Verslavingszorg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De verslavingszorg is een tak van de gezondheidszorg die hulp biedt aan mensen met een verslaving.

Nederland[bewerken]

Geschiedenis[bewerken]

Aanvankelijk bestond de hulpverlening aan verslaafden vooral uit hulp bieden bij afkicken en het verstrekken van methadon aan heroïneverslaafden. Vanaf de jaren 1990 van de twintigste eeuw werd de hulp verder geprofessionaliseerd. Deze professionalisering was nodig omdat inzichten in de verslavingsproblematiek veranderden, het drugsprobleem steeds groter werd - mede door de opkomst van 'nieuwe' middelen als cocaïne en amfetamine (speed) en doordat verslaafden in veel gevallen multidrugsgebruikers zijn en steeds vaker naast een verslavingsprobleem ook psychische problemen hebben, al dan niet veroorzaakt door het gebruik van drugs, alcohol of medicatie.

De verslavingszorg instellingen van tegenwoordig (2003) bieden een breed pakket aan verschillende vormen van hulpverlening. Naast de nog steeds bestaande methadonverstrekking en afkickklinieken wordt er psychosociale hulp aangeboden, zijn er dag- en deeltijdbehandelingen, wordt er hulp geboden op gebied van financiën en resocialisatie, zijn er activiteitenprogramma's voor verslaafden en zijn er klinieken waar verslaafden een zogenaamde time-out kunnen hebben om weer op krachten te komen. Daarnaast wordt aandacht gegeven aan preventie en voorlichting en wordt informatie gegeven aan partners en familieleden van verslaafden.

Ontwikkelingen[bewerken]

In de jaren zeventig van de twintigste eeuw kwamen hulpverleners tot het besef dat het gebruik van heroïne voor grote problemen zorgt bij de verslaafden. Naast de verslaving zelf, was en is er bij de gebruikers sprake van ernstige zelfverwaarlozing en problemen op tal van leefgebieden waaronder het ontbreken van medische zorg, financiële problemen en op het gebied van huisvesting (dakloos). In de Verenigde Staten werd aan heroïneverslaafden methadon voorgeschreven, een opiaat bedoeld om af te kunnen kicken van heroïne. Vanaf eind jaren '70 werd ook in Nederland methadon verstrekt. Na verloop van tijd bleek dat methadon vooral gebruikt werd als onderhoudsdosering zodat de verslaafden geen afkickverschijnselen kregen. Er ontstond een illegaal circuit waarin methadon werd doorverkocht om op die manier aan geld te kunnen komen voor heroïne. Methadon wordt nog steeds verstrekt als onderhoudsdosering en tevens als middel om vanuit de hulpverlening contact te kunnen onderhouden met verslaafden. Als afkickmiddel is het slechts in sommige gevallen geschikt.

In de jaren '90 van de twintigste eeuw kwam het middel cocaïne sterk in opkomst, eerst in het zogenaamde yuppiecircuit. Al snel belandde cocaïne op 'straat'.

Er kon goed aan worden verdiend en in tegenstelling tot heroïne heeft de gebruiker steeds vaker cocaïne nodig om zich 'goed te voelen'. Verslaafden begonnen beide drugs te gebruiken, soms ook nog in combinatie met pillen en alcohol.

Met de opkomst van cocaïne bleek ook dat verslaafden te maken kregen met psychische stoornissen veroorzaakt door het middel. Daarnaast werd bekend dat patiënten met bijvoorbeeld een borderlinestoornis en Aandachts-Tekort-Stoornis met Hyperactiviteit (ADHD) of te maken hebben gehad met affectieve verwaarlozing in de jeugd, mishandeling en seksueel misbruik in sterke mate neiging hebben om verslaafd te worden aan drugs, alcohol of medicatie. De complexiteit van de problemen nam toe waardoor de verslavingszorg zich steeds meer ging specialiseren en professionaliseren. Verslaafden worden niet alleen als cliënten maar in veel gevallen ook als patiënten gezien. Het voorschrijven van heroïne onder medisch toezicht aan langdurige heroïneverslaafden sluit bij laatstgenoemde stelling aan. Eind jaren '90 van de twintigste eeuw besloot de overheid om aan een streng geselecteerde groep van verslaafden, heroïne te verstrekken. Wat als experimenteel onderzoek begon is nu een vast onderdeel van hulpverlening in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Heerlen en Arnhem. Het onderzoek bracht naar voren dat bij de meeste verslaafden die heroïne op medisch voorschrift toegediend kregen de leefomstandigheden op lichamelijk, psychisch en sociaal gebied verbeterden.

Behandeling van cocaïneverslaafden is moeilijk. De drug heeft een sterke uitwerking op de psyche van de gebruiker en lijkt moeilijk te beïnvloeden. Het zijn vooral cocaïneverslaafden die voor problemen zorgen: criminaliteit, agressiviteit en psychische stoornissen die voor overlast zorgen.

Binnen de verslavingszorg gaat het initiatief vaak van de hulpverleners uit. Dat betekent dat hulpverleners niet meer wachten tot de verslaafde hulp zoekt, maar dat hulpverleners de straat op gaan om in contact te komen met verslaafden. Een van de doelgroepen die men probeert te bereiken zijn alcoholisten, die vaak 'stille' drinkers zijn, goed verborgen voor hun sociale omgeving, maar wel te kampen hebben met grote problemen op tal van leefgebieden.

De tolerantie binnen de samenleving ten aanzien van drugsverslaafden is langzaam maar zeker afgenomen. De overlast welke junks, in het bijzonder in de grote steden, veroorzaken wordt door velen niet meer getolereerd. De verslavingszorg ondervindt dit vooral bij de weerstand die geboden wordt in wijken waar opvangcentra, hostels en gebruikersruimten zijn of gepland zijn. Daarnaast speelt de zorg in op de ontwikkeling binnen de samenleving door samen te werken met politie en justitie om verslaafde criminele veelplegers onder drang een hulpverleningstraject aan te bieden (verslavingsreclassering). Ook is er dwanghulpverlening waarin criminele verslaafden gedwongen worden af te kicken (Strafrechtelijke Opvang Verslaafden - SOV).

Binnen de verslavingszorg zijn maatschappelijk werkers, psychiaters en psychologen, artsen, verpleegkundigen, reclasseringsmedewerkers en vele andere hulpverleners werkzaam.

Cijfers[bewerken]

Hoewel Nederland de naam heeft een tolerant land te zijn ten aanzien van drugs, is het drugsprobleem minder groot dan in andere landen. Nederland telt in 2002 ongeveer 2,5 verslaafden (drugs, alcohol, medicatie, gokken) per 1000 inwoners. België telt 3 verslaafden per 1000 inwoners, Frankrijk 3,9; Spanje 4,9; Italië 6,4 en Luxemburg telt 7,2 verslaafden per 1000 inwoners (cijfers 2002; Trimbos-instituut).

Verder zijn er in Nederland ongeveer 30.000 harddrugsverslaafden (heroïne en/of cocaïne), hebben 800.000 mensen een probleem met alcoholgebruik of zijn er aan verslaafd en ongeveer 600.000 Nederlanders gebruiken chronisch slaap- en/of kalmeringsmiddelen.

Vooral alcoholisten en medicatiegebruikers komen nauwelijks in aanraking met de verslavingszorg. Hun verslaving speelt zich in het verborgene af. Alcoholisten doen soms zelf pogingen en medicijnverslaafden proberen soms gradueel af te bouwen, iets wat vaak onderschat wordt. Langdurig gebruik van een benzodiazepine zonder, of met een te korte afbouw, kan leiden tot langdurige afkickverschijnselen.[1][2]

Instellingen[bewerken]

In Nederland zijn verschillende gespecialiseerde instellingen en privé klinieken actief op het gebied van verslavingszorg, waaronder:

  • IrisZorg (Gelderland, deel Overijssel en Flevoland)
  • De Hoop een woon en leefgemeenschap in Beekbergen
  • Jellinek (Amsterdam en het Gooi)
  • Bouman GGZ in en rond Rotterdam en Dordrecht
  • Centrum Maliebaan (provincie Utrecht)
  • Novadic-Kentron (Noord-Brabant)
  • RoderSana (opname Noord-Brabant, behandeling landelijk)
  • Verslavingszorg Noord Nederland (Groningen, Friesland, Drenthe)
  • Brijder Verslavingszorg (Noord- en Zuid-Holland, behalve Amsterdam)
  • Tactus Verslavingszorg (Gelderland, Overijssel en Flevoland).

België[bewerken]

Huidige aanpak[bewerken]

Personen met een problematisch middelengebruik, meestal verslaafden of zelfs junkies genoemd, kunnen in het welzijnsveld terecht voor een heel uiteenlopende waaier aan zorg en hulpverlening.

Preventie[bewerken]

Middelenpreventie[bewerken]

Met preventie probeert men het problematisch middelengebruik te voorkomen en de gezondheid en het welzijn te bevorderen.

Dit gebeurt door voorlichting in het onderwijs, in bedrijven, voorzieningen en instellingen.

Kenmerken van middelenpreventie[bewerken]

Goede middelenpreventie heeft volgens de VAD (Vereniging voor Alcohol - en andere Drugproblemen) de volgende kenmerken:

  • aandacht voor mens, middel en milieu (de 3 M's),
  • richt zich op het versterken van de beschermende factoren en het terugdringen van de risicofactoren,
  • bereikt de middelengebruikers op meerdere plaatsen en spreekt meerdere groepen binnen deze groep aan,
  • houdt rekening met de kenmerken van de middelengebruikers (leeftijd, geslacht, culturele achtergrond, risicofactoren, ...),
  • werkt op langere termen en zorgt voor continuïteit,
  • betrekt de doelgroep bij opzet, uitvoering en evaluatie van het preventieprogramma,
  • is meer dan informatieoverdracht.

In de voorlichting kan aandacht besteed worden aan het beschikbare gamma van drugs (stoffen, beschikbaarheid), de uitwerking op het metabolisme, de herkenning van het gebruik, de effecten op de omgeving, de omgang hiermee en de sociale contextualisering van het gebruik, en hoe wanneer het best ingegrepen wordt.

Wenselijke (middelen)preventie[bewerken]

De aanpak van problematisch middelengebruik overstijgt de gespecialiseerde hulpverlening.

Wenselijke preventie (Prof. Nicole Vettenburg) bij middelengebruik is

  • Radicaal : zo dicht mogelijk bij de wortels

Wil je het middelenmisbruik aanpakken, en stelt het probleemgedrag zich in het Lager of Secundair Onderwijs (een aantal kinderen in LO/SO komen in problemen door middelgebruik), dan zijn die wortels bijvoorbeeld de vriendenkring. Een radicale aanpak zal dus proberen die vriendenkring te bereiken (via organisaties of plekken waar vrienden elkaar ontmoeten, zoals jeugdverenigingen, jeugdhuizen, speelpleinen, ... via actoren die op hen impact hebben).

  • Offensief : dialoog in de taal van de verslaafde

Een defensieve campagne betekent dat we ervan uitgaan dat de doelgroep niet sterk genoeg is om juiste keuzes te maken (de klassieke foldercampagne). Een offensieve campagne houdt in dat de sociale weerbaarheid van de jongeren wordt verbeterd.

  • Integraal : persoonsgericht én contextgericht

Integraliteit betekent dat preventie persoonsgericht (aan het nadenken zetten van de persoon) én contextgericht (aan de structuur sleutelen, een kinderrechterkoffer maken, jaarlijks overleg met een aantal diensten) gebeurt.

  • Participatief : van begin tot einde betrokkenheid middelengebruiker

Preventie kan in deze visie maar slagen wanneer de middelengebruiker zelf de kans krijgt om te zeggen welk probleem er is en hoe het kan geneutraliseerd worden (en dat kan hij, zie puntje offensiviteit).

Onrechtstreekse inbreng komt van de omgeving (ouders, de school, consulenten, zo mogelijk politie & justitie).

  • Demografisch : ook moeilijk bereikbare subgroepen bereiken

Analyse van de moeilijkst bereikbare doelgroep valt meestal in het water onder druk van beperkte menskracht, financiële middelen en tijd.

Vroeginterventie[bewerken]

Bij vroeginterventie is er sprake van een ruime waaier aan personen en diensten die de eerste signalen opvangen. Dat kan de naaste omgeving zijn, maar ook nulde - en eerstelijnsdiensten (zelfhulpgroepen, vrijwilligerswerkers ... en Centra voor Algemeen Welzijnswerk, OCMW's, spoedgevallendiensten ...).

Hulpverlening[bewerken]

De hulpvraag[bewerken]

De hulpvraag varieert naargelang

  • de ernst van het middelengebruik,
  • de vastgestelde symptomen die het niveau van het functioneren beïnvloeden
  • de verliezen op somatisch en psychosociaal vlak
  • de mate van vrijwilligheid
  • het gebruikte product
  • het beoogde behandelingsdoel

Sommige gebruikers willen enkel een ontgifting, anderen een stabilisering van hinderlijke symptomen, een substitutiebehandeling (een vervangend middel), of anders nog medische verzorging, onderdak of praktische hulp.

Anderen kiezen de moeilijker weg en wensen hun leven grondig te heroriënteren, stellen zich open voor therapie.

Organisatie van de hulpverlening[bewerken]

Naast de gespecialiseerde of categoriale drughulpverlening spelen ook mantelzorg, zelfhulp en eerstelijnsvoorzieningen een belangrijke rol in de opvang en begeleiding van personen met een problematisch middelengebruik. Wie kiest voor een therapeutisch aanbod kan opteren voor hulpverlening van laagdrempelig, ambulant tot langdurig en residentieel.

Motivationele gespreksvoering (Miller en Rollnick, 2005) vormt een belangrijk onderdeel van iedere begeleiding. Terugvalpreventie is eveneens een belangrijk aandachtspunt. Via tussenkomst op basis van gedrag probeert de hulpverlener de gebruiksgewoonte te doorbreken (Prochaska en DiClemente, 1983). Recent wordt ook contingency management (een vorm van token economy) gebruikt in de verslavingszorg.

Het is essentieel dat de omgeving betrokken wordt in het behandelingsproces. Daarvoor is er flexibiliteit nodig, zowel door de omgeving als door de hulpverlener. Ouders, echtgenoten, kinderen ... worden opgevangen, hebben in sommige gevallen een eigen begeleiding.

Mantelzorg en zelfhulp[bewerken]

Alle hulpverlening buiten het professionele circuit, binnen het sociaal netwerk en door familie & vrienden, wordt mantelzorg genoemd.

Zelfhulp kan eveneens een belangrijke ondersteuning bieden door de mogelijkheid ervaringen uit te wisselen met ervaringsdeskundigen, crisisinterventie en wekelijkse groepsbijeenkomsten met lotgenoten. Een bijzondere vorm van zelfhulp is het twaalfstappenprogramma.

Straathoekwerk[bewerken]

Straathoekwerk, als werkvorm gestart in het midden van de jaren tachtig, poogt actief in contact te komen met groepen die niet of onvoldoende in contact staan met de traditionele hulpverlening. Het druggericht straathoekwerk zoekt de gebruikers in hun eigen milieu op (op straat, in het café, thuis ...), die anders niet zo snel de (nodige) stappen niet zouden zetten.

Een vertrouwensrelatie opbouwen, motiverend werken om de gebruikers zelf iets aan hun situatie te laten doen en intensieve ondersteuning voor het opzetten van een sociaal netwerk (door doorverwijzing en opvolging) zijn de belangrijkste pijlers van straathoekwerk.

Eerstelijnszorg[bewerken]

De eerstelijnszorg is de eerste, laagdrempelige, niet-gespecialiseerde stap in de georganiseerde hulpverlening. Doordat de eerste lijnszorg het dichtst bij de problematiek staat, is ze goed geplaatst om het middelengebruik te detecteren, in te schatten en door te verwijzen wanneer verdere hulpverlening nodig zou zijn. Ook nazorg (bij terugkeer uit begeleiding) wordt op dit niveau uitgevoerd.

Op de eerste lijn bevinden zich onder meer de huisarts, het (polyvalente) Centrum Algemeen Welzijnswerk (CAW), de Dienst voor Thuisverpleging, het Jongeren Adviescentrum (JAC) en het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW).

Ambulante drughulpverlening[bewerken]

Ambulante opvang kan bij het Medisch-Sociaal Opvangcentrum (MSOC), de ambulante drugszorg/Dagcentrum, Dagkliniek/dagbehandeling, CrisisCare Trubendorffer of Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg en Weissman.nu

Residentiële drughulpverlening[bewerken]

Voor residentiële drughulpverlening kan men terecht in de Thuislozenwerking, een Crisisinterventiecentrum (CIC), ontwenningsafdeling van een Psychiatrisch Ziekenhuis/ Ontwenningskliniek, psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (PAAZ), een Kortdurend Therapeutisch Programma (KTP) voor druggebruikers, een Therapeutische Gemeenschap (TG) of Beschut Wonen.

Nazorg[bewerken]

Zelfs wanneer het druggebruik schijnbaar weggeëbd is, kan het zijn dat de voedingsbodem, bijvoorbeeld de sociale problematiek, nog steeds aanwezig is. Daarom blijft discrete nazorg belangrijk voor een geslaagde herintegratie.

Bronnen, noten en/of referenties

Externe link[bewerken]

Verslavingszorg vanuit verpleegkundig perspectief