Voorjaarszegge

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Voorjaarszegge
Bloeiwijze met mannelijke en vrouwelijke aren
Bloeiwijze met mannelijke en vrouwelijke aren
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: Eenzaadlobbigen
Clade: Commeliniden
Orde: Poales
Familie: Cyperaceae (Cypergrassenfamilie)
Geslacht: Carex (Zegge)
Soort
Carex caryophyllea
Tourr. (1785)
Carex caryophyllea.jpg
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De voorjaarszegge (Carex caryophyllea) is een vaste plant uit de cypergrassenfamilie (Cyperaceae). De plant komt van nature voor op het noordelijk halfrond. De plant staat op de Nederlandse Rode Lijst van planten als zeldzaam en matig afgenomen. Het aantal chromosomen bedraagt 2n = 62, 64, 66 of 68.


De plant wordt tot de bloei 5-15 cm en erna tot 30 cm hoog, vormt korte uitlopers en heeft meestal scherp tot stomp driekantige stengels. De 1-3 mm brede bladeren zijn zwak gevouwen. De onderste bladscheden zijn minimaal 3 mm lang. De oude bladscheden van vorig jaar zijn nog als grijsbruine vezels aanwezig. De jonge wortels hebben een gele top.

De voorjaarszegge bloeit in april en mei. De 10-15 mm lange en 2-3 mm brede mannelijke aar steekt boven de één of vier vrouwelijke, 5-12 mm lange aren uit. De kafjes hebben meestal een groene, uittredende middennerf en geen witvliezige rand. Het vruchtbeginsel heeft twee stempels. De 2-3 mm lange, dicht kort afstaand behaarde urntjes zijn vrijwel ongesnaveld. Het urntje is een soort schutblaadje dat geheel om de vrucht zit.

De vrucht is een lensvormig nootje met aan de top een licht gekleurde ring om de blijvende stijlrest.

De plant komt voor op droge tot matig vochtige, kalkhoudende grond in lage graslanden en duinvalleien.

Namen in andere talen[bewerken]

  • Duits: Frühlings-Segge
  • Engels: Spring Sedge
  • Frans: Laiche de printemps, Laiche printanière, Laîche de printemps, Laîche printanière

Externe link[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • E. Foerster: Seggen, Binsen, Simsen und andere Scheingräser des Grünlandes - Ein Schlüssel zum Bestimmen im blütenlosen Zustand (Manuskript Kleve-Kellen März 1982)
  • Aichele / Schwegler: Unsere Gräser (Kosmos Naturführer) (11. Auflage, 1998, Kosmos-Verlag) ISBN 3-440-07613-X