Vervoeging van onregelmatige Nederlandse werkwoorden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In taalkundige terminologie zijn onregelmatige werkwoorden werkwoorden die bij vervoeging een andere vorm aannemen dan de standaardvorm.[1][2] Met die regels is het mogelijk om ieder regelmatig werkwoord te vervoegen met als verdere kennis alleen de werkwoordsstam (of infinitiefvorm). Zie voor verdere toelichting Basisvormen van Nederlandse werkwoorden.

Andere betekenissen[bewerken]

In grammaticaonderwijs worden ook wel de synoniemen sterke werkwoorden (onregelmatige werkwoorden) en zwakke werkwoorden (regelmatige werkwoorden) gebruikt.[3] Een nog ingewikkeldere terminologie is die waarin de twee eigenschappen “”regelmatigheid“” en “”sterkte“”/“”zwakte“” een specifiekere betekenis hebben. Deze overige (niet-taalkundige) categorieën zijn abstracties die alleen relevant kunnen zijn binnen een theoretische context van studie van de Nederlandse grammatica of voor onderwijsdoeleinden.

Onregelmatige werkwoorden in de Nederlandse taal[bewerken]

Eigenschappen (theoretisch)[bewerken]

  • Van sommige werkwoorden is er zowel een regelmatige als een onregelmatige vervoeging. Beide zijn bruikbaar voor productie van grammaticale zinnen, maar deze verschillen zijn vaak wel stilistisch relevant.
  • Sommige Nederlandse werkwoorden worden onregelmatig vervoegd in alle combinaties van “”persoon“” met één “”tijd“”.
    • De werkwoorden in één deelverzameling worden alleen onregelmatig vervoegd wanneer ze in verleden tijd en/of voltooide tijd worden gezet. De stam van het werkwoord bevat een klinker, die verandert als het werkwoord in verleden tijd wordt gezet. En als het werkwoord in voltooide tijd wordt gezet, wordt er een suffix -en aan toegevoegd.
    • De werkwoorden in een andere deelverzameling (hebben, zijn, kunnen, zullen, mogen, willen) worden (ook) onregelmatig vervoegd in andere tijden.
  • Sommige werkwoorden (bijvoorbeeld hebben) worden alleen onregelmatig vervoegd in specifieke “”persoon“”-“”tijd“”-combinaties.

Schematisch overzicht[bewerken]

Opmerkingen vooraf[bewerken]

  • In gevallen waarin zowel een regelmatige als een onregelmatige vervoeging voorkomt, staan de regelmatige vormen schuin gedrukt.
  • In de tabel zijn ook sommige veelgebruikte gereduceerde vormen van de persoonlijke voornaamwoorden opgenomen.
  • In de tabel zijn alleen die onregelmatige werkwoorden opgenomen die onregelmatig worden vervoegd naar tijd.
  • Ondanks regelmatige vervoeging van werkwoorden, wordt volgens een spellingsregel het suffix -t alsnog weggelaten onder invloed van de woordvolgorde van de zin waarin het werkwoord staat. Zie ook: Inversie_(taalkunde). Een eenvoudig voorbeeld hiervan:
"Begrijp je dit?" (standaard)
"Begrijpt je dit?"
1rightarrow blue.svg Lijst van sterke en onregelmatige werkwoorden in het Nederlands.
'hebben' 'zijn'/'wezen' 'kunnen' 'zullen' 'mogen' 'willen'
persoon (persoonlijke voornaamwoorden) tegenw.
tijd
verl.
tijd
tegenw.
tijd
verl.
tijd
tegenw.
tijd
verl.
tijd
tegenw.
tijd
verl.
tijd
tegenw.
tijd
verl.
tijd
tegenw.
tijd
verl.
tijd
1ste persoon enkelvoud
("ik")
heb had ben was kan kon zal zou mag mocht wil wou
wilde
2de persoon enkelvoud
("jij", "je")
hebt had bent was kan[4]
kunt
kon zal[4]
zult
zou mag mocht wil[5]
wilt
wou[6][7]
wilde
2de persoon enkelvoud
("u")
hebt
heeft
had bent
is1
was kan
kunt
kon zal[4]
zult
zou mag mocht wil
wilt
wou
2de persoon enkelvoud (bij inversie)
("jij", "je")
heb had ben was kan kon zul
zal
zou mag mocht wil wou
wilde
2de persoon enkelvoud
("gij", "ge")
hebt hadt zijt waart kunt kondt zult zoudt moogt mocht wilt woudt
wilde
3e persoon enkelvoud
("hij", "zij", "ze", "het")
heeft had is was kan kon zal zou mag mocht wil[8][9] wou
wilde
meervoud
("wij", "we", "jullie", "zij", "ze")
hebben hadden zijn waren kunnen konden zullen zouden mogen mochten willen wouden
wilden
voltooid deelwoord gehad geweest gekund (gezuld) gemogen gewild
tegenwoordig deelwoord hebbend zijnd kunnend zullend mogend willend

Opmerkingen achteraf[bewerken]

  1. U is (...) is archaïsch, maar wel een beleefdheidsvorm in zuidelijk Nederland
  2. De onregelmatige vervoeging van “willen” in de verleden tijd, Ik wou (...) enz., komt tegenwoordig in de schrijftaal minder voor dan voorheen. Vooral het meervoud "wou(d)en geldt nu als zeer informeel.[6]
  3. Zoals te lezen is in de verwijzing bij de bewuste tabelregel, is 2de persoon enkelvoud in de vormen "gij", "ge" archaïsch voor sprekers van de Noordwestelijke, Noordelijk-centrale en Noordoostelijke dialectgroepen van het Nederlands. Deze vormen worden binnen heel Nederland alleen bij het spreken van dialect gebruikt.
  4. Het tegenwoordig deelwoord van elk van deze werkwoorden wordt tegenwoordig maar zéér zelden gebruikt.
  5. Het voltooid deelwoord van 'zullen', gezuld, wordt vrijwel nooit gebruikt, omdat 'zullen' een hulpwerkwoord is voor de toekomende tijd (de toekomst).

Zie ook[bewerken]

Noten