. 817 ISBN 2-8044-0525-7.
  15. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w (fr) Capron, Catherine; Marc Debuisson, Thierry Eggerickx, Michel Poulin; Jacques Verón (red.), La dualité démographique de la Belgique : mythe ou réalité?, Régimes démographiques et territoires: les frontières en question [255-278], INED, 2000 ISBN 2950935680. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  16. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x (nl) van Velthoven, Harry, Taal- en onderwijspolitiek te Brussel (1878-1914) (pdf), Taal en Sociale Integratie, IV, Vrije Universiteit Brussel (VUB), 1981, p. 261-387 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  17. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z aa ab ac ad ae af ag ah ai aj ak al am an ao ap aq ar as at au (nl) Witte, Els; Harry van Velthoven, Taal en politiek: De Belgische casus in een historisch perspectief (pdf), Balansreeks, VUBPress (Vrije Universiteit Brussel), Brussel, 1998, p. 180 ISBN 9789054871774. Ook beschikbaar in het Frans.
  18. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z aa ab ac ad ae af ag ah ai aj ak al am an ao ap aq ar as at au av aw ax ay az ba bb bc bd be bf bg bh bi bj bk bl bm bn bo (fr) Blampain, Daniel, Le français en Belgique: Une communauté, une langue, De Boeck Université, 1997 ISBN 2801111260. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  19. a b c d e f g h i j k l m n o p (fr) Von Busekist, Astrid; Denis Lacorne, Tony Judt (red.), Nationalisme contre bilinguisme: le cas belge, La Politique de Babel: du monolinguisme d'État au plurilinguisme des peuples [191-226], Éditions KARTHALA, 2002, p. 348 ISBN 9782845862401. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  20. a b c d e f g h i j k l m n (fr) Bitsch, Marie-Thérèse, Histoire de la Belgique: De l'Antiquité à nos jours, Éditions Complexe, 2004, p. 299 ISBN 9782804800239. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  21. a b c d e f g h (fr) Tétart, Frank, Nationalismes régionaux: Un défi pour l'Europe, De Boeck Supérieur, 2009, p. 112 ISBN 9782804117818. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  22. a b c d e f g (fr) Kok Escalle, Marie-Christine; Francine Melka-Teichroew, Changements politiques et statut des langues: histoire et épistémologie 1780-1945, Faux Titre (volume 206), Rodopi, 2001, p. 374 ISBN 9789042013759. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  23. a b c d e f g h i j k l (fr) Bogaert-Damin, Anne Marie; Luc Maréchal, Bruxelles: développement de l'ensemble urbain 1846-1961, Presses universitaires de Namur, 1978, p. 337 ISBN 9782870370896. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  24. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z (fr) Hasquin, Hervé, Bruxelles, ville frontière. Le point de vue d'un historien francophone, Europe et ses ville-frontières [205-230], Éditions Complexe, Bruxelles, 1996, p. 329 ISBN 9782870276631. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  25. a b c d e f g h i (nl) Vrints, Antoon, Het theater van de Straat: Publiek geweld in Antwerpen tijdens de eerste helft van de twintigste Eeuw, Studies Stadsgeschiedenis Series, Amsterdam University Press, Amsterdam, 2011, p. 223 ISBN 9089643400. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  26. a b c d e f g h i j k l (en) Treffers-Daller, Jeanine, Mixing Two Languages: French-Dutch Contact in a Comparative Perspective, Walter de Gruyter, 1994, p. 300 ISBN 3110138379. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  27. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t (nl) de Metsenaere, Machteld, Thuis in gescheiden werelden — De migratoire en sociale aspecten van verfransing te Brussel in het midden van de 19e eeuw (pdf), BTNG-RBHC, XXI, 1990, n° 3-4 [383-412], Vrije Universiteit Brussel (VUB), 1990 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  28. (nl) Mares, Ann; Els Witte (red.), Begin van het einde van de nationale partijen. Onderzoek naar de Vlaamse Beweging(en) en de Vlaamse politieke partijen in Brussel: de Rode Leeuwen (pdf), 19 keer Brussel; Brusselse Thema's (7) [157-185], VUBPress (Vrije Universiteit Brussel), 2001 ISBN 9054872926. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  29. a b (nl) Depré, Leen; Els Witte, Ann Mares (red.), Tien jaar persberichtgeving over de faciliteitenproblematiek in de Brusselse Rand. Een inhoudsanalystisch onderzoek (pdf), 19 keer Brussel; Brusselse Thema's (7) [281-336], VUBPress (Vrije Universiteit Brussel), 2001, p. 281 ISBN 9054872926. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  30. a b c d (nl) Detant, Anja, Kunnen taalvrijheid en officiële tweetaligheid verzoend worden? De toepassing van de taalwetgeving in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest en de 19 gemeenten, Het statuut van Brussel / Bruxelles et son statut [411-438], De Boeck & Larcier, Brussel, 1999, p. 817 ISBN 2-8044-0525-7.
  31. a b c d e f g (nl) Janssens, Rudi; Els Witte, Ann Mares (red.), Over Brusselse Vlamingen en het Nederlands in Brussel (pdf), 19 keer Brussel; Brusselse Thema's (7) [41-84], VUBPress (Vrije Universiteit Brussel), 2001, p. 60 ISBN 9054872926. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  32. (nl) Witte, Els; Alain Meynen [et alii], De Geschiedenis van België na 1945, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 2006, p. 576 ISBN 9789002219634.
  33. a b (fr) Klinkenberg, Jean-Marie, Des langues romanes: Introduction aux études de linguistique romane, Champs linguistiques, De Boeck Supérieur, 1999, p. 316 ISBN 9782801112274. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  34. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t (fr) Kesteloot, Chantal, Au nom de la Wallonie et de Bruxelles français: Les origines du FDF, Histoires contemporaines, Éditions Complexe, 2004, p. 375 ISBN 9782870279878. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  35. (fr) Frognier, André-Paul, Les interactions stratégiques dans la problématique communautaire et la question bruxelloise, Het statuut van Brussel / Bruxelles et son statut [705-720], De Boeck & Larcier, Brussel, 1999, p. 817 ISBN 2-8044-0525-7.
  36. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x (nl) de Vriendt, Sera, Brussels, Taal in stad en land, Lannoo Uitgeverij, 2005 ISBN 9020958577. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  37. a b (fr) Francard, Michel, L'influence de Bruxelles sur le français en Belgique. Le lexique d’origine flamande ou néerlandaise (pdf), Brussels Studies, n°45, 2010 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  38. (nl) , Bouwen door de eeuwen heen in Brussel, Inventaris van het cultuurbezit in België: Architectuur, Pierre Mardaga, 1989, p. 475 ISBN 9782802100942. Geraadpleegd op 20 augustus 2014.
  39. a b (nl) Van Synghel, Geertrui, "Actum in camera scriptorum oppidi de Buscoducis": de stedelijke secretarie van 's-Hertogenbosch tot ca. 1450, Uitgeverij Verloren, 2007, p. 512 ISBN 9789065509635. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  40. a b c d e (nl) De Ridder, Paul, Peilingen naar het taalgebruik in Brusselse stadscartularia en stadsrekeningen (XIIIde-XVde eeuw) (pdf), Taal en Sociale Integratie, II, Vrije Universiteit Brussel, 1979, p. 1-39 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  41. (es) Renouprez, Martine, Introducción a la literatura belga en lengua francesa: Una aproximación sociológica, Servicio Publicaciones UCA, 2006, p. 198 ISBN 9788498280463. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  42. a b c d e f g h (nl) Wils, Lode, Van Clovis tot Di Rupo: de lange weg van de naties in de Lage Landen, Reeks Historama (nummer 1), Garant, 2005, p. 297 ISBN 9789044117387. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  43. (nl) Nuyens, Willem Johannes Franciscus, Algemeene geschiedenis des Nederlandschen volks: van de vroegste tijden tot op onze dagen, C.L. van Langenhuysen, Amsterdam, 1871 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  44. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z aa ab ac ad ae af ag ah (nl) Kossmann, Ernst Heinrich, De Lage Landen, 1780-1980: twee eeuwen Nederland en België: Deel I, 8ste druk, Olympus, 1978, 2006 ISBN 978-90-467-0091-4. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  45. a b c (nl) Heerma van Voss, Lex, Noordzeecultuur (1500-1800), De Republiek Tussen Zee En Vasteland: Buitenlandse Invloeden Op Cultuur, Economie En Politiek in Nederland 1580-1800, Garant, 1995, p. 303 ISBN 9789053503447. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  46. a b c d e f g h i j (nl) Vosters, Rik; Dirk Heirbaut, Xavier Rousseaux, Alain Wijffels (red.), Taalgebruik taalvariatie en taalpolitiek in Vlaamse assisendossiers ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830), Histoire du droit et de la justice / Justitie- en rechtsgeschiedenis, Presses universitaires de Louvain (Université catholique de Louvain), 2009, p. 697 ISBN 9782874 632013. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  47. a b c d e f g h (de) Hammer, Kristin, Untersuchungen zu den lexikalischen Besonderheiten des Französischen in Belgien, GRIN Verlag, 2004, p. 98 ISBN 9783638315265. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  48. a b c d e f (nl) Rutten, Gijsbert Johan; Rik Vosters, Een nieuwe Nederduitse spraakkunst: taalnormen en schrijfpraktijken in de Zuidelijke Nederlanden in de achttiende eeuw (1ste druk), Nummer 2 van Onbekend taalverleden, VUBPress (Vrije Universiteit Brussel), 2012, p. 266 ISBN 9789054879312. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  49. a b c d e f g h i (fr) Droixhe, Daniel, Le français en Wallonie et à Bruxelles aux 17ième et 18ième siècles, Université Libre de Bruxelles, 2002-04-13 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  50. a b c d e f g h i j k l m (fr) Boone, Annie, Le traitement de l'article dans les grammaires françaises à l'usage des néerlandophones en Belgique (de 1763 à 1925), Papers in the History of Linguistics [417-534], John Benjamins Publishing, 1987, p. 680 ISBN 9789027245212.
  51. a b c d e f g h i j k l m (en) Vanhecke, Eline; Jetje De Groof, New data on language policy and language choice in 19th-century Flemish city administrations, Germanic Language Histories "From Below" (1700-2000) [449-472], Walter de Gruyter, 2007, p. 520 ISBN 9783110193350. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  52. a b c (nl) Verlooy, Jan Baptist Chrysostomus, Verhandeling op d'onacht der moederlyke tael in de Nederlanden, Universiteit Gent, 1788, p. 100 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  53. Modern taalgebruik: [...] de Nederduitse taal wordt hier [...] mishandeld bij ons, en vooral in Brussel: zij wordt in deze stad niet alleen verwaarloosd, maar ook veracht [...]. wij zullen het Frans hier de moedertaal maken: wij zullen het de taal doen worden van ons Nederland. [...] Tenzij wij dan door onze domme Fransverwaandheid bij de alfranswillende [hij die alles Frans wil] Fransman [...] willen blijven de naam verdienen van "lompe Vlamingen"; [...] [zullen] wij het Frans moeten verlaten.
  54. a b c d (fr) Hasquin, Hervé, Joseph II, catholique anticlérical et réformateur impatient, 1741-1790, Racines de l'histoire, Uitgeverij Lannoo, 1997, p. 328 ISBN 9782873865078. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  55. a b c d (nl) Behling, Ans; Machteld de Metsenaere, De taalsituatie in het lager onderwijs te Brussel tijdens de Franse periode (1795-1814) (pdf), Taal en Sociale Integratie, II, Vrije Universiteit Brussel, 1979, p. 235-260 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  56. a b c d e f (nl) de Metsenaere, Machteld, Migraties in de gemeente Sint-Joost-ten-Node in het midden van de negentiende eeuw: methodologische inleiding tot de studie van de groei en de verfransing van de Brusselse agglomeratie (pdf), Taal en Sociale Integratie, I, Vrije Universiteit Brussel (VUB), 1978, p. 81-152 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  57. a b (nl) Winkler, Johan, De stad Brussel, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon [264-272], Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, 1874 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  58. a b (nl) Aerts, Remieg; P.J.A.N. Rietbergen, Tom Verschaffel (red.), Een andere geschiedenis: een beschouwing over de scheiding van 1830, De erfenis van 1830, ACCO, 2006, p. 214 ISBN 9789033461224. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  59. a b (nl) Matthijs, Koenraad, De mateloze negentiende eeuw: bevolking, huwelijk, gezin en sociale verandering, Leuven University Press, 2001, p. 296 ISBN 9789058671059. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  60. a b (fr) Demoulin, Robert, La langue et la révolution de 1830, Unification politique, essor économique (1794-1914) — Histoire de la Wallonie [313-322], Wallonie en mouvement Geraadpleegd op 26 april 2013.
  61. a b c d e f g h i j k l m n o (nl) Louckx, Fred, Vlamingen tussen Vlaanderen en Wallonië. Taalaanvaardings- en taalontwijkingsprocessen in een meertalige situatie bekeken vanuit de sociologische literatuur over etnische en raciale verhoudingen (pdf), Taal en Sociale Integratie, V, Vrije Universiteit Brussel (VUB), 1982, p. 348 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  62. (fr) Erk, Jan, Le Québec entre la Flandre et la Wallonie : Une comparaison des nationalismes sous-étatiques belges et du nationalisme québécois, Recherches sociographiques, vol 43, n°3 [499-516], Université Laval, 2002 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  63. a b c d e f g h i j k (en) Swenden, Wilfried; Marleen Brans, The hyphenated state, multi-level governance and the communities in Belgium: the case of Brussels, State Territoriality and European Integration, Routledge, 2007, p. 120-144 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  64. (nl) Delbecke, Bram, De lange schaduw van de grondwetgever. Perswetgeving en persmisdrijven in België (1831-1914), Academia Press, 2012, p. 531 Geraadpleegd op 18 augustus 2014.
  65. a b c d e f g h (nl) Janssens, Rudi, Taalgebruik in Brussel — Taalverhoudingen, taalverschuivingen en taalidentiteit in een meertalige stad (pdf), 19 keer Brussel; Brusselse Thema's (8), VUBPress (Vrije Universiteit Brussel), 2001 ISBN 9054872934. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  66. Origineel: On ne sait pas le français, personne ne le sait, mais tout le monde affecte de ne pas connaître le flamand. C’est de bon goût. La preuve qu’ils le savent très bien, c’est qu’ils engueulent leurs domestiques en flamand.
  67. a b c d e f g (nl) , Over het Brussels Nederlandstalig onderwijs, Vlaamse Gemeenschapscommissie Geraadpleegd op 26 april 2013.
  68. (nl) UVV Info, Dossier "150 jaar Vlaamse studenten in Brussel" (pdf), Vrije Universiteit Brussel, 2005 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  69. a b c d e f g h i (nl) van Velthoven, Harry, De taalwetgeving en het probleem Brussel, 1830-1914 (pdf), Taal en Sociale Integratie, IV, Vrije Universiteit Brussel (VUB), 1981, p. 248-260 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  70. a b c d e (nl) Deneckere, Martine, Socialisme en Vlaamse Beweging te Brussel (1885-1914) (pdf), Taal en Sociale Integratie, I, Vrije Universiteit Brussel (VUB), 1978, p. 237-260 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  71. (fr) Vandromme, Pol, L'antisémitisme socialiste: Destrée, La lettre au roi, L'AGE D'HOMME, Lausanne, 2003, p. 113 ISBN 9782825117767. Geraadpleegd op 26 april 2013.
  72. Origineel: Une seconde espèce de Belges s'est formée dans le pays, et principalement à Bruxelles. [...] Cette population de la capitale [...] n'est point un peuple, c'est un agglomérat de métis.
  73. (fr) Tourret, Paul, La « tyrannie flamingante » vue par les francophones, Affiches publiées par la « Ligue contre la flamandisation de Bruxelles », Université Laval, 2001 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  74. a b c (nl) Wouters, Nico, Groot-Brussel tijdens WOII (1940-1944), De Brusselse negentien gemeenten en het Brussels model / Les dix-neuf communes bruxelloises et le modèle bruxellois [57-81], De Boeck & Larcier, Brussel, Gent, 2003, p. 754 ISBN 2-8044-1216-4.
  75. a b c d e f g (fr) Kesteloot, Chantal, Le Grand-Bruxelles et les après-guerres, De Brusselse negentien gemeenten en het Brussels model / Les dix-neuf communes bruxelloises et le modèle bruxellois [83-106], De Boeck & Larcier, Brussel, Gent, 2003, p. 754 ISBN 2-8044-1216-4.
  76. a b c d (fr) Contexte Historique, Carrefour, présence francophone en périphérie bruxelloise
  77. a b (fr) Debongnie, Paul, L'historique du FDF, Front démocratique des francophones (FDF), 1981-04-30 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  78. a b c d (nl) Hertogen, Jan, Laatste 45 jaar in Brussel: 50% bevolking van autochtoon naar allochtoon, Bericht uit het Gewisse, Non-Profit Data, 2007-04-04 Geraadpleegd op 26 april 2013.
  79. (nl) Belgische Grondwet, art. 4: België omvat vier taalgebieden : het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied.
  80. (nl) Pendelarbeid tussen de gewesten en provincies in België anno 2006, Vlaamse statistieken, strategisch management en surveyonderzoek. Bron: persbericht FOD Economie, Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, 19 juli 2007
  81. www.bruselo.info
  82. (nl) Sociaal-economisch profiel van de Vlaamse Rand en een blik op het Vlaamse karakter (PDF). Regering van de Vlaamse Gemeenschap (23-03-2007) Geraadpleegd op 26 april 2013
  83. (nl) Decreet houdende oprichting van de v.z.w. "de Rand" voor de ondersteuning van het Nederlandstalige karakter van de Vlaamse rand rond Brussel, Vlaams Parlement
  84. (nl) Omzendbrief BA 97/22 van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 16 december 1997 betreffende het taalgebruik in gemeentebesturen van het Nederlandse taalgebied (omzendbrief-Peeters)
Etalagester
Etalagester Dit artikel is op 24 maart 2008 in deze versie opgenomen in de etalage.