Vierschaar

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een vierschaar is het gerechtelijk bestuur van een plaatselijk gebied in de gewesten van de Lage landen tijdens de middeleeuwen en het Ancien Regime. Aangezien 'bestuur' op dat ogenblik nog niet is opgedeeld volgens het principe van de scheiding der machten (wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht), maakte deze rechtspraak integraal deel uit van de taken van het bestuur. De hoge jurisdictie berustte vaak bij de graaf, de middelbare en lage jurisdictie bij de plaatselijke ambachtsheer.

Vanaf de middeleeuwen lieten zowel de graaf als de lagere heren hun rechterlijke bevoegdheid door anderen waarnemen. De lage rechtspraak werd namens de heer uitgeoefend door schout en schepenen. Hiertoe benoemde de heer enkele mannen, de schepenen, die samen de schepenbank uitmaakten. De schout trad op als voorzitter en tegelijk aanklager, de schepenen als jury en rechters.

natuur vierschaar te Moregem

De naam vierschaar komt van de vier 'geschoren' (gespannen) touwen waartussen de rechtspraak plaatsvond.[1][2] Oorspronkelijk werd er buiten recht gesproken, traditioneel onder een linde. Bij die boom waren vier banken in een vierkant geplaatst, waarop de schepenen plaats namen; in het midden stond dan de beschuldigde. Het is niet de opstelling van de vier banken waarnaar de 'vierschaar' is genoemd, maar de vier gespannen (geschoren) touwen; de vierschaar werd dan gespannen, daarbinnen werd recht gesproken. Op het grondgebied Oudenaarde in de Wortegemstraat, op de grens tussen Bevere en Moregem, kun je nog een originele 'vierschaar' zien. Een kopie hiervan werd opgesteld in Bokrijk.

In Vlaanderen werd een Vierschaar "gebannen", d.i. plechtig bijeengeroepen.[3][4]

vierschaar te Wachtebeke

Later werd een vierschaar doorgaans ondergebracht in een gebouw, zoals de vierschaar van Wachtebeke.

Bij uitbreiding betekende 'vierschaar' ook het gebied waarbinnen het gezag van de schepenen gold. Een heerlijkheid was immers niet aan parochiegrenzen verbonden, maar kon twee of meer parochies omvatten, of slechts de helft ervan, of delen van verschillende parochies (die dan nog niet eens onderling verbonden hoefden te zijn). Ook kon de heer een al te grote heerlijkheid opdelen in verschillende vierscharen.

Nu waren de oorspronkelijke heerlijkheden relatief groot geweest, maar door het opsplitsen ervan onder erfgenamen, en ook wel door de verkoop van stukken ervan, waren ze in de loop der tijden op nogal wat plaatsen volledig versplinterd geraakt. Voor dergelijke kleine stukken was een gescheiden rechtspraak zowat onmogelijk geworden, en daarom ging men er in de 14e eeuw geleidelijk toe over om die rechtspraak per parochie te organiseren. Verantwoordelijk hiervoor was die heer op wiens heerlijkheid de kerk stond, en die men daarom als dorpsheer ging betitelen.

In Zeeland stond in de late middeleeuwen aan het hoofd van de Zeeuwse rechtspraak de grafelijke Hoge Vierschaar van Zeeland, die de algehele hoge rechtsmacht in Zeeland had en verantwoordelijk was voor de berechting van zware misdrijven als verkrachting en doodslag. De graaf van Zeeland (of zijn zoon als plaatsvervanger) trad in de Hoge Vierschaar als rechter samen met de grote ambachtsheren. De Hoge Vierschaar trad niet op in Middelburg, Zierikzee en Reimerswaal. Deze steden kenden een eigen stedelijke rechtspraak.

Franse Revolutie[bewerken]

Het is pas onder de Franse Revolutie dat de kerkelijke grenzen ook overheidsgrenzen werden, toen de parochies werden omgevormd tot gemeenten (dit verklaart meteen waarom deze laatste zo onregelmatig gevormd zijn en zo sterk in grootte kunnen verschillen), de heerlijkheden afgeschaft werden, en de rechtspraak volledig aan de staat kwam.

Noten

  1. Haslinghuis, E.J. en Janse, H. (2005) Bouwkundige termen. Leiden: Primavera Pers.
  2. Vriend, J.J. (1949) De bouwkunst van ons land, de steden. Amsterdam: Scheltema & Holkema's boekhandel en uitgeversmaatschappij N.V.
  3. Costumen van het Graefschap Vlaenderen, tot Antwerpen by Michiel Knobbaert en Ste Peeter by t'Prosessen Huys der Societeyt Iesu ende te Gent by Maximiliaen Graet inden Enghel, 1674.
  4. Vierschare, hoe ghebannen ende ghehouden. Gent, Rubriek 1, art. 6.7; Veurne, tit. 1, art.31; tit. 44, art.1 & seqq.tit.47, art. 1; Kasselrij van Ieper, cap. 128.