West-Indische Compagnie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf WIC)
Ga naar: navigatie, zoeken
West-Indische Compagnie
Het West-Indisch Huis in Amsterdam, hoofdkwartier van de WIC van 1623 tot 1647
Het West-Indisch Huis in Amsterdam, hoofdkwartier van de WIC van 1623 tot 1647
Oprichting 3 juni 1621, tweede maal in 1675
Opheffing 1674, tweede maal in 1792
Oprichter(s) o.a. Willem Usselincx
Bestuur Heren XIX
Hoofdkantoor Amsterdam, Zeeland, Maze, Stad en Lande en Noorderkwartier
Producten Kaapvaart, tabak, suiker, goud en Afrikaanse slaven
Portaal  Portaalicoon   Economie

De Geoctroyeerde West-Indische Compagnie of West-Indische Compagnie en meestal afgekort tot WIC was een bedrijf of "multinational" met een corporatieve structuur, zonder dat de leden afzonderlijk aansprakelijk waren voor de beslissingen van het bestuur. In de 17e en 18e eeuw bezat de WIC het staatsmonopolie op de handel en scheepvaart op West-Afrika ten zuiden van de kreeftskeerkring, op Amerika, alsmede op alle eilanden tussen Newfoundland en Straat Magelhaes. Het handelsgebied lag tussen twee meridianen: als westgrens de meridiaan door de oostpunt van Nieuw-Guinea en als oostgrens de meridiaan van Kaap de Goede Hoop. Het meest belangrijk was de handel op West-Afrika, de Caraïben en Noord- en Zuid-Amerika. De achterliggende doelstelling en strategie waren de positie van Spanje en Portugal aan te tasten in Afrika en Zuid-Amerika.[1] De WIC kreeg van de Staten-Generaal der Nederlanden de opdracht de oorlog met Spanje uit te breiden naar zee, zodat de aandacht van Spanje werd afgeleid van de Republiek.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Het strand van het schiereiland Araya
In 1612 werd bij Mouree aan de Goudkust een Nederlands fort gebouwd. Fort Nassau was tot 1637 de belangrijkste versterking aan de Goudkust (circa 1645).

De scheepvaart en handel in het Atlantisch gebied waren sinds het Verdrag van Tordesillas verdeeld tussen de rooms-katholieke landen Spanje en Portugal. Aan het eind van de zestiende eeuw ontstond hiertegen steeds meer weerstand in de protestantse landen. Het lukte de Engelsen en Nederlanders steeds vaker om het monopolie van de Spanjaarden en Portugezen in Azië te breken. Nadat Spaanse en Portugese havens werden gesloten voor Nederlandse schepen en protestantse kooplieden begon de Republiek met eigen aanvoer van onder meer zout, suiker en delfstoffen die niet meer vanuit de Iberische havens konden worden betrokken.[2] Het was voor de Nederlandse zoutvaarders een kwestie van klompen aan, opscheppen en terugvaren.

In 1598 werd Jacques Mahu uitgezonden door Rotterdamse kooplieden, maar de expeditie werd een mislukking. In 1599 werd Olivier van Noort dezelfde kant opgestuurd. Balthasar de Moucheron was vanuit de Republiek een van de eersten die zich richtten op handel met Afrika. Ook was Gerrit Bicker actief met zijn compagnie op Guinee. Het was Blommaert die verklaarde dat er aanvankelijk vijf, rond 1600 al acht compagnieën op de kust van Afrika voeren die elkaar beconcurreerden met de aanvoer van koper, mogelijk vanuit het koninkrijk Luanga.[bron?] Pieter van den Broecke was in dienst van een van deze compagnieën. In 1606 kwam Willem Usselincx met een plan. Jan Huygen van Linschoten zag er wel brood in, maar de vredesbespreking met Spanje die in 1607 was begonnen, gooide roet in het eten.

Toen in 1602 de Vereenigde Oostindische Compagnie werd opgericht, was niet iedereen gecharmeerd van deze monopolistische politiek. Amsterdamse kooplieden zochten met behulp van Petrus Plancius, een Vlaamse predikant die zich bezighield met het maken van kaarten, globes en zeevaartkundige instrumenten, naar een noordoostelijke of noordwestelijke toegang tot Azië om het VOC-monopolie te omzeilen. In 1609 landde Henry Hudson op de kust van Nieuw-Engeland in zijn zoektocht naar de Noordwestelijke Doorvaart naar Azië, maar dat geschiedde in opdracht van de VOC, die haar tegenstanders te slim af was geweest.[3] Spanje bood vrede aan onder voorwaarde dat de Republiek zich zou terugtrekken uit de vaart op Azië en Amerika.[1] Het land weigerde het vredesverdrag te ondertekenen als er ook nog een West-Indische Compagnie zou worden opgericht. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt bood aan om de handel met de West op te schorten in ruil voor het Twaalfjarig Bestand.[1] Het gevolg was dat er enkele jaren onder vreemde vlag op Zuid-Amerika werd gevaren, maar dat was niet zonder risico.[4]

Tijdens het Twaalfjarig Bestand richtten de kooplieden zich vooral op inpolderingen van meren. Sommige kooplieden richtten zich op Noord-Amerika, waar zich nauwelijks Spanjaarden en Portugezen hadden gewaagd. Maar in 1623 keerden 103 zoutvaarders leeg terug uit Venezuela, aangezien Spanje zijn maatregelen in Midden-Amerika getroffen had.[5]

Tussen 1611 en 1613 voer Adriaen Block drie keer op en neer naar de rivier de Hudson. Daar raakte hij in de problemen met de schipper/bonthandelaar Hans Hunthum, uitgezonden door een concurrent.[1] De fusie van de twee firma's, onder de naam Compagnie van Nieuw Nederland, ontving in 1614 octrooi voor vier jaren. Onder leiding van Gerrit Jacobsz. en Jonas Cornelisz. Witsen en Lambert van Tweehuysen zag het haar octrooi niet vernieuwd en leidde het een kwijnend bestaan tot haar opheffing in 1621.

Stadhouder Maurits was voor het hernemen van de strijd met Spanje. In 1619 ontdeed hij zich van zijn voornaamste tegenstander Johan van Oldenbarnevelt. Toen twee jaar later de wapenstilstand afliep, is in 1621 de WIC opgericht. Een van de pleitbezorgers en oprichters van de WIC was Willem Usselincx. Omdat hij over de inhoud van het octrooi ontevreden was - Usselincx had grote plannen voor kolonisatie en zending - wendde hij zich af van de compagnie.[6]

Oprichting van de eerste WIC[bewerken]

Eerste pagina van het Octrooi van de West Indische Compagnie[7]
1rightarrow blue.svg Zie ook: Groot Desseyn

Dat oorlogvoering in de eerste jaren van de WIC een belangrijke activiteit was blijkt uit het volgende citaat uit een commissie van de Heren XIX aan Piet Hein:

"Alsoo ons bij die van de West-Indische Compagnie te kennen gegeven is, dat sij inde laestgehoudene Vergaederinge van de Negenthien, beslooten hadden, omme wederom de Compagnie ten besten, ende tot afbreuck der Spaignaerden, in zee te brengen een groot aental van Schepen, ende die aen verscheiden oorden ende gewesten in haere Limiten te gebruijcken, op onse Commissie onder het beleit van een ervaren Admirael ende Capitein Generael, versien met sodanige macht ende Instructie, dat alle andere Admiralen, Commandeurs, Capiteinen en andere Officieren, het sij te land ofte te water met haere onderhebbende Schepen, besette plaetsen, Boots- en Crijchs-volck ter sijner aencomste sich datelick sullen begeven onder sijn commandement ende gebiet, denzelven obedieren."[8]

De WIC werd georganiseerd naar het model van de VOC en bestond uit vijf kamers: Amsterdam, Zeeland, Maze, Stad en Lande en Noorderkwartier. De geldigheidsduur van het octrooi werd vastgesteld op 24 jaar. Het bestuur bestond uit de Heren XIX, Cornelis Bicker werd een van de belangrijkste bewindhebbers. Pas in 1623 was de financiering rond nadat diverse steden, die betrokken waren bij de zoutvaart onder druk waren gezet. De steden gaven geen krimp en als oplossing is de zoutvaart uitgezonderd.[9] De Staten-Generaal en de VOC zegden een miljoen gulden in de vorm van kapitaal en subsidie toe. Anders dan de VOC had de WIC niet het recht om militairen in te zetten. Daarvoor was toestemming van de Staten-Generaal der Nederlanden nodig. De kaapvaart werd een van de belangrijke doelstellingen van de WIC. Het bewapenen van de handelsschepen met kanonnen en soldaten om zich te verdedigen tegenover Spaanse schepen was daarbij van groot belang. Op bijna alle schepen in 1623 gingen 40 à 50 soldaten mee, voor een niet nader genoemde bestemming, mogelijk ter assistentie bij kapen van vijandelijke schepen.[10] Het is onduidelijk of dit om de expeditie naar de kust van Chili, Peru en Bolivia ging van Jacques l'Hermite ging, opgezet door stadhouder Maurits met steun van de Staten-Generaal en de VOC. Een poging door Jacob Willekens in 1624 om San Salvador in de Allerheiligenbaai te veroveren, liep op een mislukking uit. De verovering van de Zilvervloot in 1628 door Piet Hein spreekt tot op de dag van vandaag tot de verbeelding. "Over de verdeling van de opbrengst ontstond uiteraard grote ruzie, iedereen was ontevreden over zijn aandeel."[11]

De kolonie Swaanendael aan de Delaware
Het West-Indisch Pakhuis op Rapenburg in Amsterdam, gebouwd in 1642.

In 1629 gaf de WIC toestemming aan een aantal investeerders in Nieuw-Nederland patroonschappen te stichten. Het was een neo-feodaal systeem, waarbij de patroons veel bevoegdheden kregen de overzeese kolonie te besturen. Albert Burgh, Samuel Blommaert, Samuel Godijn, Johannes de Laet[12] hadden weinig succes met het bevolken van de kolonie en het zich verdedigen tegen de plaatselijke indianen. Alleen Kiliaen van Rensselaer wist zich in het noorden te handhaven langs de Hudson. De sluwe Blommaert probeerde in het geheim met het stichten van de kolonie Nieuw-Zweden zijn zaken aan de Delaware in het zuiden te redden. De meeste aandacht van de WIC ging inmiddels naar Nederlands-Brazilië. Pas in 1630 was de West-Indische Compagnie erin geslaagd een deel van Brazilië te veroveren. De strijd had intussen zoveel van haar krachten gevergd, dat de Compagnie daarna onder een permanente dreiging van faillissement moest opereren.[13] In feite was de WIC in 1636 bankroet en alle pogingen tot sanering waren tot mislukking gedoemd.[14] Johan Maurits van Nassau-Siegen zond eind mei 1641 een expeditie van 21 schepen onder Cornelis Jol met 2145 soldaten naar Luanda om het slavendepot te overmeesteren dat in augustus en Sao Tomé dat in oktober werd veroverd, zodat de Portugese overmacht in Afrika voorlopig was doorbroken.

De (WIC) tekende in augustus 1634 de overgave met de Spanjaarden bij San Juan. De ongeveer 30 op het eiland aanwezige Spanjaarden en een groot deel van de Taíno werden door de Nederlanders naar Venezuela gebracht en aan wal gezet. De reden voor de inval en verovering was, dat de WIC op zoek was naar een uitvalsbasis voor handel en kaapvaart. Curaçao lag gunstig ten opzichte van de Spaanse koloniën op het vasteland. Ook had het de beste haven tot dan toe bekend in het Caraïbisch gebied. Daarnaast zocht de WIC naar een goede bron van zout. Zowel op de kust van Venezuela als op Bonaire waren goede zoutpannen te vinden. Op Curaçao zelf was campêchehout (een grondstof voor een natuurlijke verf), vee, kalk en brandstof te vinden.

Vanwege het toenemende oorlogsgeweld in Brazilië stond de WIC er in 1645, aan het einde van het octrooi, slecht voor. Een poging om de winsten van de VOC en de verliezen van de WIC tegen elkaar weg te strepen is door de bewindhebbers van de VOC afgeketst.[15] Een samenvoeging van de beide compagnieën was niet haalbaar. Amsterdam was niet bereid de Compagnie uit het moeras te helpen en had te veel belang bij vrede en goede handelsbetrekkingen met Portugal. Deze ongeïnteresseerde houding van Amsterdam was de hoofdoorzaak van het trage, halfslachtige beleid, dat tot het uiteindelijk verlies van de kolonie zou leiden.[16] In 1647 maakte de Compagnie toch een doorstart met behulp van 1,5 miljoen gulden, kapitaal uit de VOC. De Staten Generaal nam in feite de verantwoordelijkheid voor de oorlogvoering in Brazilië op zich.

Vanwege de vrede van Münster was het kapen van Spaanse schepen niet langer meer mogelijk. Tal van kooplieden uit Amsterdam en uit Zeeland zagen hun kans schoon om samen met zee- en kooplieden uit Hamburg, Glückstadt (toen Deens), Engeland en andere landen de Compagnie naar hartenlust te benadelen.

Varia[bewerken]

  • Rond 1645 waren leden van de familie Trip sterk vertegenwoordigd: Jacob, (Maria), Louis en Hendrik Trip waren hoofdparticipanten van de WIC.[bron?]
  • In 1649 werd de Zweedse Afrika Compagnie opgericht, in feite een Hollandse onderneming van Louis de Geer onder vreemde vlag.
  • In 1649 wist de WIC in het koninkrijk Accra het monopolie op de inkoop van goud en slaven te verkrijgen
  • Na het verlies van Brazilië in 1654 werd Curaçao steeds belangrijker, dat naast Jamaica tot het grootste slavendepot ontwikkelde. Dat de WIC zich nog twintig jaar kon voortslepen had zij te danken aan haar West-Afrikaanse bezittingen.
  • Op Tobago werd de kolonie Nieuw Walcheren gevestigd. Gedurende meer dan honderd jaar werd het eiland het strijdtoneel voor kolonisten uit heel West-Europa.[17]
  • Amsterdam stichtte in 1656 aan de Delaware de stadskolonie Nieuwer-Amstel, bevolkt door Waldenzers.
  • In 1659 werd de Deense West-Indische en Guineese Compagnie onder leiding van Hendrik Carloff opgericht, eveneens een volkomen Amsterdamse onderneming.
  • Jan Valkenburg gaat op 5 september 1662 voor een tweede termijn als directeur-generaal naar Elmina op het schip de Amsterdam.
  • In 1662 worden er contacten gelegd met de bezitters van het Asiento, die zich verplicht hadden 24.000 slaven te leveren. Domingo Grillo & Ambrosio Lomelinni, hebben het asiento naar het zich laat aanzien als eerste aan Francesco Feroni[18] vervolgens aan de Royal African Company, de neven Coymans, en de West-Indische Compagnie uitbesteed.[19] In 1663 en 1664 verkocht de WIC meer slaven dan de Portugezen en de Engelsen samen.[20]
  • In 1667 en 1668 zijn er nieuwe contacten tussen het Spaanse hof met de WIC over het Asiento. Balthasar Coymans, en Joseph Coijmans, beiden wonend te Haarlem ... sluiten zodanig contract ... ter somme van vijfhonderd­duizend guldens.[21]
  • De belangrijkste handelsproducten van de oude WIC waren zout, suiker, bevervellen, tabak, goud, koper en slaven.
  • De eerste West-Indische Compagnie voerde een lange doodstrijd; haar einde in 1674 was pijnloos.[22]

Oprichting van de tweede WIC[bewerken]

De bereiding van suikerbroden in Brazilië onder het toeziend oog van een opzichter

Toen de WIC in 1674 door grote financiële problemen haar schulden niet meer kon aflossen, werd het bedrijf ontbonden. Maar vanwege grote vraag naar handel met het westen (voornamelijk handel in slaven), en het feit dat er nog veel koloniën aanwezig waren werd er besloten de Tweede Geoctroyeerde West-Indische compagnie (ook wel Nieuwe West-Indische compagnie genoemd) op te richten in 1675. Deze had hetzelfde handelsgebied als de eerste. Alle schepen, vestingen e.d. werden door het nieuwe bedrijf overgenomen. Het aantal directeuren werd van 19 teruggebracht op 10, het aantal bewindhebbers van 74 op 50.[23] In 1676 gaven plannen van Hendrik Carloff aanleiding tot de tocht van Jacob Binckes naar Tobago en wat volgde staat bekend als de Eerste Slag bij Tobago. Een Tweede slag betekende het einde van de Nederlandse pogingen om van Tobago een Nederlandse kolonie te maken.

De nieuwe WIC beschikte rond 1679 over een actiekapitaal dat iets meer dan 6 miljoen gulden bedroeg, en grotendeels geleverd werd door de Amsterdamse kamer. De bewindhebbers kwamen bijeen in de Voetboogdoelen, evenals de directeuren van de Sociëteit van Suriname.

Slavenhandel[bewerken]

De Tweede WIC heeft zich vooral beziggehouden met de slavenhandel, al is het niet zo dat slavenhandel ook economisch gezien op de eerste plaats kwam. In geld uitgedrukt nam de goudhandel een veel belangrijker plaats in. Ruim 75% van de omzet werd door dit edelmetaal in beslag genomen, gevolgd door de slavenhandel, welke slechts een waarde van 13% vertegenwoordigde.[bron?] In februari 1685 verkreeg Balthasar Coymans het recht op Asiento en de koersen van de WIC stegen.[24] In 1688 nam Spanje het recht terug, maar deze periode bleek het hoogtepunt in de slavenhandel naar Curaçao.

Toch vormde de slavenvaart, waarin de bewindhebbers een zeer groot deel van het bedrijfskapitaal hadden geïnvesteerd, de omvangrijkste scheepvaartactiviteit van de WIC. In de periode 1674-1740 heeft de compagnie 383 schepen uitgereed. Van alle slavenreizen die zijn gemaakt, werden er 235 met eigen vaartuigen, 134 met gehuurde schepen en 14 met in beslag genomen smokkelschepen uitgevoerd.

Pakhuis van de WIC in Amsterdam

Op hun jaarlijkse bijeenkomst in de herfst stelden de Heren X het aantal uit te reden schepen vast. De verdeling van de schepen over diverse kamers gebeurde aan de hand van de negensleutel. De kamer van Amsterdam nam 4/9 deel van het werk voor haar rekening. Dat hield in dat zij vier van de negen scheepsreizen organiseerde. Voorts werden de vertrekdata vastgesteld, en de plaatsen waar de slaven in Afrika gehaald en in Amerika afgeleverd moesten worden. In het bijzonder werd er op gelet dat de schepen niet te snel na elkaar werden uitgereed. Te veel schepen voor de kust van Afrika betekende lange wachttijden, waardoor het risico van sterfte van de reeds aan boord zijnde slaven aanzienlijk werd vergroot. Ten slotte stelde het college de waarde van de lading vast, waarbij tevens werd aangegeven hoeveel slaven ervoor ingekocht moesten worden.

De eigenlijke organisatie van de slavenreizen berustte bij de verschillende kamers, die daarvoor speciale commissies in het leven hadden geroepen. Zo telde de ‘’commissie tot de saaken van de slavenhandel’’ in de kamer Amsterdam vijf leden, waarmee zij de grootste commissie van deze kamer was.

De reis begon in een van de vele Nederlandse havens. Van daar voeren de Hollanders langs de Afrikaanse kust en stopten in een van de Nederlandse forten aan de Goudkust. De belangrijksten waren Elmina en Accra.

Aan de slaven werden nauwkeurige eisen gesteld. Voor leverbare slaven werden gehouden: degene die niet blind, lam nog gebroken sijn, ende ook dewelke geen besmettelijke siekte hebben. Verder werd bepaald welke leeftijd de slaven mochten hebben en wat hun marktwaarde was. Volwaardige slaven waren vijftien tot en met zesendertig jaar oud, slaven ouder dan zesendertig kwamen niet in aanmerking voor transport, slaven van zes tot vijftien jaar telden als drie voor de prijs van twee en van twee tot zes jaar twee voor de prijs van één. Voor een slaaf moest volgens het contract tweehonderd gulden worden betaald. Planters van suikerplantages kregen korting. De rekening moest voor een derde voldaan worden in suiker. De betaling diende te gebeuren veertien dagen na de ontvangst van de gekochte slaven, waarbij het deel suiker belangrijker was dan het geld, dat eventueel later voldaan mocht worden.

De grootste schepen die voor de slavenvaart werden uitgerust, waren fluiten, pinassen en fregatten. Dergelijke vaartuigen waren tussen de 100 en 120 voet lang en vervoerden gemiddeld zeshonderd slaven per reis. Bij het vaststellen van de ‘toerbeurten’ hanteerden de Heren Tien de standaard van vijfhonderd slaven voor grote schepen. In de praktijk viel het aantal vervoerde slaven altijd hoger uit dan de standaard aangaf.

Deze grote slavenschepen werden bewapend met vijftien tot twintig stukken geschut en hadden een bemanning van vijfenveertig tot zestig man. De gemiddelde reisduur van een slavenschip was 516 dagen, inclusief de wachttijd in Afrika en Amerika en de terugreis naar de Republiek.

De slaven werden voor 200 gulden (ongeveer een jaarloon voor een arbeider) verkocht aan tussenhandelaren en deze brachten ze onder andere naar Suriname, Berbice, Essequibo of Sint Maarten, waar ze aan plantage-eigenaren verkocht werden.

De WIC nam suiker mee terug naar Nederland, waarna ze weer naar West-Afrika gingen, daarom ook wel de driehoeksvaart genoemd.

Veroverde gebieden[bewerken]

Opheffing[bewerken]

In 1759 schreef Jan Pieter Theodoor Huydecoper brieven naar de bewindhebbers over de abuizen in de boekhouding in Elmina. Streven naar eerlijkheid en goede trouw werd door bijna iedereen als onnozelheid beschouwd, terwijl arglistigheid doorging voor ervaring.[27]

In 1792 werd de tweede WIC als gevolg van teruglopende inkomsten opgeheven. De compagnie had sinds het vrijgeven van de slavenhandel enkel als bestuursapparaat gefungeerd. Rond 1800 werd er zonder succes geprobeerd een Derde WIC op te richten, maar de aanplant van suikerbieten zou op den duur het plantagesysteem en de slavenhandel op een succesvolle manier ondermijnen.

Externe links[bewerken]

Bronnen[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Dantzig, A. van: Het Nederlandse aandeel in de slavenhandel, Bussum 1968, Van Dishoeck (Fibulareeks 27)
  • Dillen, J.G. van, (1970) Van Rijkdom tot Regenten.
  • Emmer, P.C.: De Nederlandse slavenhandel 1500-1850, Amsterdam en Antwerpen 2000, De Arbeiderspers. ISBN 9029515090
  • Heijer, H. den: De geschiedenis van de WIC, Zutphen 1994, Walburg Pers. ISBN 906011-912-6
  • Heijer, H. den, (1997) Goud, Ivoor en Slaven.
  1. a b c d De West-Indische Compagnie en haar belangen in Nieuw-Nederland. Een overzicht (1621-1664). Johan van Hartskamp
  2. Blussé, L. & J. de Moor (1983) Nederlanders over zee, p. 62
  3. Isaac le Maire en Samuel Blommaert en anderen richtten zich in 1615 op het vinden van een zuidwestelijke route om Vuurland naar Indië om het monopolie van de VOC te omzeilen.
  4. In 1616 vestigde de Vlissingse burgemeester Jan de Moor een factorij in Essequebo.
  5. Blussé, L. & J. de Moor (1983) Nederlanders over zee, p. 66
  6. Dillen, J.G. (1970) p. 147
  7. Nationaal Archief, 1.05.01.01 inventarisnummer 13, Octrooi verleend door de Staten-Generaal aan de West-Indische Compagnie, 3 juni 1621, http://gahetna.nl/collectie/archief/inventaris/inleiding/eadid/1.05.01.01/inventarisnr/13/level/file
  8. Text of a Letter of Marque of the Dutch West India Company, 1626
  9. Wennekes, W. (2001) Gouden Handel, p. 296
  10. Klein, P.W. (1965) De Trippen in de 17e eeuw, p. 150
  11. Blussé, L. & J. de Moor (1983) Nederlanders over zee, p. 68
  12. http://fabpedigree.com/s094/f756784.htm
  13. Heijer, H. den (1994) De geschiedenis van de WIC, p. 97
  14. Dillen, J.G. van (1970), p. 169
  15. Dillen, J.G. (1970) p. 127
  16. (en) Boxer, C.R. (1957) The Dutch in Brazil 1624 - 1654. Oxford, Clarendon Press. ISBN
  17. Blussé, L. & J. de Moor (1983) Nederlanders over zee, p. 83
  18. Brakel, S. van (1918) Bescheiden over den slavenhandel der Westindische Compagnie, p. 50, 67. In: Economisch-Historisch Jaarboek IV. [1]
  19. Postma, J.M. (2008) The Dutch in the Atlantic Slave Trade, 1600-1815 blz. 33, Cambridge University Press.
  20. Binder, F. e.a. (1979) Dirck Dircksz. Wilre en Willem Godschalk van Focquenbroch(?) Geschilderd door Pieter de Wit te Elmina in 1669. Bulletin van het Rijksmuseum 27, p.7-29.
  21. 4 nov. 1669 NA 3678A-172 en 176 not. F. Tixerandet. Informatie afkomstig van R. Koopman, Zaandam.
  22. Klein, P.W. (1965) De Trippen in de 17e eeuw, p. 182
  23. Vanouds hadden ook steden als Leiden, Haarlem en Deventer, en de provincies Gelderland, Utrecht en Overijssel het recht bewindhebbers te benoemen.
  24. De geoctrooieerde compagnie (2005) door Henk den Heijer, p. 104
  25. V.P. Malouet’s Reisen nach dem französischen Guiana und nach Surinam, p. 145.
  26. V.P. Malouet’s Reisen nach dem französischen Guiana und nach Surinam, p. 154.
  27. Kooymans, L. (1997) Vriendschap en de kunst van het overleven in de zeventiende en achttiende eeuw, p. 288
Gebieden in handen van de WIC

Gouvernementen: Berbice* · Cayenne · Demerary* · Essequibo* · Goudkust* · Nederlands Brazilië · Nederlandse Antillen · Nieuw-Nederland · Pomeroon · Suriname*

Gebieden met een directeur: Maagdeneilanden

Gebieden met een baron: Tobago (geleend aan Cornelis Lampsins)

Factorijen / handelsposten: Arguin · Loango-Angolakust · Senegambia · Slavenkust

Gebieden in handen van de VOC

Gouvernementen: Amboina* · Banda* · Batavia* · Ceylon · Coromandelkust* · Formosa · Java's Noordoostkust* · Kaapkolonie* · Makassar* · Malakka* · Mauritius · Molukken*

Directoraten: Vestingen in Bengalen · Vestingen in Perzië · Suratte

Commandementen: Bantam* · Malabar · Sumatra's Westkust*

Residenten: Bandjarmasin* · Cheribon* · Palembang* · Pontianak*

Gebieden met een opperhoofd: Birma · Dejima* · Vestingen in Siam · Timor · Tonquin

Factorijen: Vestingen in China

Gebieden in handen van de Noordse Compagnie

Nederzettingen: Amsterdam eiland (incl. Smeerenburg) · Jan Mayen

Overige gebieden in handen van de Staat

Vestingen: Acadia · Fort Nassau · Zoutpannen in Venezuela

*: Gebieden ook in handen van de Bataafse Republiek geweest.