Vijf Dynastieën en Tien Koninkrijken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vijf Dynastieën en Tien Koninkrijken
Naam (taalvarianten)
Traditioneel 五代十國
Vereenvoudigd 五代十国
Hanyu pinyin wǔdài shíguó
Wade-Giles wu-tai shih-kuo

Vijf Dynastieën en Tien Koninkrijken is de in de Chinese historiografie gebruikelijke naam voor de periode tussen 907 (het einde van de Tang-dynastie) en 960 (begin van de Song-dynastie). Het was een periode van politieke verdeeldheid. Dit bood niet-Chinese volkeren de mogelijkheid eigen staten te vormen. In het noordoosten stichtten de Kitan, invallers uit het huidige Mantsjoerije in 947 hun eigen Liao-dynastie. Het zuidelijk deel van dat rijk lag op traditioneel Chinees grondgebied (de Zestien Prefecturen). In het zuidwestelijke Yunnan vestigden inheemse stammen het koninkrijk Dali, opvolgingsstaat van Nan Chao. In het zuiden maakte Vietnam zich onafhankelijk. Economisch verschoof het zwaartepunt steeds duidelijker van het gebied ten noorden van de Jangtsekiang naar de meer zuidelijk gelegen gebieden. In tegenstelling tot het noorden kenden die gebieden in deze periode juist een versnelde economische ontwikkeling.

Vijf Dynastieën[bewerken]

In het gebied ten noorden van Jangtsekiang volgden vijf heersershuizen elkaar in snel tempo op. Hun hoofdstad was het huidige Kaifeng. Het gebied dat zij beheersten werd voortdurend geteisterd door oorlogen. Zij werden in de traditionele geschiedschrijving beschouwd als de legitieme opvolgers van de Tang-dynastie en kregen daarom de naam Vijf Dynastieën. Dat waren:

Tien Koninkrijken[bewerken]

Situatie in 923, het gebied van de Latere Liang, de eerste van de Vijf Dynastieën, is geel aangegeven. De andere staten behoren tot de Tien Koninkrijken.

Vanaf de tweede helft van de achtste eeuw konden de regionale militaire bevelhebbers (Jiedushi, 節度使) zich steeds onafhankelijker opstellen ten opzichte van het centrale gezag. Uiteindelijk verklaarden de commandanten ten zuiden van de Jangtsekiang hun gebieden onafhankelijk, eerst als koninkrijk en na de val van de Tang-dynastie in 907 ook als keizerrijk. In de traditionele historiografie worden in totaal tien staten onderscheiden, de Tien Koninkrijken. Zij worden als niet-legitiem beschouwd, zodat ze in de geschiedschrijving worden aangeduid als 'staten' (guo, 國) en niet als 'dynastieën' (dai, 代). In tegenstelling tot het noorden, kenden de staten ten zuiden van de Jangtsekiang een grote binnenlandse stabiliteit. Zij hadden vaak natuurlijke grenzen en konden dankzij hun onafhankelijkheid de economische voordelen van hun geografische ligging volledig voor zichzelf benutten. Belastingen hoefden niet meer te worden afgedragen aan een centrale overheid, maar konden worden geïnvesteerd in de eigen regio. Zo kon Kanton, centrum van het koninkrijk van de Zuidelijke Han, zich in deze periode ontwikkelen tot belangrijke handelsstad. In Fujian (het koninkrijk Min) werd de basis gelegd voor de ontwikkeling van Fuzhou en Quanzhou tot belangrijke havensteden. Ook Sichuan (het koninkrijk Shu) kon zich economisch ontwikkelen, onder andere door de export van thee. Op deze manier ontwikkelde zich in de zuidelijke staten een sterk regionalisme. Het militaire initiatief tot eenwording kwam daarom ook uit het noorden.

De Tien Koninkrijken waren:

Literatuur[bewerken]

  • (en) Clark, Hugh R., 'The Southern Kingdoms between the T’ang and the Sung, 907–979' in: The Cambridge History of China, deel 5 (The Sung Dynasty and its Precursors, 907–1279), Cambridge (Cambridge University Press) 2009, ISBN 978-0-521-81248-1, pp. 133-205.
  • (en) Gernet, Jacques, A History of Chinese Civilization, Cambridge (Cambridge University Press) 1996 (2e herziene druk), ISBN 0-521-49781-7, pp. 266-272.
  • (en) Standen, Naomi, 'The Five Dynasties' in: The Cambridge History of China, deel 5 (The Sung Dynasty and its Precursors, 907–1279), Cambridge (Cambridge University Press) 2009, ISBN 978-0-521-81248-1, pp. 38-132.