Vorstendom Schwarzburg-Sondershausen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Grafschaft (Fürstentum) Schwarzburg-Sondershausen
Onderdeel van het Heilige Roomse Rijk
Onderdeel van de Rijnbond
Onderdeel van de Duitse Bond
Onderdeel van de Noord-Duitse Bond
Onderdeel van het Duitse keizerrijk
Onderdeel van de Weimar Republiek
 Graafschap Schwarzburg 1599 – 1920 Vrijstaat Thüringen 
Flagge Fürstentümer Schwarzburg.svg Coat of arms of Schwarzburg (1890).png
Kaart
SchwarzburgSondershausen.png
Algemene gegevens
Hoofdstad Sondershausen
Oppervlakte 862,1 km²
Bevolking 67.191 (1871)
92.692 (1919)
Talen Duits
Munteenheid Mark
Regering
Regeringsvorm Monarchie
Dynastie Huis Schwarzburg
Staatshoofd Graaf, vorst

Het vorstendom Schwarzburg-Sondershausen (tot 1716 Schwarzburg-Arnstadt) was een van de Thüringse staten die bestond van 1599 tot 1920.

Geschiedenis[bewerken]

Schwarzburg-Sondershausen is ontstaan tussen 1572 en 1599, toen het graafschap Schwarzburg met verschillende verdragen tussen de nakomelingen van graaf Gunther XL werd verdeeld. Net als Schwarzburg-Rudolstadt verkreeg de staat bij het Verdrag van Stadtilm van 21 november 1599 de vorm, die het tot 1920 zou behouden. Het bestond uit twee geografisch gescheiden gebiedsdelen, een zuidelijk gelegen Oberherrschaft, rond Arnstadt en een noordelijker Unterherrschaft rond de residentie Sondershausen. Stamvader van het geslacht was Johan Gunther I (1532-1586).

Graaf Christiaan Willem werd in 1679 door keizer Leopold I in de rijksvorstenstand verheven onder suzereiniteit van het keurvorstendom Saksen, dat in 1699 en 1702 tegen financiële vergoedingen zijn landsheerlijke rechten echter opgaf. De naam van het vorstendom werd in 1716 veranderd in Schwarzburg-Sondershausen.

Onder vorst Gunther Frederik Karel I werd Schwarzburg-Sondershausen in 1807 lid van de Rijnbond en in 1815 van de Duitse Bond. Hij vaardigde in 1816 de eerste constitutie uit en in 1830 een herziene, die echter met weinig instemming werd begroet en reeds een jaar later weer werd ingetrokken. Zijn zoon Gunther Frederik Karel II trad in 1835 toe tot de Zollverein. Hij schonk zijn land in 1841 een grondwet, op grond waarvan op 7 september 1843 de eerste landdag werd geopend.

Ondanks verschillende hervormingen vonden in de Maartrevolutie van 1848 ook in Schwarzburg-Sondershausen enige onlusten plaats, die tot gevolg hadden dat in de herfst van dat jaar de Oberherrschaft door Saksen en de Unterherrschaft door Pruisen werd bezet. Op 12 december 1849 werd er een liberale constitutie uitgevaardigd, die echter op 8 juli 1857 weer in conservatieve geest werd gewijzigd. Nadat Schwarzburg-Sondershausen in 1866 tegen de door Oostenrijk in de Bondsdag van de Duitse Bond verzochte mobilisatie tegen Pruisen had gestemd, trad het toe tot de Noord-Duitse Bond, waardoor in 1867 het soeverein recht op het gebied van defensie op Pruisen overging. Het land trad in 1871 toe tot het Duitse Keizerrijk, waarna het tot een sterke industrialisering en bevolkingsgroei kwam.

Vorst Karel Gunther stierf in 1909 kinderloos, waarna Gunther Victor van Schwarzburg-Rudolstadt in personele unie met Schwarzburg-Rudolstadt de regering op zich nam. Hij trad na de Eerste Wereldoorlog op 25 november 1918 als laatste Duitse vorst af. Schwarzburg-Sondershausen werd op 1 april 1919 een vrijstaat. Op 11 februari 1920 werd door een nieuwe wet voor het eerst de scheiding van kerk en staat ingevoerd. Het land ging op 1 mei 1920 op in de vrijstaat Thüringen.

Territorium[bewerken]

Schwarzburg-Sondershausen was verdeeld in een zogenaamde Oberherrschaft, met de districten Arnstadt en Gehren met de enclaves Geschwenda en Rocksdorf, en een Unterherrschaft met de districten Sondershausen en Ebeleben.

Verdere plaatsen van enig belang waren Masserberg, Großbreitenbach en Plaue in de Oberherrschaft en Greußen en Clingen in de Unterherrschaft.

Graven en vorsten[bewerken]

Graven[bewerken]

Splitsing in

Vorsten[bewerken]

Arnstadt

Sondershausen

Zie ook[bewerken]