Voorhuid van Jezus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Besnijding van Jezus door Luca Signorelli rond 1500
Besnijding van Jezus door Friedrich Herlin uit 1466

De voorhuid van Jezus, ook wel Preputium Domini speelt een rol binnen de christelijke kerk. Jezus werd volgens de Bijbel besneden. Jezus werd volgens de joodse traditie acht dagen na zijn geboorte besneden. Dat was en is gebruikelijk bij jongetjes uit het Joodse volk.

Zijn voorhuid, volgens diegenen die in zijn goddelijkheid geloven een belangwekkend maar raadselachtig object, wordt dan ook wel de "heilige voorhuid" of het "Preputium Domini" genoemd. Het in de jeugd weggesneden stukje huid zou volgens de redenering van de theologen als enig lichaamsdeel zijn achtergebleven toen Jezus veertig dagen na Pasen ten hemel steeg.

Volgens apocriefe boeken over de kinderjaren van Christus werd Jezus in een grot besneden. De vroedvrouw stopte de voorhuid vervolgens in een albasten kruik die gevuld was met nardusolie. De vroedvrouw gaf de kan vervolgens aan haar zoon en droeg hem op deze goed te bewaren en nooit te verkopen - zelfs niet indien iemand "er driehonderd dinar voor zou bieden". Volgens de overlevering was de kruik met de geconserveerde voorhuid later in het bezit van Maria Magdalena en van Johannes de Doper.

De overlevering is ongeloofwaardig. Volgens de strenge voorschriften van de Joodse wet moest de voorhuid in de grond worden begraven. De andere voorschriften van de wet werden door Jozef en Maria strikt nageleefd.

Er zijn bijna twintig kerken in Europa die de heilige voorhuid, of een deel van de voorhuid, als relikwie bewaren. In de middeleeuwen was de voorhuid in de belevenis van de christenen een belangrijk religieus object. Nonnen hebben geschreven over visioenen waarin de heilige voorhuid een rol speelde.

Dat belangstelling van nonnen voor de heilige voorhuid wordt verklaard uit het mystieke huwelijk dat de "bruiden van Christus" bij hun intrede in het klooster sloten. De heilige voorhuid werd daarbij een soort fetisj of amulet waarvan een aantal nonnen meenden dat ze hem daadwerkelijk bezaten. Zo droeg de heilig verklaarde Catharina van Siena (1347-1380), die zich veel bezig hield met bruidsmystiek, de voorhuid van Christus om haar vinger. Zij kon de voorhuid zien maar voor anderen was het wonder onzichtbaar. Na haar dood werd haar afgehakte ringvinger met de voor de gelovigen onzichtbare ring vereerd als relikwie. Verschillende gelovigen hebben later beweerd het sieraad in een visioen te hebben gezien.

De Spaanse theoloog Francisco Suárez (1548-1617) stelde dat de voorhuid van Christus in de hemel weer hersteld is om Christus weer volmaakt te maken. De voorhuid zou ook deel uitmaken van het lichaam van de verrezen Christus die in de verschijningsvorm van de hostie, volgens de kerken het lichaam van Christus, materialiseert. Volgens de zeventiende-eeuwse Griekse theoloog Leo Allatius was logischerwijze ook het Preputium Domini met het aan het kruis gestorven lichaam ten hemel gestegen. Allatius vereenzelvigde de voorhuid met de in die tijd ontdekte ring van de planeet Saturnus.

De gedachte dat Christus' verminkte lichaam inclusief de voorhuid dankzij goddelijke interventie hersteld zou zijn tijdens de opstanding is sinds de vierde eeuw deel van de geloofsleer. Sommige theologen wijzen op de door Christus op aarde achtergelaten melktanden, haren, nagels en op het door hem vergoten bloed.

De Weense non Agnes Blannbekin vertelde dat zij rond het jaar 1300 tijdens het bewenen van Christus diens voorhuid negenennegentig maal op haar tong voelde.

In de middeleeuwen was het bezit van relikwieën, hoe ongeloofwaardig hun herkomst ook was, economisch en politiek belangrijk voor kerken en machthebbers.[1] Achttien kerken in Europa maakten bekend dat zij de heilige voorhuid in bezit hadden. Het Preputium Domini werd vereerd in Chartres, Coulombs, Besançon, Metz, Charroux, Conques, Langres, Fécamp, Puy-en-Velay, Calcata, op twee plaatsen in de Auvergne, Hildesheim en in Santiago de Compostela. Ook de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen beweerde, als enige in de Nederlanden, de relikwie te bezitten. Het was door Godfried van Bouillon, stichter van het Antwerpse kapittel, weldoener van de kerk en haar kanunniken, van een kruistocht meegenomen. Er werd om het reliquiarium aan de stad te tonen geregeld een besnijdenisprocessie gehouden. Sinds de contrareformatie wordt in Antwerpen over de ooit zo belangwekkende relikwie gezwegen. De naam van de vroegere Besnijdeniskapel in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal werd gewijzigd in Sint Antoniuskapel. Tijdens de beeldenstorm in 1566 zijn veel kerkschatten en relikwieën vernield of weggemaakt.

Een engel overhandigde in de late achtste eeuw het Preputium Domini aan de in een Heilig Grafkapel biddende Karel de Grote. Paus Leo III bracht de door de Frankische heerser tijdens diens kroning tot keizer op 25 december van het jaar 800 aan de kerk geschonken voorhuid onder in het Sancta Sanctorum van de Lateraanse basiliek in Rome. De keizer beweerde het ontvangen te hebben van een engel toen hij aan het bidden was in de Heilig Grafkerk. De paus plaatste de relikwie op zijn beurt weer in de kerk van Sint Jan van Lateranen.

De door Karel geschonken voorhuid doet tot in de 21e eeuw van zich spreken. De relikwie zou in Calacata of Calcata, een dorpje ten noorden van Rome, zijn geschonken na de Sacco di Roma, de plunderingen door Duitse huursoldaten.[2] Deze voorhuid van Jezus Christus is in 1984 verdwenen. Sindsdien wordt de jaarlijkse processie op nieuwjaarsdag afgelast.[3]

In de protestantse kerken speelt de voorhuid van Christus een rol omdat deze in de Brief van Paulus aan de Epheziërs[4] wordt genoemd. In de protestantse theologie speelt de voorhuid een symbolische rol in de gedachten rond het begrip gemeente, rond het verschil tussen jood en christen en in de vraagstukken rond de interpretatie van de kerk als lichaam van Christus.[5]

De theorieën over de voorhuid zijn voor dogmatici belangrijk, voor atheïsten zijn zij een bron van vermaak en een aanleiding om de theologie en de kerk te bespotten. Overigens hechten lang niet alle christenen waarde aan relikwieën, zo ook niet aan deze voorhuid.

Literatuur [bewerken]

Zie ook [bewerken]

Externe link [bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://www.collectieutrecht.nl/view.asp?type=object&id=524
  2. http://www.atheisme.eu/nl/entry/5/relikwieen_van_christus_joe_nickell
  3. http://www.hbvl.be/Archief/guid/geen-voorhuid-van-jezus-geen-processie.aspx?artikel=dab3778c-7af0-4658-82bb-56aa4a8c8cd8
  4. “Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werd door hen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt” (Ef. 2 : 11).
  5. En dan zegt Ef. 2 : 14 en 15: “Want Hij is onze vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en de middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende, heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelf tot een nieuwe mens zou scheppen, vrede makende”. Hij is onze vrede! ONZE vrede! Wie zijn die ONZE? Dat zijn de twee groepen die we in Efeze 2 : 11 tegenkwamen, namelijk: de mensen die “eertijds heidenen in het vlees, en voorhuid genaamd” werden, en hen “die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt”. Oftewel: heiden en de Oudtestamentische, wettische Jood. Hier zien we dat deze twee ‘IN CHRISTUS’ (Ef. 2 : 13!) één zijn! Vandaag de dag is nogal eens het geluid te horen dat Orthodoxe Jood en Christen één zijn, of dat de Jood in God is en de gelovige heiden IN CHRISTUS. Maar deze tekst laat heel duidelijk zien dat wij IN CHRISTUS één zijn. Met andere woorden de Heere Jezus verzamelt Zich vandaag de dag een Gemeente die bestaat uit wederom geboren Jood en wederom geboren heiden! De Bijbel zegt niet voor niets: ‘IN CHRISTUS’! Niet water, maar de Geest doopt ons in Zijn lichaam, laat 1 Kor. 12 : 13 zien! En door de wedergeboorte zijn wij niet meer in de voorhuid, wij zijn besneden, echter ZONDER HANDEN, door middel van een GEESTELIJKE BESNIJDENIS! Daarom zegt Ef. 2 : 11 ook: “gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werd”. Over de Jood zegt datzelfde vers: “hen, die genaamd zijn besnijdenis, DIE MET HANDEN GESCHIEDT”. Echter in Jezus Christus worden Jood en heiden één, zij worden dan namelijk door de wedergeboorte GEESTELIJK BESNEDEN. We kunnen dit lezen in Kol. 2 : 10 – 12: “En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht; in Wie gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus; zijnde met Hem begraven in de doop, in welke gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft. En Hij heeft u, toen gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende…”. En dan zijn we dus weer bij het gedeelte dat we in Efeze aan het behandelen zijn! In ons vlees waren we dood door de zonde, maar door het aannemen van het volbrachte werk op Golgotha, worden we levend door Gods Geest, en bevrijdt Hij ons van ons vlees: onze ziel is voor tijd en eeuwigheid IN CHRISTUS behouden! En dat geldt volgens Efeze 2 : 13 – 15 voor zowel Jood als heiden die Jezus Christus aanneemt: IN JEZUS CHRISTUS, DOOR DE WEDERGEBOORTE, zijn wij één! op http://home.hetnet.nl/~arjan26/studies/nieuw1/Gemeente.htm (niet meer beschikbaar).