Voetwortelbeen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De voetwortelbeentjes, op linkerafbeelding van onderaf gezien, rechts van bovenaf:
A=calcaneus (hielbeen), B=talus (sprongbeen), C=os cuboides, D=os naviculare, E=os cuneiforme laterale, F=os cuneiforme intermedium, G=os cuneiforme mediale.
In donkergrijs de middenvoetsbeentjes

De voetwortelbeenderen of ossa tarsi[1] zijn de botten in de voet, gelegen tussen het scheenbeen (tibia) en het kuitbeen (fibula) enerzijds en de vijf middenvoetsbeentjes (één voor elke teen) anderzijds. De botjes bij elkaar worden tezamen ook wel voetwortel of tarsus (van het Griekse ταρσός, voet(zool)) genoemd. Het gewricht dat het scheenbeen en het kuitbeen met de voetwortel maakt, wordt het enkelgewricht genoemd.

De zeven standaard bij de mens voorkomende voetwortelbeenderen zijn:

Accessoire voetwortelbeentjes[bewerken]

Veel mensen hebben nog extra voetwortelbeentjes, die gedurende de embryonale ontwikkeling als extra botopbouwpunt ontstaan. In sommige studies is sprake van accessoire voetwortelbeentjes bij maar liefst 36% van de mensen.[5] Voorbeelden van deze extra voetwortelbeentjes zijn de volgende:[6][7]

Bij dieren[bewerken]

Bij zoogdieren komt hoofdzakelijk dezelfde zevendeling van de tarsus voor als bij de mens, met verschillen tussen de zoogdieren onderling.

De tarsus bestaat uit:

Bij het varken en de vleeseters komen alle zeven voetwortelbeenderen voor.[8] Bij het paard zijn de ossa tarsi I et II versmolten[8] en wordt vervolgens het os cuneiforme mediointermedium genoemd.[9] Bij het rund zijn het os tarsi centrale en het os tarsi IV versmolten[8] en wordt het geheel het os centroquartale,[9] het os naviculocuboideum[9] of het os centrotarsale[8] genoemd. Ook zijn bij het rund de ossa tarsi II et III versmolten[8] en wordt het geheel het os cuneiforme intermediolaterale[9] genoemd.

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. Federative Committee on Anatomical Terminology (FCAT) (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme
  2. a b c d e f International Anatomical Nomenclature Committee (1983). Nomina Anatomica, together with Nomina Histologica and Nomina Embryologica. Baltimore/London: Williams & Wilkins
  3. Hafferl, A. (1953). Lehrbuch der topographischen Anatomie. Berlin/Göttingen/Heidelberg: Springer Verlag.
  4. Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  5. R.W. Kruse, J. Chen. Accessory bones of the foot: clinical significane. Mil Med. 1995; 160: 464-467
  6. T.E. Keats, M.W. Anderson, Atlas of normal roentgen variants that may simulate disease., 7th edition, Mosby Inc. 2001, ISBN 0-323-01322-8
  7. R. O'Rahilly. A survey of carpal and tarsal anomalies. J Bone Joint Surg Am. 1953; 35: 626-642
  8. a b c d e f g h Koch, T., Berg, R., & Heinze, W. (1970). Lehrbuch der Veterinär-Anatomie.Band I. Bewegungsapparat. (2. Auflage). Jena: VEB Gustav Fischer Verlag.
  9. a b c d e f g h i j k l International Committees on Veterinary Gross Anatomical Nomenclature, Veterinary Histological Nomenclature, & Veterinary Embryological Nomenclature (1994). Nomina Anatomica Veterinaria together with Nomina Histologica and Nomina Embryologica Veterinaria. Zürich/Ithaca/New York.