Vuistbijl
Een vuistbijl is een kerngereedschap uit het paleolithicum, het Acheuléen en het Moustérien. Ze komen alleen voor in Afrika, Europa, het westen van Eurazië, India en het westen van China. Verder naar het oosten werden ze niet gebruikt.
Vuistbijlen kunnen in een kwartier tijd uit vuursteen gehakt worden. Ook ryoliet, kwartsiet en fonoliet werd ervoor gebruikt, maar het makkelijk versplinterende obsidiaan niet. Ze zijn afgeplat, hebben meestal een scherpe rand rondom en de scherpe rand is altijd aan twee zijden bewerkt. De top is spits, het andere uiteinde rond. Archeologen zijn het er niet over eens hoe en waarvoor vuistbijlen precies gebruikt werden. Onder de meer waarschijnlijke gebruiken zijn het slachten van dieren en het houthakken.
In 1939 vond de Friese aannemer en amateur-archeoloog Hein van der Vliet uit Lippenhuizen een vuistbijl bij het huidige Wijnjewoude. Deze vondst was van grote historische betekenis, omdat er voor het eerst mee werd aangetoond dat Noord-Nederland al voor de laatste ijstijd bewoond was geweest. Het duurde dan ook jaren voordat deze vuistbijl door de wetenschap als zodanig werd erkend, en als de Vuistbijl van Wijnjeterp een begrip werd in archeologische kringen.
[bewerken] Zie ook
[bewerken] Externe link
| Zie de categorie Vuistbijlen van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |