Viaduct

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nederlands verkeersbord C19 - Gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, hoger zijn dan op het bord is aangegeven

Een viaduct is een begrip voor een grote verkeersbrug die meestal uit meerdere overspanningen bestaat. Een viaduct onderscheidt zich van een tunnel door de afwezigheid van natuurlijke elementen tussen de kruisende infrastructuur. Bij een tunnel zijn er wel natuurlijke elementen aanwezig.

Men onderscheidt onder andere een viaduct voor wegverkeer en een spoorviaduct, al naargelang van het soort verkeer dat over de brug gaat. Een viaduct kan bijvoorbeeld gaan over een verkeersweg, spoorweg, water of ravijn.

Etymologie[bewerken]

Het woord viaduct is een moderne afleiding van de Latijnse woorden via (weg) en ducere (voltooid deelwoord: ductum; leiden), analoog aan het Latijnse woord aquaduct. De eerste viaducten waren vaak op eenzelfde wijze geconstrueerd als de Romeinse aquaducten, de lengte bestaand uit een aantal bogen van min of meer gelijke overspanning.

Beperkte hoogte[bewerken]

Een belangrijk kenmerk van viaducten is de hoogte van de overspanning. Een hoogte van minimaal 4 meter geldt voor het wegverkeer als voldoende, op snelwegen worden viaducten meestal gebouwd op een hoogte van 5,60 meter. Bij lagere viaducten worden verbodsborden geplaatst en worden extra maatregelen genomen om te voorkomen dat een onderlangs passerend voertuig het viaduct beschadigt.

Zie ook[bewerken]