Vier letzte Lieder

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vier letzte Lieder
Componist Richard Strauss
Gecomponeerd voor sopraan en orkest
Première 22 mei 1950
Duur ca. 21 minuten
Oeuvre Oeuvre van Richard Strauss
Portaal  Portaalicoon   Klassieke muziek

De Vier letzte Lieder (Vier laatste liederen) voor sopraan en symfonieorkest zijn de laatste composities van Richard Strauss (1864-1949), geschreven in 1948, toen hij 84 was.

De première vond postuum plaats op 22 mei 1950 in de Royal Albert Hall in Londen. De liederen werden gezongen door de Noorse sopraan Kirsten Flagstad, die begeleid werd door het Philharmonia Orchestra onder leiding van Wilhelm Furtwängler.

Ontstaan[bewerken]

Toen Strauss het gedicht Im Abendrot van Joseph von Eichendorff in mei 1948 tegenkwam, kreeg hij onmiddellijk het gevoel dat het een bijzondere betekenis voor hem had, en zette het op muziek. Bovendien had hij net een exemplaar gekregen van de complete gedichten van Hermann Hesse, die hem inspireerden tot de muziek voor Frühling, September en Beim Schlafengehen.

Er is geen aanwijzing dat Strauss deze liederen als een afgerond geheel beschouwde. Er bestaat nog een lied, Malven, dat in november 1948 werd voltooid, maar niet werd georkestreerd. Het is de vraag of de componist dit voor de cyclus bedoelde. Ook het onvoltooide lied Nachts voor sopraan en orkest, zou een kandidaat voor een vijfde lied kunnen zijn.

Nadat hij Im Abendrot had gecomponeerd, maar voordat hij begon aan de andere drie liederen, orkestreerde Strauss het lied Ruhe, meine Seele!, dat hij in zijn huwelijksjaar 1894 had geschreven voor zijn vrouw, de sopraan Pauline de Ahna, op een gedicht van Karl Friedrich Henckell. Daarom is wel eens verondersteld dat Strauss dit vroege lied, dat in tekst en sfeer aansluit bij de Vier letzte Lieder, mogelijk ook in de cyclus had willen opnemen als inleiding tot Im Abendrot.

De titel Vier letzte Lieder kwam van Strauss' vriend Ernst Roth, hoofdredacteur van de muziekuitgeverij Boosey and Hawkes. Hij bracht ze tezamen en zette ze in de volgorde waarin ze nu meestal worden uitgevoerd: Frühling, September, Beim Schlafengehen, Im Abendrot. Strauss zelf prefereerde een andere volgorde: Beim Schlafengehen, Frühling, September en Im Abendrot. In de jaren vijftig werden beide volgorden door elkaar gebruikt. Bij de opname uit 1953 van de Zwitserse sopraan Lisa Della Casa met de Wiener Philharmoniker onder Karl Böhm zingt zij de liederen in de door Strauss geprefereerde volgorde. Toen dezelfde uitvoerenden de liederen vijf jaar later nog eens opnamen, werd de gebruikelijke volgorde gekozen.

Inhoud[bewerken]

De liederen gaan over de dood en werden gecomponeerd kort voordat Strauss zelf stierf. In plaats van de typische opstandigheid van de romantiek stralen deze laatromantische Vier letzte Lieder een gevoel van kalmte en acceptatie uit. De stem van de sopraan wordt op serene wijze begeleid door een groot orkest. In alle vier liederen vervullen de hoorns een belangrijke rol. De juxtapositie van de vocale lijn met de koperen begeleiding refereert ook aan Strauss' eigen leven: zijn echtgenote Pauline de Ahna was een beroemde sopraan en zijn vader was hoornist van professie.

Tegen het einde van Im Abendrot verwijst Strauss muzikaal naar zijn eigen symfonisch gedicht Tod und Verklärung, dat hij zestig jaar eerder schreef. Zoals in dat stuk symboliseert de aangehaalde passage de vervulling van de ziel in de dood.

Tekst[bewerken]

1. "Frühling"[bewerken]

("Lente") (Tekst: Hermann Hesse)

In dämmrigen Grüften
träumte ich lang
von deinen Bäumen und blauen Lüften,
Von deinem Duft und Vogelsang.

Nun liegst du erschlossen
In Gleiß und Zier
von Licht übergossen
wie ein Wunder vor mir.

Du kennst mich wieder,
du lockst mich zart,
es zittert durch all meine Glieder
deine selige Gegenwart!

In schemerige krochten
droomde ik lang
van jouw bomen en blauwe luchten,
van je geur en vogelzang.

Nu lig je als ontsloten
met glans en sier,
van licht overspoeld
als een wonder voor mij.

Je kent me weer,
je wenkt me teer.
het siddert door al mijn leden
van jouw zalige aanwezigheid!

Gecomponeerd op 20 juli 1948

2. "September"[bewerken]

(Tekst: Hermann Hesse)

Der Garten trauert,
kühl sinkt in die Blumen der Regen.
Der Sommer schauert
still seinem Ende entgegen.

Golden tropft Blatt um Blatt
nieder vom hohen Akazienbaum.
Sommer lächelt erstaunt und matt
In den sterbenden Gartentraum.

Lange noch bei den Rosen
bleibt er stehn, sehnt sich nach Ruh.
Langsam tut er
die müdgeword'nen Augen zu.

De tuin treurt.
koel zijgt in de bloemen de regen.
De zomer miezert roerloos,
zijn einde tegemoet.

Als goud druppelt blad na blad
uit de hoge acacia neer.
De zomer glimlacht verbaasd en mat,
in de stervende droomtuin.

Lang nog bij de rozen
blijft hij staan,smachtend naar rust.
Langzaam doet hij zijn
moegekeken ogen toe.

Gecomponeerd op 20 september 1948

3. "Beim Schlafengehen"[bewerken]

("Bij het slapengaan") (Tekst: Hermann Hesse)

Nun der Tag mich müd' gemacht,
soll mein sehnliches Verlangen
freundlich die gestirnte Nacht
wie ein müdes Kind empfangen.

Hände, laßt von allem Tun,
Stirn, vergiß du alles Denken.
Alle meine Sinne nun
wollen sich in Schlummer senken.

Und die Seele, unbewacht,
will in freien Flügen schweben,
um im Zauberkreis der Nacht
tief und tausendfach zu leben.

Nu de dag mij moe heeft gemaakt,
wens ik smachtend
de vriendelijke sterrennacht
als een vermoeid kind te ontvangen.

Mijn handen, ik laat ze niets meer doen
mijn hoofd, vergeet al het denken.
Al mijn zintuigen willen nu
zich sluimerend verminderen.

En onbewaakt wil mijn ziel
in vrije vlucht gaan zweven
om in de toverkring der nacht
diep en duizendvoudig te leven.

Gecomponeerd op 4 augustus 1948

4. "Im Abendrot"[bewerken]

("In het avondrood") (Tekst: Joseph von Eichendorff)

Wir sind durch Not und Freude
gegangen Hand in Hand;
vom Wandern ruhen wir
nun überm stillen Land.

Rings sich die Täler neigen,
es dunkelt schon die Luft.
Zwei Lerchen nur noch steigen
nachträumend in den Duft.

Tritt her und laß sie schwirren,
bald ist es Schlafenszeit.
Daß wir uns nicht verirren
in dieser Einsamkeit.

O weiter, stiller Friede!
So tief im Abendrot.
Wie sind wir wandermüde--
Ist dies etwa der Tod?

Wij zijn door nood en vreugden
hand in hand gegaan;
en rusten na het dwalen samen
hier in de stilte van het land.

Rondom ons neigen de dalen;
het donkert al in de lucht.
nog stijgen er twee leeuweriken
na-dromend in de schemering.

Kom, laat ze maar fladderend zingen.
dra is het slapenstijd.
Hier mogen we niet verdwalen
in deze eenzaamheid.

Die weidse zwijgende vreedzaamheid,
gedompeld in het avondrood.
Hoe zeer zijn we ’t wandelen nu moe---
is het ten dode toe?

Gecomponeerd op 6 mei 1948

Uitvoerenden[bewerken]

Er zijn veel sopranen die deze liederen hebben opgenomen, onder wie

Overig[bewerken]

Externe links[bewerken]