Voorzetsel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een voorzetsel (of prepositie) is een onverbuigbaar woord zoals: aan, bij, door, in, naast, om en tussen, dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft:

  • Het kantoor is open vanaf tien uur.
  • De fiets staat naast de brommer.
  • Schilder je met een roller of een kwast?

De combinatie van voorzetsel en zelfstandig naamwoord of zelfstandig-naamwoordgroep (bijvoorbeeld naast de brommer, met een kwast) wordt voorzetselgroep genoemd. Een voorzetsel staat gewoonlijk voor het element waar het bij hoort, maar het kan er soms ook achter staan (men spreekt dan wel van een achterzetsel), bijvoorbeeld:

  • Ze reden het tuinpad op.

Een aantal werkwoorden of werkwoordelijke uitdrukkingen wordt verbonden met een zogenaamd vast voorzetsel, bijvoorbeeld: belang hechten aan, grenzen aan, afrekenen met, snakken naar, wachten op, bestand zijn tegen. Het zinsdeel dat begint met zo'n 'vast' voorzetsel heet een voorzetselvoorwerp.

Om te beoordelen of een woord een voorzetsel is, kan worden gekeken of het kan worden geplaatst voor de woorden "de kooi". Zoals op, onder, voor, achter, tegen, naar, in, buiten, vanaf, met, zonder, bij enzovoorts. Het enige voorzetsel dat niet voor de woorden "de kooi" kan worden geplaatst is te.

Verbuiging[bewerken]

Anders dan in het Duits of in het Latijn worden alle voorzetsels in het Nederlands gevolgd door de vierde naamval (met uitzondering van het voorzetsel 'te', dat de derde naamval of de zevende naamval regeert). Het is daarom dat men wel kan zeggen "ik heb het hun gegeven" of "ik heb het aan hen gegeven" en dat "ik heb het aan hun gegeven" foutief is. Een ander voorbeeld waarbij het niet in acht nemen van deze regel in de schrijftaal tot contaminatie leidt, is bij andere staande naamvalsvormen; zoals "den volke kond doen". Dit wordt soms verbasterd tot "aan den volke kond doen" in plaats van "aan het volk kond doen". Indien men een voorzetsel gebruikt mag men zich dus niet meer van een datiefvorm (den volke) bedienen.

Oorsprong van voorzetsels[bewerken]

In oudere Indo-Europese talen (zoals Latijn, oud-Grieks, Sanskriet en Gotisch) werden verbanden tussen werkwoorden en zelfstandig naamwoorden, of tussen zelfstandige naamwoorden onderling, voornamelijk weergegeven met behulp van naamvallen. Maar deze talen kenden ook al voorzetsels die altijd een naamval "regeerden" waarvan de functie min of meer samenviel met die van de voorzetsels (bijvoorbeeld Latijn ab urbe (van de stad vandaan). De naamvalsvorm urbe, de ablativus, had ook op zichzelf al onder meer de betekenis van "verwijdering".

Taalkundigen gaan ervan uit dat in de Proto-Indo-Europese taal al deze soorten verbanden uitsluitend met naamvallen werden aangeduid, waarvan er waarschijnlijk acht bestonden. Daarbij werden soms bijwoorden geplaatst om het verband nauwkeuriger te omschrijven. Deze ontwikkelden zich vervolgens tot voorzetsels, die altijd door de corresponderende naamval gevolgd werden. Toen in een later stadium van de taalontwikkeling het naamvallenstelsel in verval raakte doordat verschillende naamvallen dezelfde vorm kregen, zijn deze voorzetsels zelfstandig de functie gaan vervullen die oorspronkelijk in hoofdzaak door de naamval werd vervuld.

Zie ook[bewerken]