Vleetvisserij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Logger, de netten (vleet) binnenhalend

De vleetvisserij was een passieve vorm van zeevisserij en deze dan met name op haring. Hierbij werd gebruikgemaakt van zogenaamd staand want of staande netten. Een reeks van dergelijke met elkaar verbonden haringnetten vormde samen een vleet.

Enkele kilometers[bewerken]

Uitgezet vanaf het vissersschip - eerder de bomschuit en de buis, later de logger en de sloep - hing een vleet als het ware in zee als een afhangend gordijn dat een lengte had van enkele kilometers. Alhoewel de uitgangspunten van de vleetvisserij overeenkwamen - het vissen van haring met staand want - was de opbouw van de vleten van de Hollanders anders dan die van de Schotten. Men kende dan ook de onderscheiding Hollandse vleet en Schotse vleet, ook wel respectievelijk de zinkvleet en de drijfvleet genoemd.

De vleet werd in de late namiddag uitgezet - schieten genaamd - en 's nachts binnengehaald wat werd aangeduid als halen. De haring, door het zeewater trekkend in scholen, had zich in de loop van de uren vastgezwommen in de mazen van de netten. Ze bleef daarbij met de kieuwen haken achter het katoenen garen waarvan een haringnet was vervaardigd.

De vleet[bewerken]

Een vleet telde eerder omstreeks 70 tot 100 en in latere jaren 100 tot 140 netten. De netten waren droog per stuk ongeveer 30 meter lang en 15 meter breed. In zee hangend waren deze afmetingen geringer. Een vleet had in elk geval - in zee uitgezet - een totale lengte van enkele kilometers. De bovenzijde van een vleet werd voorheen drijvend gehouden door zogeheten - tonvormige houten - breels. Later werden deze vervangen door ballonvormige blazen die met lucht waren gevuld. De netten waren aan de onderzijde verzwaard. Hierdoor hingen ze af als een gordijn of stonden in zee als een muur. De onderstaande (Duitse) illustratie toont het beeld van een aan zijn vleet liggende logger.

Deze illustratie behoeft een kleine correctie. De tekening toont bijna rechts een afbeelding van een drijflichaam dat het joon werd genoemd. De benaderende lengte van een vleet werd al aangegeven: enkele kilometers. Om nu vanaf het schip de ligging in zee van zijn vleet te kunnen overzien werd halverwege de vleet een, op een dobber lijkende, halve vleet-joon bevestigd, met daaraan één vlaggetje. Geheel aan het einde van een vleet trof men een zogenaamde uiterjoon aan. Die voerde twee vlaggetjes. De illustratie hier suggereert nu, met zijn twee vlaggetjes, een daar aanwezige uiterjoon. Maar die bevindt zich dan wel op een plaats waar een halve vleet-joon zou moeten worden afgebeeld.

Schematische weergave ervan[bewerken]

miniatur Hollandse vleet 1: Water 2: Reep 3: Breels, later vervangen door 'blazen' 4: Joon 5: Breeltouw, 6m 6: Seizing, 8m 7: Speerreep met kurken vloten en stalen 8: Zinkmateriaal, lood, onder de netten 9: Netten, elk 15x30m. (In zee hangend waren de afmetingen geringer)

Bemanning in rang en aantal[bewerken]

De naoorlogse loggervloot telde 15 bemanningsleden. Voor wat betreft Vlaardingen kon dat één man meer zijn. In de beide gevallen is uitgegaan van de tijd waarin de loggers waren voorzien van een motor. Dit had een toevoeging van een motordrijver of monteur tot gevolg. Het betrof de jaren twintig/dertig van de 20e eeuw. Voordien voeren de loggers uitsluitend bezeild. Het was overigens niet ongebruikelijk dat een reder, waar het ging om een fortuinlijke schipper, ook diens zoon liet opklimmen tot de eindrang van schipper. De opdeling in rangen en aantallen was als volgt:

Gage[bewerken]

Onder de bemanning werd omstreeks 25% van de besomming opgedeeld; genoemd percentage is een aanname want het wisselde nogal in de loop van de tijd van lager naar hoger. Het bewuste bedrag werd via een bepaald rekensysteem omgezet in z.g. achtsten. Een schipper kreeg 16/8e -, de stuurman 12/8e -, de motordrijver 10/8e -, een matroos 8/8e -, een jongste matroos 7/8e -, de oudste 6/8e -, de jongste 5/8e -, de reepschieter 4/8e -, de afhouder 3/8e deel.

Zondagsrust[bewerken]

Op de zondagen werd niet gevist: dit was naar bijbelse opvattingen een rustdag. Die rustperiode werd al op zaterdagavond ingeluid door het bakken en eten van pannenkoeken. Dit bakken behoorde tot een der taken van een oudste. Wanneer het vaartuig in de wateren rond Lerwick vissende was voer het naar een baai waaraan de vissersplaats Lerwick was gelegen. Voor de Nederlandse vissers maar ook voor hun gezinnen was de aanduiding 'de Baai' voldoende om te begrijpen waar het vissersschip zich bevond. Omdat de schepen afgemeerd aan de kade of voor anker in de baai lagen konden de vissers de wal op.

Vanaf de voor anker liggende schepen werd voor de bemanning een roeiboot uitgezet om naar de vaste wal te gaan. Niet iedereen maakte daarvan gebruik. Op zaterdagmiddagen deden vissers aan de wal nog wat inkopen. In Lerwick zelf werd voor de Nederlandse vissers op zondagen een kerkdienst gehouden. Aangezien vrijwel gelijktijdig ook het Hospitaal-kerkschip De Hoop in Lerwick afmeerde ging de aan boord van dit schip aanwezige predikant voor in zo'n kerkdienst. Vissers konden in het weekeinde ook nog de scheepsarts van 'De Hoop' raadplegen.

Einde vleetvisserij[bewerken]

Aan het eind van de jaren zestig van de 20e eeuw maakte de (passieve) vleetvisserij op haring plaats voor de (actieve) trawlvisserij. Hierbij werd een groot sleepnet door het varende vissersschip voortgetrokken. Samen met het einde van de vleetvisserij kwam ook een einde aan het gebruik van de logger en de sloep als vissersvaartuig.

Varia[bewerken]

De uitdrukking "bij de vleet" verwijst naar iets dat in grote hoeveelheid, maar niet per se in hoge kwaliteit beschikbaar is. Bijvoorbeeld: "Zij heeft geld bij de vleet" of "Zij heeft vriendjes bij de vleet". De uitdrukking verwijst naar de haring die met de vleet in ongekende hoeveelheden gevangen kon worden.[1]

Bronnen en voetnoten
  • mr. A. Beaujon - Nederlandsche zeevisscherijen, 1885
  • J. Bom e.a. - Visserijmethoden, 1963
  • A. Hoogendijk Jz. - De grootvisserij op de Noordzee, 1895
  • dr. H.A.H. Kranenburg - De zeevisscherij van Holland in den tijd der Republiek, 1946
  • A.C. Ligthart - A.E. Maas, 1966
  • A.C. Ligthart - De Vlaardingers en hun haringvisserij, 1966
  • E.W. Petrejus - De bomschuit, een verdwenen scheepstype, 1954
  • Piet Spaans en Gijsbert van der Toorn - Vertel me wat van Scheveningen..., 1998
  • Piet Spaans - Bouweteelt, 2007