Vlaamse literatuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vlaamse literatuur
Portret van Hendrik Conscience door Jean-François Portaels,ca. 1870 (KMSK Antwerpen)
Portret van Hendrik Conscience door Jean-François Portaels,
ca. 1870 (KMSK Antwerpen)
Portaal  Portaalicoon   Literatuur
Hugo Claus tijdens de première van de speelfilm Het mes in 1961
Guido Gezelle op het naar hem vernoemde plein in Brugge
Hubert Lampo (foto Tom Ordelman)
Marc de Bel op de Boekenbeurs in Antwerpen (Foto: PieterDP)

Vlaamse literatuur is literatuur uit Vlaanderen en als dusdanig onderdeel van de Nederlandse literatuur. Nadat België in 1830 onafhankelijk werd van Nederland, begon zich ook een specifiek Vlaamse literatuur te ontwikkelen.

Daarnaast bestaat er ook nog een Vlaamse literatuur die zich van het Frans bedient, bijvoorbeeld Maurice Maeterlinck en André Baillon.

Voor 1830[bewerken]

1rightarrow blue.svg Nederlandse literatuur: de Middeleeuwen
1rightarrow blue.svg Voor de literatuur voor 1830 zie het hoofdartikel Nederlandse literatuur

In de middeleeuwen was het Vlaams samen met, later, het Brabants de dominerende literaire volkstaal. Dertiende-eeuwse teksten zijn vaak Vlaams. Bekende voorbeelden zijn Karel ende Elegast, Beatrijs, Ferguut en Van den vos Reynaerde. Aan die hegemonie zou pas een einde komen toen het noorden einde 16e en vooral in de 17e eeuw een cultureel en economisch overwicht kreeg.

Vlaanderen vormde met de Nederlanden een politiek en cultureel geheel tot 1579, toen als gevolg van de reformatie de gereformeerde noordelijke provinciën zich afzonderden van het rooms-katholieke zuiden.[1] Daardoor kreeg in het zuiden, Vlaanderen en Brabant, de literatuur een heel ander karakter. Aan de bloei van de middeleeuwse literatuur kwam een einde, terwijl in de 17e eeuw het noorden zijn 'Gouden Eeuw' zou beleven. Door de massale vlucht van de intellectuelen naar de Republiek der Nederlanden verdween de literatuur in de Zuidelijke Nederlanden (Vlaanderen) bijna van de kaart. In de door Fransen bezette Westhoek werkten markante figuren als Dominic De Jonghe (1654-1717) die Le Cid van Pierre Corneille in het Nederlands vertaalde, de dichter Michiel de Swaen (1654-1707) die het epos Het Leven en Dood van Jezus Christus (1694) en De gecroonde leerse schreef, en Willem Ogier van wie we onder meer de klucht Droncken Heyn (1639) en een reeks drama's met de titel De seven hooft-sonden (1682) kennen.[2]

Tijdens de 18e eeuw was de Vlaamse literaire productie aan de lage kant, net als in het hele Nederlandse taalgebied. In 1761 publiceerde de in Den Haag geboren Jan Des Roches [2] wel zijn Nieuwe Nederduytsche spraek-konst, een Nederlandse grammatica die de confrontatie aanging met het gebruik van het Latijn als cultuurtaal en het Frans als prestigieuze taal door een gestandaardiseerde Zuid-Nederlandse[3] taal uit te werken. De Brusselse advocaat Jan-Baptist Verlooy (1746-1797) schreef in Maastricht een Verhandeling op d'onacht der moederlyke tael in de Nederlanden (1788), een verslag over de status van de taal en de minachting waarmee ze in het verleden was behandeld.[2] Andere auteurs van belang waren Willem Verhoeven (1738-1809), Karel Broeckaert (1767-1826) (auteur van de Vlaamse volksroman Jelle en Mietje), en Jan-Baptist Hofman (1758-1835), auteur van burgerlijke tragedies.

Pas vanaf 1830, na de Belgische Revolutie waardoor de scheiding van België en Nederland een feit werd, zou er een grote opleving van de Vlaamse literatuur komen.

19e eeuw[bewerken]

Een van de eerste gevolgen van de Belgische Revolutie was een reactie tegen alles dat met Nederland te maken had, en de acceptatie van het Frans als de taal van vrijheid en onafhankelijkheid. De overheid onderdrukte in 1830 het officiële gebruik van het Nederlands, en daarmee ook het Vlaams. Enkele jaren voor 1830 had Jan Frans Willems (1793-1846) geprobeerd nog te bemiddelen tussen België en Nederland. Als archivaris in Antwerpen schreef hij een stuk over de geschiedenis van Vlaamse letterkunde. Na de revolutie maakten zijn Nederlandse sympathieën dat hij in afzondering moest gaan leven. In 1835 vestigde hij zich in Gent, en besloot zich in te gaan zetten voor de Vlaamse cultuur. Hij bewerkte oude Vlaamse klassiekers, Van den vos Reynaerde (1836), de rijmkronieken van Jan van Heelu en andere werken. Tevens kreeg hij een grote schare Vlaamse volgelingen waaronder Philip Blommaert (1809-1871), Karel Lodewijk Ledeganck (1805-1847), Frans Rens (1805-1874), Ferdinand Augustijn Snellaert (1809-1872) en Prudens Van Duyse (1804-1859).

Philip Blommaert richtte in 1834 in zijn thuisstad de Nederduitsche letteroefeningen op, een organisatie voor nieuwe schrijvers. Deze werd al snel opgevolgd door meerdere soortgelijke organisaties en literaire gemeenschappen. Deze hadden vooral tot doel het Vlaams te promoten in Vlaanderen. In 1851 kwam er een centrale organisatie voor Vlaamse propaganda, het Willemsfonds. De Vlaamse rooms-katholieke Kerk kwam in 1874 met een eigen organisatie, het Davidsfonds. De propaganda sloeg aan, en het Vlaams werd in 1893 wettelijk gelijk gesteld aan het Frans als taal voor België. In scholen bleef het Frans nog de voertaal, tot 1883. In 1886 werd een Vlaamse academie opgericht in Gent. Reeds in 1854 kon men in Gent Vlaamse literatuur studeren.

De eerste dichter van deze nieuwe school was Karel Lodewijk Ledeganck, die vooral bekend is voor zijn gedichten over de drie zustersteden Brugge, Gent en Antwerpen. Deze gedichten werden gebundeld in De drie zustersteden, vaderlandsche trilogie, die werd uitgegeven in Gent in 1846. In deze gedichten protesteerde hij tegen Franse ideeën, manieren en taal. Zijn werk werd al snel tot de Vlaamse klassiekers gerekend. Ledeganck vertaalde tevens de Franse code in het Vlaams.

Jan Theodoor van Rijswijck (1811-1849) vestigde zich als klerk in Antwerpen, en werd een van de belangrijkste leden van de Vlaamse beweging. Hij schreef een serie politieke en satirische liederen. De romantische dichter Jan Van Beers had een typisch Vlaamse kijk op het leven. Prudens van Duyse, wiens meest ambitieuze werk het epische Artevelde (1859) was, staat vandaag de dag vooral bekend om zijn collectie kindergedichten uit 1844. Pieter Frans van Kerckhoven (1818-1857), een inwoner van Antwerpen, schreef romans, gedichten, drama’s en een werk over de Vlaamse heropleving (De Vlaemsche Beweging, 1847).

Een van de eerste Vlaamse realistische schrijvers was Jan Lambrecht Domien Sleeckx (1818-1901). Hij was inspecteur voor scholen en literair criticus. Hij was in 1844 een van de oprichters van de Vlaemsch Belgie, de eerste dagelijkse krant geheel in het Vlaams. Zijn werken tellen onder andere een groot aantal toneelstukken, waaronder de komedie Jan Steen (1852), Gretry (waarvoor hij een nationale prijs kreeg in 1861), Vissers van Blankenberge (1863), en het patriottische drama Zannekin (1865). Hij was vooral goed in het omschrijven van het leven in de Antwerpse haven. Onder zijn romans bevinden zich In't Schipperskwartier(1856), Dirk Meyer (1860), Tybaerts en Cie (1867), Kunst en Liefde (1870), en Vesalius in Spanje (1895). Zijn werken zijn allemaal gebundeld in 17 boeken (1877-1884).

Jan Renier Snieders (1812-1888) schreef romans over Noord-Brabant. Zijn broer August Snieders (1825-1904) schreef aanvankelijk historische romans, maar stapte al snel over op satirische werken. Andere bekende namen in de vroege Vlaamse literatuur zijn de zussen Rosalie (1834-1875) en Virginie Loveling (1836-1923). Zij schreven een collectie simpele, maar succesvolle verhalen, en een gedichtenbundel. Vooral Virginie Loveling werd bekend, onder andere met haar politieke schetsen uitgebracht onder de titel In onze Vlaamsche gewesten (1877).

20e eeuw[bewerken]

In de 20e eeuw bleef de Vlaamse literatuur zich ontwikkelen. Zo werd ze onder andere beïnvloed door internationale literaire ontwikkelingen.

De collaboratie van de Vlaamse beweging met de Duitsers en de verwerking hiervan na de oorlog wordt ook wel 'Het Tweede Wereldoorlogtrauma' genoemd.

Na de Eerste Wereldoorlog werd de dichter Paul van Ostaijen een belangrijk vertegenwoordiger van het expressionisme. Tussen de twee wereldoorlogen waren Gerard Walschap, Willem Elsschot en Marnix Gijsen prominente Vlaamse schrijvers.

Na de Tweede Wereldoorlog verscheen het eerste avant-garde tijdschrift Tijd en Mens. Dit tijdschrift werd gepubliceerd van 1949 tot 1955. In 1955 werd het blad opgevolgd door Gard Sivik, dat tot 1964 verscheen. Een van de belangrijkste Vlaamse schrijvers van de jaren 50 was Hugo Claus. Zijn werk droeg voor een belangrijk deel bij aan de heropleving van de Vlaamse literatuur na de Tweede Wereldoorlog. ‘Het verdriet van België’ van Hugo Claus heeft voor een verandering in de mentaliteit van de Vlaamse literaire wereld gezorgd. Daarvoor had de grootste Vlaamse schrijver, Louis Paul Boon, al meesterwerken geschreven. ‘De Kapellekensbaan’ is een monument in de Vlaamse (en in het algemeen in de Nederlandstalige) literatuur, reeds gepubliceerd in de jaren 50. Boon kreeg pas late erkenning en wordt ook heden ten dage vaak vergeten. Zijn werk als dichter wordt ook onderschat: in 1957 won hij de Henriette Roland Holst-prijs voor ‘De kleine Eva uit de kromme Bijlstraat’. Zeker na het verschijnen van de Engelse vertaling van ‘De Kapellekensbaan’ in 1972 werd Boon beschouwd als een ernstige kandidaat voor de Nobelprijs voor literatuur maar die heeft hij uiteindelijk niet gekregen.

Ook het debuut van Herman Portocarero ‘Het anagram van de wereld’ werd in 1984 als een werk van internationale klasse onthaald. Schrijvers werden eerst nog ‘de stille generatie’ genoemd, maar mede door bovengenoemde feiten groeide het zelfbewustzijn van Vlaamse schrijvers en kropen ze uit hun schulp. Ze eisten de aandacht op en werden 'angry young Belgen' genoemd, omdat ze nu pas de aandacht naar zich konden toetrekken en daarover lichtelijk verbolgen en gefrustreerd waren. Bovendien was er weinig subsidie voor Vlaamse schrijvers. Het werd daarom ook wel het 'Catastrofen’ budget voor de letteren' genoemd.

Andere naoorlogse schrijvers waren Anton van Wilderode en Christine D'Haen.

Vaak terugkerende thema's in de Vlaamse literatuur zijn: De uitwassen van de taalstrijd. Juist doordat het Frans een tijd overheerste kwam er een tegenreactie van de Vlaamse kant. Zij wilden het Vlaams puur houden. Ze wilden zich hiermee ook afzetten tegen de Franse taal. Andere thema's zijn: de kleinburgerlijkheid en zelfgenoegzaamheid, mede veroorzaakt door het katholicisme, gebrek aan durf en openheid, politiek cliëntelisme, culturele middelmatigheid en het bekrompen katholicisme.

(Bovenstaande motieven en of thema's komen allemaal terug in 'Het verdriet van België' van Hugo Claus, maar ook in boeken van andere Vlaamse schrijvers)

Auteurs Ivo Michiels en Paul de Wispelaere vertegenwoordigden de nieuwe roman. In de jaren 80 bleven Walter van den Broeck en Monika van Paemel doorschrijven in de stijl van Louis Paul Boon. Andere belangrijke auteurs waren Ward Ruyslinck en Jef Geeraerts, Patrick Conrad Kristien Hemmerechts, Eric de Kuyper, Stefan Hertmans, Pol Hoste, Paul Claes, Anne Provoost en Jos Vandeloo.

Noord-Nederlandse vs. Vlaamse literatuur[bewerken]

Jaartallen als 1579 en 1830 zijn historische ankerpunten die implicaties hebben voor de literaire geschiedschrijving, zonder dat daar overdreven nadruk op gelegd hoeft te worden. Men kan ook enigszins vloeiende overgangen aangeven. Verder wordt met name voor de tijd na de Tweede Wereldoorlog het onderscheid Noord-Nederlands versus Vlaams minder gemaakt, maar soms nog wel in het onderwijs.[4] Schrijvers als Stijn Streuvels en Virginie Loveling kunnen nog als meer specifiek Vlaams worden gezien. Dat geldt al minder voor Herman Teirlinck en Cyriel Buysse. Het geldt in het geheel niet meer voor Willem Elsschot.

Overzicht[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • Ida van Duringsfeld, Von der Schelde bis zur Maas: Das geistige Leben der Vlamingen seit dem Wiederaufblühen der Literatur. Biographien, Bibliographien, und Proben, (Leipzig, 3 vols., 1861)
  • J. Stecher, Histoire de la littérature néerlandaise en Belgique, (1886)
  • Theodoor Coopman en L. Scharpé, Geschiedenis der Vlaamsche Letterkunde van het jaar 1830 tot heden, De Nederlandsche Boekhandel, (1899)
  • A. de Koninck e.a., Bibliographie nationale, (1886-1897)
  • Paul Hamelius, Histoire politique et littéraire du mouvement flamand, (1894)
  • Frans de Potter, Vlaamsche bibliographie : lijst der boeken, vlug- en tijdschriften, muziekwerken, kaarten, platen en tabellen, in België van 1830 tot 1890 verschenen. Uitgegeven op last der Koninklijke Vlaamsche academie voor taal- en letterkunde, (1893)
  • Wilhelmus Jacobus Arnoldus Huberts, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandsche letterkunde, (1878)
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Zie Unie van Utrecht
  2. a b c de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren
  3. . In zijn Nederlandse spraakkunst en woordenboeken volgt Des Roches de Brabants-Antwerpse accentspelling (met toonteken op de zachtlange ee en oo), die omstreeks 1750 te Antwerpen in gebruik was gekomen, benevens andere Zuid-Nederlandse spellingeigenaardigheden. (bron: DBNL)
  4. In de jaren 1960 heette in Vlaanderen het handboek cursorische lectuur voor het vak Nederlands "Van Zuid en Noord". Een titel die benadrukte dat men in de Vlaamse scholen breeddenkend was om zowel Zuid-Nederlandse als Noord-Nederlandse literatuur te behandelen, maar anderzijds wel verraadde dat er wel degelijk een verschil werd aangevoeld.