Vijfhonderden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Vijfhonderden is een (oud) kaartspel. In de negentiende eeuw was dit spel ook bekend onder de namen Smousjassen en Klaverjassen (niet te verwarren met de moderne vorm van Klaverjassen).

Inhoud

[bewerken] Spelregels (oud)

De hier volgende oude spelregels komen uit het boekje Nieuwe Beschrijving der meest gebruikelijke Kaartspelen, in 1836 uitgegeven door H. Moolenijzer te Amsterdam.

Onderrigting in het Spel, genaamd: Vijf Honderden.

[bewerken] Algemeene bepalingen

§ 1.
Dit spel heeft zijnen naam daarvan, dat de winst van hetzelve bestaat in het behalen van ‘’vijf honderd’’ punten, op de wijze als nader zal worden gezegd. Somtijds wordt daarbij het onderscheid gemaakt, of de verliezer al dan niet de helft, of 250 behaald hebben; wordende hij, bij gebreke daarvan, gezegd onder jan te zijn, hetwelk hem dan dubbel doet verliezen. Doch dit hangt van onderlinge overeenkomst af. Het spel wordt ook Modernen, Klaverjassen of Smousjassen genoemd.
§ 2.
Men gebruikt tot hetzelve slechts 32 kaarten van het volle spel, namelijk: aas, heer, vrouw, boer, tien, negen, acht en zeven, van elke der vier kleuren.
§ 3.
Nadat de kaarten geschud zijn, wordt afgenomen, om te bepalen wie gever zal zijn. Die de hoogste afneemt heeft het regt daartoe.
§ 4.
Gelijk in alle spellen geeft de gever het eerst aan zijne partij, dan aan zich zelven, drie kaarten te gelijk, totdat elk negen heeft.
§ 5.
De overige kaarten heeten de stok, en blijven voorlopig liggen, nadat de bovenste kaart daarvan troef gekeerd en onderaan gelegd is, doch overdwars, zodat zij zichtbaar blijft.
§ 6.
De handkaarten worden één voor één uitgespeeld, zodat de trek telkens door hem, die de hoogste der beide kaarten heeft opgelegd, gehaald worden.
§ 7.
De volgorde der kaarten daartoe is de zoo even genoemde, van het aas, als hoogste, tot de zeven, als laagste kaart; - uitgezonderd in troef, wanneer de boer, alsdan jas geheten, de hoogste, en de 9, alsdan nel geheeten, de tweede kaart in rang is; daarop volgt dan aas, heer, vrouw, tien, acht en zeven.
§ 8.
Bij het ophalen van elke trek, neemt elk der spelers, (die den trek gehaald heeft, het eerst,) éne kaart van den stok, makende daarmede zijn getal van negen handkaarten telkens weder voltallig. Men neemt die voor de hand af.
§ 9.
Zoo lang er kaarten op stok liggen, behoeft men niet van dezelfde kleur bij te spelen als opgespeeld is, of, zoo men het noemt, de kleur te bekennen. Doch wanneer de laatste kaarten van den stok zijn genomen, mag geen andere dan de gespeelde kleur bijgespeeld, noch de opgespeelde kaart met troef genomen worden, tenzij men van de gespeelde kleur niet hadden.
§ 10.
Die de laatste verdekte kaart van den stok opneemt, laat dezelve aan zijne partij zien.
§ 11.
Zoo lang er kaarten op stok liggen, kan men de zeven van de troef tegen de onderliggende troefkaart verruilen, (of die rooven;) echter, wanneer er nog slechts ééne verdekte kaart boven dezelve ligt, moet dit geschieden, alvorens men opspeelt.
§ 12.
De winst van het spel (of vijf honderd punten) verkrijgt men, hetzij door de waarde der opgehaalde kaarten, hetgeen men DE OOGEN noemt, hetzij door het melden van derden, vierden, vijfden, enz. van op elkander in rang volgende kaarten van dezelfde kleur, hetwelk DE ROEM wordt geheten. In een van beide missende, kan men onderhevig zijn aan een verlies van een zeker aantal ogen, hetwelk men DE STRAF noemt.
Wij hebben dus hier te beschouwen: het tellen van de ogen; het roemen; het straffen.

[bewerken] Van het tellen der ogen

§ 13.
De boer van troef, of ‘’jas’’, telt 20 De negen van troef, of ‘’nel’’ 14 Elk aas 11, dus de vier asen 44 Elk heer 3, dus de vier heren 12 Elke vrouw 2, dus de vier vrouwen 8 Elk boer 1, dus de drie boeren (behalve troefboer) 3 Elke tien telt 10, dus de vier tienen 40 Daarenboven voor den laatsten trek 5 ------ Het geheel spel 146
Die dus alle trekken van het begin aan gemaakt had, zoude 146 ogen tellen. Daarenboven berekent men, (doch somtijds komt men overeen, om dit niet te doen,) 100 voor ‘’kapot’’, waaronder men verstaat het halen van de ‘’negen laatste’’ trekken, of van die, welke gespeeld worden, nadat er gene kaart meer op stok is, om het even, of de partij al of niet vroeger trekken gehaald hebbe.
§ 14.
Die den allerlaatsten trek maakt, of die de minste trekken heeft, telt zijne ogen en schrijft ze op de lei. Dit geschiedt gewoonlijker wijze aldus: bijvoorbeeld, A heeft 96, wanneer dus B 50 heeft:.
A - 96
B - 50
§ 15.
Naardien het getal van al de ogen tezamen altoos 146 moet uitmaken, kan de partij in zijne eigene kaart altoos natellen of de geteld hebbende te veel aangeschreven hebben, in welk geval hij strafbaar is.
§ 16.
Het getal der trekken wordt niet, maar alleen dat van de door die trekken behaalde, oogen geteld. Het overleg van het spel vereist dus, vooral, wanneer de stok geheel afgenomen is, en gevolgelijk (mits men al de opgespeelde kaarten onthouden hebben, hetgeen een hoofd vereiste van dit spel is) al de kaarten, welke partij in handen heeft, bekend zijn, dat men deszelfs tienen op hogere kaarten doet vallen, zijne azen aftroeven, nel met jas tracht te nemen, ens., waartoe men zich, door het gepast wegwerpen van hiertoe hinderlijke kaarten, gedurende dat er nog kaarten op stok waren, moet hebben voorbereid.
In den aanvang van het spel moet echter op het toegeven of doorlaten van éne tien of aas niet gezien worden, wanneer men anders zijnen roem of kans op roem zoude moeten breken.

[bewerken] Van den roem

§ 17.
De roem bestaat of in vier gelijken, mits azen, heren, vrouwen of boeren; of in ene volgreeks van kaarten van dezelfde kleur.
Voor vier azen, vier heren of vier vrouwen, telt men 100: voor vier boeren 200. De laatsten zijn de hoogste roem. Doch ook vier heren worden hoger dan vier vrouwen, en vier azen hoger dan vier heren gerekend, ofschoon dezelfde oogen tellende. Wanneer beide spelers te gelijk roem hebben, dan gaat de hogere roem vóór; bij gelijkheid van kaarten, die van troef voor die van ene andere kleur. Hetzelfde heeft plaats bij den roem naar de volgreeks der kaarten.
Men verstaat daaronder ten minste drie, in rang op elkander volgende, en van dezelfde kleur, als aas, heer, vrouw; - vrouw, boer, tien; - negen, acht, zeven, enz. Deze worden eene derde genoemd, en tellen 20.
Vier alzoo volgende, heeten eene vierde en tellen 50.
Vijf heeten eene vijfde; zes eene zesde; zeven eene zevende; acht eene achtste; waarvoor men ook wel zegt eene vijftiende, zestiende, zeventiende, achttiende. Elk van deze, om het even, of zij uit 5, 6, 7 of 8 kaarten bestaan, tellen 100..
§ 18.
Eene en dezelfde kaart kan bij zulken roem meer dan eenmaal, doch altoos in eene veranderde betrekking gemeld worden, en maar éénmaal telkens, wanneer er opgespeeld wordt.
Bijvoorbeeld, men heeft zes kaarten, zijnde vrouw, boer, tien, negen, acht, zeven.
Van deze kan men roemen:
1 DERDE, namelijk 9, 8, 7 - 20 pointen
1 dito 10, 9, 8 - 20 pointen
1 dito boer, 10, 9 - 20 pointen
1 dito vrouw, boer, 10 - 20 pointen
1 VIERDE, 10, 9, 8, 7 - 50 pointen
1 dito boer, 10, 9, 8 - 50 pointen
1 dito vrouw, boer, 10, 9 - 50 pointen
1 VIJFDE boer, 10, 9, 8, 7 - 100 pointen
1 dito vrouw, boer, 10, 9, 8 - 100 pointen
1 ZESDE vrouw, boer, 10, 9, 8, 7 - 100 pointen

Totaal dus 530 pointen
§ 19.
Hieruit volgt, dat men, in eene gift, door roem winnen, of, zoo men zegt, zich uitroemen kan.
Evenwel kan men, wanneer men den hoogeren roem gemeld heeft, bijvoorbeeld, de vierde van de tien, niet weder op den lageren roem, bijvoorbeeld, de twee derden van de tien of negen, terug roemen..
§ 20.
Er is dus, aan den eenen kant, te letten, dat men van zijnen roem zoo veel melde als mogelijk is, doch ook aan den anderen, dat men niet te laag begint, en alzoo niet den tijd mist, om al den hoogeren roem te melden, want dit melden houdt op, wanneer er geene kaarten meer op stok zijn, en de eerste trek daarna opgespeeld is..
§ 21.
Het melden van den roem kan alleen geschieden door degene, aan wien het is te spelen, en ‘’vóór’’ dat hij speelt. Doch kan de andere, mede roem hebbende, hem vragen ‘’hoe hoog’’ dezelve is. Is die van den laatsten speler hooger, zoo schrijft hij dien. Hierbij dient, dat men met ene derde van ene negen, ene vierde van ene tien, vijfde van enen boer, zesde van ene vrouw, enzovoorts, als de laagsten roem voor elke dier soorten, in de achterhand zijnde, tenzij van troef, naar den soortgelijke roem van partij niet vragen mag, naardien men denzelven evenwel niet zoude kunnen te kwaad maken. Die daarentegen voor de hand eene derde, vierde, enz., roemt, en zulks van een aas heeft, behoeft niet te antwoorden op de vraag: hoe hoog? alzoo zij niet te kwaad kan gemaakt worden, dan door eene soortgelijke derde, vierde, enz., van troef, en partij deze in de hand hebbende, niet vragen mag, maar een’ gemelden roem dadelijk te kwaad moet maken, met te zeggen: ik heb dien van troef. Het spreekt van zelve, dat eenen vierde altoos eene derde, eene vijfde, eene vierde, enz., zonder vragen te kwaad maakt..
§ 22.
Het aldus te kwaad maken van den roem door de partij, verhindert geenszins, dat dezelve op nieuw geroemd worde bij den volgenden trek, zoo lang er, namelijk, kaarten op den stok liggen.
§ 23.
Eene derde wijze van roem is er, voor een bijzonder geval, hetwelk bijzondere melding verdient, die, namelijk, den heer en de vrouw van troef te gelijk in handen heeft, zegt bij het opspelen van eene van die beide kaarten, stuk! en schrijft daarvoor, zonder dat hem dit partij door anderen roem, al werd die gelijktijdig gemeld, beletten kan, 20. Wanneer hem nu juist twintig of minder aan het gehele spel ontbreken, kan hij beide kaarten te gelijk op de tafel liggen, en zeggen: ik houde mij uit met stuk.Evenwel, indien ook partij met 20 ogen of minder uit ware, en eene derde hadde, zoude deze, als uit drie kaarten bestaande, den voorrang verdienen, en partij het spel gewonnen hebben.
§ 24.
Nog dient in het bijzonder gelet, dat men gewoonlijk niet al zijnen roem te gelijk in de hand bekomt, maar de kaarten daartoe allengs van den stok afneemt. Het vereist dus bijzondere oplettendheid, dat men 1.) onthouden, welke kaarten door partij gespeeld of groemd worden, ten einde niet te vergeefs op eene kaart te wachten, die niet meer in den stok is; 2.) dat men overigens den kans der waarschijnlijkheid voor de kaarten, welke men nog zoude kunnen inkrijgen, berekene, en daarna de reeds in de hand hebbende aanhoude of uitspele.
Tot het eerste behoort, dat, wanneer door een van beide spelers geroemd is, de andere speler opgespeeld hebbende, het regt heeft te vragen, van welke kaarten en welke kleur de roem geweest is.
Tot het tweede behoort, dat, bijvoorbeeld, van aas, heer, boer en tien, wanneer de negen opgespeeld is, nooit meer dan eene vijfde komen kan, en slechts door middel van ééne kaart, namelijk, de vrouw; terwijl daarentegen van vrouw, boer, tien en negen, op tweederlei wijze, namelijk , door de acht, of door den heer, eene vijfde kan worden, en welligt een zesde, zevende, naarmate de kaarten nog in het spel zijn.
§ 25.
De gemelde en door partij goedgekeurde roem moet geschreven worden eer men opspeelt, want indien de trek gedekt ware, eer men die geschreven had, zou dezelve voor dien trek niet meer gelden.

[bewerken] Het straffen.

§ 26.
Die zich uithoudt, zonder de nodige ogen te hebben, verliest het spel.
Voor verzaken, dat is: het niet bijspelen van de opgespeelde kleur, wanneer men die in de hand heeft, nadat er gene kaarten meer op stok zijn, schrijft de andere speler tot straffe 100 oogen aan zijne zijde.
Voor valsch roemen, of te veel aanschrijven 200 ogen; de tweede maal het verlies van het spel, en zelfs ‘’onder jan’’, indien men dit speelt.
Die met tien kaarten gespeeld heeft, moet al het door hem, in die gift, geroemde uitvegen, en mag in dezelve niet verder roemen. Desniettemin gaat het spel zijnen gang, en de partij telt, wat zij te roemen heeft. Wordt het ontdekt, terwijl er nog kaarten op stok zijn, zo moet degene die de tien kaarten heeft, eenmaal niet afnemen en overslaan. Wordt het eerst bij de laatste negen kaarten ontdekt, zoo moet hij zijne hoogste kaart afgeven, om die bij de ogen van de partij te laten tellen.

[bewerken] Aanmerking

Het vijfhonderden kan ook door drie personen worden gespeeld, zodat een hunner (de verliezer) na afloop van elk spel opstaat. Op deze manier kan men in een potje speelt, moet elk, zodra hij gaat zitten spelen, weder bijzetten, hetwelk getrokken wordt door degenen, die twee spellen achter een wint; als men in gelag speelt, moet de verliezer opstaan, als men om geld speelt, het zij veel of weinig, moet de winnaar opstaan en de verliezer blijven zitten.

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren