Volksraadpleging

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een volksraadpleging of referendum is het voorleggen van een vraag met betrekking tot wetgeving aan de kiesgerechtigden in een land of een bepaald gebied. Dit voorleggen gebeurt door een bepaalde overheid (al of niet in opdracht van de desbetreffende bevolking). Net als bij verkiezingen komen de kiesgerechtigden naar het stembureau of stemmen op afstand en maken hun keuze met betrekking tot de vraag.

Wanneer de overheid juridisch niet verplicht is de uitslag te respecteren, spreken we van een volksraadpleging. Wanneer de uitslag bindend is spreekt men van een referendum.

Soorten[bewerken]

Er zijn verschillende soorten volksraadplegingen of referenda:

  • Referenda kunnen bindend of niet bindend zijn. Bij een bindend referendum wordt, meestal bij een hogere dan een vooraf vastgestelde minimale opkomst, de uitslag overgenomen. Bij een niet bindend of adviserend referendum wordt de uitslag beschouwd als een advies aan de volksvertegenwoordiging en kan het overgenomen worden. Dat is meestal ook het geval.

Dan zijn er nog soorten referenda afhankelijk van het onderwerp of de procedure:

  • Een raadgevend referendum is een door de bevolking aangevraagd referendum.
  • Een raadplegend referendum is een door de politiek aangevraagd referendum. Dat kan door het bestuur zijn of door de volksvertegenwoordiging.
  • Een correctief referendum is een referendum waarbij een besluit van de volksvertegenwoordiging tegengehouden kan worden.
  • Een keuzereferendum is een referendum waarbij niet voor of tegen een bepaald voorstel gestemd kan worden, maar gekozen kan worden tussen alternatieven. Dat kan zijn aansluiting bij de ene of de andere gemeente, bouwplan A of bouwplan B.
  • Een volksinitiatief is de mogelijkheid voor burgers zelf iets op de politieke agenda te zetten. Vaak wordt geëist dat een minimaal aantal mensen dit initiatief ondersteunen.

Landen[bewerken]

Onder meer de volgende landen kennen een referendum: Australië, België, Brazilië, Canada, Chili, Costa Rica, Denemarken, Egypte, Frankrijk, Hongkong, IJsland, Irak, Iran, Ierland, Italië, Kroatië, Malta, Moldavië, Marokko, Nederland, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Pakistan, Portugal, Puerto Rico, Roemenië, Servië, Singapore, Slovenië, Spanje, Taiwan, Thailand, Turkije, Uruguay, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten, Zweden en Zwitserland. In Zwitserland heeft men de meeste ervaring opgedaan met referenda, die in de Grondwet (Bundesverfassung) zijn vastgelegd (zie Referendum in Zwitserland).

Situatie in Nederland[bewerken]

Referendum in Utrecht voor het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa alsmede de verruiming van de winkelsluitingstijden in 2006.

In Nederland waren volksraadplegingen van 2002 tot 2005 geregeld in de Tijdelijke referendumwet. Alleen niet-bindende correctieve referenda (dus volksraadplegingen) waren toen mogelijk, alleen over wetten die door de Tweede Kamer zijn aangenomen. Dat is niet gebeurd. Voor het referendum over de Europese Grondwet is een aparte wet aangenomen.

Op lokaal niveau zijn referenda soms mogelijk door plaatselijke verordeningen.[1]
D66 pleit sinds 1986 voor het invoeren van referenda. Sinds 2001 is het mogelijk via een raadplegend referendum de bevolking te laten kiezen tussen twee kandidaten voor het burgemeesterschap van een gemeente. Dit is echter in 2008 weer afgeschaft, wegens lage opkomsten.[2]

Als bij een referendum over een wet of verordening een voldoende meerderheid voor of tegen deze wet of verordening stemde, is het een geldig referendum. Volgens de Tijdelijke referendumwet is een wet of verordening afgewezen als de meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen tegen is, en die meerderheid ten minste 30% van het aantal kiesgerechtigden omvat. In dat geval is de overheid verplicht het wetsvoorstel te heroverwegen.

In juni 2005 is in Nederland voor het eerst in 200 jaar een landelijk raadplegend referendum gehouden over het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa. Zie hiervoor Referendum Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa. Het was het gevolg van een initiatiefwetsvoorstel van Farah Karimi (GL), Niesco Dubbelboer (PvdA) en Boris van der Ham (D66).

Veel gemeenten en enkele provincies hebben in een referendumverordening geregeld op welke wijze een referendum kan worden aangevraagd en wanneer de uitslag gezien wordt als een advies voor de volksvertegenwoordiging.

Situatie in België[bewerken]

In België is momenteel alleen een volksraadpleging op gemeentelijk of provinciaal niveau mogelijk.

Situatie in Vlaanderen[bewerken]

In tegenstelling tot de politieke verkiezingen is deelname aan een volksraadpleging in Vlaanderen niet verplicht. Oorspronkelijk was een opkomst van 40% vereist voor een geldige volksraadpleging. In het nieuwe gemeentedecreet en provinciedecreet is de minimale opkomst verlaagd. Afhankelijk van het aantal inwoners moet het aantal uitgebrachte stemmen minstens 10 à 20% zijn van het totaal aantal inwoners om de uitgebrachte stemmen te mogen tellen. Alle inwoners ouder dan 16 jaar zijn stemgerechtigd. De uitslag van een volksraadpleging is in Vlaanderen niet bindend.

Het gemeentelijk referendum wordt in Vlaanderen geregeld door art 205 e.v. van het gemeentedecreet.[3]

Het provinciaal referendum wordt geregeld door art. 198 e.v. van het provinciedecreet.[4]

Volksraadplegingen

  • Op 13 oktober 1996 werd de allereerste volksraadpleging in Vlaanderen gehouden te Genk, de tweede in België (na Ath). Deze volksraadpleging handelde over het Fenix-project dat destijds voorzien werd op de mijnterreinen van Waterschei en kwam er dankzij de VLD-oppositie in de Genkse gemeenteraad, die voldoende handtekeningen wist te verzamelen om deze volksraadpleging te laten doorgaan. Omdat 37% van de kiesgerechtigden zijn stem kwam uitbrengen en de vereiste 40% niet werd gehaald, werd het resultaat niet bekendgemaakt. Het Fenixproject ging uiteindelijk niet door omdat de socio-economische vergunning werd geweigerd.
  • Op 14 december 1997 werd in Gent als gevolg van burgerinitiatief een volksraadpleging georganiseerd over de geplande bouw van de een ondergrondse parkeergarage in het stadscentrum. 41,12% van de 168.000 kiezers bracht een stem uit en daarvan stemde 95% tegen de parkeergarage.
  • Op 28 juni 1998 werd in Sint-Niklaas een volksraadpleging gehouden over de bouw van een ondergrondse parking op de Grote Markt. 40,28% (20.888) van de 51.858 kiesgerechtigden kwam opdagen en hiervan stemde 92% (19.217) tegen de parking. Tijdens een parlementair debat in oktober 2009 verklaarde Lieven Dehandschutter (N-VA) dat hij destijds als schepen huiverig was tegen deze volksraadpleging. Tevens merkte hij op 'dat de voorstanders toen het project hebben gekelderd, want als ze zouden zijn thuisgebleven, was de volksraadpleging ongeldig geweest'.[5]
  • Op 28 juni 1998 werd in Boechout een volksraadpleging gehouden over de bouw van een bibliotheek. 49,5% (4.404) van de 8.897 kiesgerechtigden kwam opdagen en hiervan stemde 72,7% (3.204) tegen de bouwplannen voor de bibliotheek. Het gemeentebestuur had eerder aangekondigd dat ze slechts zou afzien van haar plannen als 40% van alle kiesgerechtigden 'neen' zouden stemmen en ging dus door met het project.
  • Op 9 juni 2002 werd er wederom een volksraadpleging gehouden in Genk, ditmaal op vraag van de VLD- en de SPa-oppositie in de Genkse gemeenteraad. Deze volksraadpleging handelde over het nieuwe in te richten stadsplein waarop een schouwburg, een ondergrondse parkeergarage, een winkelcentrum, een bibliotheek en een jeugdcentrum voorzien werden. Ditmaal kwamen wel voldoende stemgerechtigden hun stem uitbrengen zodat de uitslag bekendgemaakt mocht worden. De Genkse bevolking wees de plannen af, vooral doelend op de voorziene schouwburg. De CD&V-meerderheid kon niet anders dan haar huiswerk opnieuw te doen en de plannen aan te passen. De aangepaste plannen zijn intussen gerealiseerd en de schouwburg verhuisde uiteindelijk naar C-mine op de mijnterreinen van Winterslag.
  • In Mechelen verzamelde het actiecomité Diftar in januari 2005 8.668 handtekeningen voor het afdwingen van een volksraadpleging over het gebruik van zak of bak voor de afvalophaling. Op 22 januari 2005 stelde burgemeester Somers de actiegroep voor om samen in een werkgroep te zoeken naar de beste oplossing. De actiegroep besloot dat door dit voorstel er niet langer een bestuurlijke veto was tegen de gelijktijdige ophaling van bak en zak. Er werd geen volksraadpleging georganiseerd.
  • Op 24 april 2005 werd in Assenede gepeild naar de mening van de inwoners over de inplanting van een te bouwen sporthal. 1.490 kiezers of 11,04% van de 13.495 kiezers brachten hun stem uit. De stemmen werden niet geteld omdat minder dan 20% van de kiezers deelnam aan de volksraadpleging. Burgemeester De Coninck beschouwde de lage opkomst als een duidelijk signaal in de richting van de verkozenen dat enkel zij verantwoordelijk zijn om een geschikte plaats te kiezen voor de bouw van de sporthal.
  • Op 14 december 2008 werd in Lier een volksraadpleging georganiseerd over de heraanleg van de Grote Markt. 36,9% van de kiezers bracht een stem uit en 55% stemde niet in met het voorgestelde plan.
  • Op 18 oktober 2009 werd in Antwerpen een volksraadpleging georganiseerd als gevolg van een burgerinitiatief van de actiegroep Ademloos over het advies van de stad over de bouw van de Oosterweelverbinding op het BAM-tracé. De actiegroep Ademloos en het burgercollectief stRaten-generaal drongen er op aan dat ook een vraag zou gesteld worden over een alternatieve tunneloplossing. Dit zou volgens hen de bevolking ook de kans bieden om zich positief uit de drukken tijdens de volksraadpleging. De gemeenteraad van Antwerpen besliste op 3 september 2009 enkel een vraag te stellen over het BAM-tracé. 35% van de kiezers bracht een stem uit en 59,24% van de kiezers oordeelde dat de stad een negatief advies diende te leveren voor de bouwvergunningsaanvraag voor het voorliggend BAM-tracé van de Oosterweelverbinding. Journalist Bart Brinckman trok de legitimiteit van de volksraadpleging in twijfel. "Op de keper beschouwd heeft 20% van de Antwerpenaren neen gezegd en 14% ja" schreef hij in zijn openingsstuk. “Twintig procent van de Antwerpenaren kantte zich tegen de Lange Wapperbrug. Haast 80 procent heeft er geen probleem mee of vond het onderwerp niet belangrijk genoeg voor een wandeling naar het kieslokaal.", oordeelde hij die dag in een volgend stuk. Op 21 juli 2010 ontvingen de beide actiegroepen de Prijs van de democratie. De jury oordeelde dat de beide organisaties aantoonden hoe het mogelijk is om, in tijden waar iedereen de mond vol heeft van de apathische burger, de democratie te versterken.
  • Op 1 september 2013 is er in Sint-Niklaas een volksraadpleging georganiseerd over de vraag 'Moet het stadspersoneel instaan voor de huis-aan-huisophaling van het restafval?'. Dit referendum werd door de vakbonden aangevraagd met 9.254 handtekeningen (7.325 waren vereist).[6] Er kwamen ongeveer 17% van de kiesgerechtigden stemmen. Hiervan stemde 84% 'ja'. Het stadsbestuur besloot op basis van de opkomst om de resultaten van dit referendum te negeren.[7]

Koningskwestie[bewerken]

Een beroemd/berucht Belgisch plebisciet was dat omtrent de Koningskwestie, in 1950 keurde de regering Eyskens een referendum goed,dat de wet op onmogelijkheid tot besturen ophief en zou moeten beslissen over de terugkeer van Leopold III. Dit referendum wees uit dat 57% van de Belgen voor een terugkeer van de koning was (Al heerst er vaak de foute perseptie dat het hier ging om een stemming met Vlaanderen pro en Wallonië contra, dit is echter ongenuanceerd en niet helemaal correct. Het waren enkel de provincies Luik en Henegouwen (progressief socialistische regio's) die tegen de terugkeer waren). De koning vond dat dit, ondanks de zeer nipte 57%, een ontegenspreekbare meerderheid was en keerde terug. De regering Eyskens en prins Karel, toenmalig regent en broer van de koning, waren impliciet tegen deze terugkeer omdat ze wisten dat de terugkeer tot groot ongenoegen zou leiden bij een deel van de bevolking. Dat zou het land in gevaar brengen. Zij kozen dus voor de vlucht vooruit, Eyskens bood het ontslag van de regering aan, met de bijhorende misnoegdheid van het volk. Dit leidde tot rellen en doden met als gevolg dat de positie van Leopold onhoudbaar werd. Eindelijk zag Leopold in dat hij nog maar 1 kans had om de monarchie en daarmee het land te redden: hij trad af en zijn toen nog zeer jonge zoon Boudewijn werd koning. Dit volksreferendum was een eenmalig gegeven. De bijna falicante uitkomst van dit referendum voor het land, zou er mede voor zorgen dat dit ineens ook het laatste nationale referendum was. Nu zijn in België enkel nog referenda mogelijk op gemeentelijk of provenciaal niveau.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen