Volkert Overlander

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Volkert Overlander
Volkert Overlander, schilderij door Cornelis van der Voort
Volkert Overlander, schilderij door Cornelis van der Voort
Heer van Purmerland en Ilpendam
Periode 1618 - 1630
Voorganger De steden Edam en Monnikendam
Opvolger Geertruid Hooft
Vader Nicolaes Overlander
Moeder Catharina Sijs

Mr. Volkert Overlander (ook Volcker(t) Overlander) (Amsterdam, 7 oktober 1570 - Den Haag, 18 oktober 1630) was een edelman, rechtsgeleerde, reder, koopman en een Amsterdamse regent uit de Gouden Eeuw.

Overlander werd geboren als zoon van Nicolaes Overlander en Catharina Sijs.[1] Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Leiden en promoveerde aan de Universiteit van Basel in 1595. Overlander trouwde in 1599 met Geertruid Hooft.[2] Zijn zuster Gertruid (1577–1653) huwde met Geertruids broer Pieter Jansz Hooft. Uit dit huwelijk werden tien kinderen geboren, onder wie Maria en Geertruid Overlander (1609–1634). Maria huwde met Frans Banning Cocq, en Geertruid met Cornelis de Graeff.

Overlander bewoonde het huis De Dolphijn, een grachtenpand aan de Singel. Tussen 1614 en 1621 was hij raad bij de Admiraliteit van Amsterdam. Hij was ook benoemd tot een van de commissarissen van de Amsterdamse Wisselbank.[3]

In 1618 kocht hij de hoge heerlijkheid Purmerland en Ilpendam. Hij liet in 1622 het slot Ilpenstein, niet ver van Ilpendam, bouwen op een oude, in het begin van de Tachtigjarige Oorlog opgeworpen, schans.

In 1620 werd hij door Jacobus I van Engeland tot ridder verheven.

Overlander werd in 1621 en opnieuw in 1628 benoemd tot Amsterdamse burgemeester.[4] Ook was hij in Den Haag tussen 1628 en 1629 gecommitteerde ter Staten van Holland en West-Friesland voor Amsterdam.

Overlander werd voor een fiscaal vermogen van 150.000 gulden aangeslagen.

Bronnen, noten en/of referenties

Voetnoten:

Literatuur

  • Elias, J.E., De vroedschap van Amsterdam (1903-5 Haarlem), p. 274
  • Moelker, H.P., De heerlijkheid Purmerland en Ilpendam (1978 Purmerend), p. 120-124