Versiering (muziek)
Een versiering in de muziek heeft tot doel een toon of groepje tonen van specifieke ornamenten te voorzien. Versieringen worden enerzijds middels versieringstekens genoteerd in de partituur, door middel van symbolen die in muzieknotatie bij noten geschreven worden om aan te geven hoe de noot gespeeld dient te worden:
- triller
- pralltriller of (lange) praller
- mordent
- dubbelslag
- voorslag
- naslag
- arpeggio
- Schleifer
Ook een aantal articulatietekens (die eigenlijk niet tot de versieringen gerekend worden) beïnvloeden de manier van spelen.
- staccato-teken
- staccatissimo-teken
- marcato-teken
- tenuto-teken
Anderzijds bestaan er ook verschillende soorten in noten uitgeschreven muziekversieringen in de muziek zelf. Voorbeelden zijn:
- Wisseltonen
- Doorgangstonen
- Toonsherhalingen
- Raketfiguren
- Glissando's
[bewerken] Historische context
Bach's zoon Carl Philipp Emanuel Bach schreef als een der eersten in zijn methode Versuch über die wahre Art das Klavier zu spielen (1753 - 1762) een uitgebreide versieringentabel (afkomstig van zijn grootvader Johann Ambrosius Bach) met uitleg over hoe in die tijd gangbare versieringen gespeeld konden worden. Ook François Couperin besteedde in zijn boek L'art de toucher le Clavecin (Parijs, 1717) aandacht aan versieringen.
Gedurende het classicisme en in de romantiek werden versieringen dikwijls anders bedoeld en uitgevoerd dan in de barokke periode. Vooral de voorslagen die in de barok doorgaans abstraherend werden uitgevoerd (dus 'op de tel') werden in latere tijden vaak tot korte voorslagen die anticiperend werden gespeeld (dus 'voor de tel'). Ook trillerfiguren werden nogal eens divers uitegvoerd: zo kon men zowel met de hoofdnoot als met de bovensecunde een triller beginnen. De uitvoeringspraktijk kent hieromtrent niet echt vast omlijnde regels, en het wordt meest aan de smaak en aan het stijlgevoel van de uitvoerder overgelaten hoe gespeeld dient te worden.
In barokke muziek was het verder gebruikelijk om niet alle versieringen te noteren. In de praktijk van de basso continuo werd vaak slechts de becijferde baslijn genoteerd en het invullen van de harmonie en melodie werd aan de clavecinist overgelaten, die dan ook al improviserende vele versieringen kon toepassen.
In de tijd van Bach werd het steeds gebruikelijker (Bach zelf was er een meester in) om de versieringen gedetailleerder uit te schrijven in de bladmuziek.