Wad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een wad bij laagwater.
Wadlopen is mogelijk rond laagwater, onder andere naar Schiermonnikoog.
Een waddenlandschap bestaat uit diepe lagen slijk
Wadden in de buurt van Oban, gezien vanaf Stewart Island in Nieuw-Zeeland
Noord-Friese kust

Met het wad of de wadden wordt meestal het waddengebied bedoeld dat langs de kust vanaf Den Helder in Nederland loopt, en langs de Duitse kust tot Esbjerg in Denemarken en de 50 Waddeneilanden die in deze kuststrook liggen. Hoewel dit gebied de Waddenzee heet, is een wad in feite een modder- of zandplaat, dat in een ondiepe zee is ontstaan, met een hoogte die zich tussen het normale laagwater- en hoogwaterniveau bevindt. De Waddenzee zelf bestaat uit bodemzand opgeblazen uit de Noordzee. Doordat een wad twee maal per etmaal door het getij overstroomd wordt, neemt de stroming slik mee, die dan bezinkt in plekken die tijdens een hoogwaterperiode rustig zijn.[1] Er liggen ook waddengebieden bij de Britse kust, langs de kusten van Noord-Amerika, in de Gele Zee en bij Mauritanië.

Inhoud

[bewerken] Beschrijving

[bewerken] Voorkomen

Waddenkusten kunnen in de gematigde klimaatzones overal ter wereld gevonden worden. In tropische gebieden raken vergelijkbare getijdengebieden doorgaans begroeid met mangrovenbossen. Het grootste waddengebied ter wereld is de bovengenoemde Waddenzee. Andere waddengebieden zijn in Europa te vinden op beschutte plaatsen: aan de zeezijde van de deltawerken, langs Het Kanaal, de Atlantische kust van Frankrijk en de Noordzeekust van Engeland. Ook andere continenten hebben hier en daar waddenkusten, die van de Gele Zee bij Korea zijn na de Waddenzee de meest omvangrijke.

[bewerken] Ontstaan

Om een waddengebied te laten ontstaan moet aan veel voorwaarden voldaan worden, daarom is deze geologische vorm vrij zeldzaam. Belangrijk is de aanwezigheid van een ondiepe kust waardoor de waterbeweging geremd wordt en de zand- en kleideeltjes kunnen neerslaan. Als er sprake is van een heel geleidelijke verhoging van het zeewaterpeil kunnen deze afzettingen een steeds groter gebied omvatten. Het hoogteverschil voor de kust mag niet meer dan één meter per kilometer zijn, terwijl het verschil tussen laagwater en hoogwater meer dan twee meter moet zijn. Een waddengebied moet bovendien afgeschermd zijn tegen sterke zeestromingen. In de Waddenzee zorgen de eilanden voor die bescherming.

Als het zeewater bij vloed de wadden binnenstroomt zal eerst het zwaardere zand neerslaan. Het fijnste sediment (modder) zal worden afgezet waar de minste stroming is, meestal op de grens van zee en land. Bij eb stroomt het water van het wad terug door geulen en prielen. Deze laatste vallen droog, in de diepere geulen staat ook bij laagwater nog water. De wadden kunnen uiteindelijk aangroeien tot een hoogte boven het normale vloedniveau. Dan is er sprake van kwelders of schorren, die vaak door het aanleggen van dijken in cultuur worden gebracht.

[bewerken] Natuurwaarde

De uitzonderlijke omstandigheden in een waddengebied maken een bijzonder rijke, maar ook kwetsbare, flora en fauna mogelijk. Het ondiepe water is relatief warm en rijk aan bodemleven. De wadden bieden voedsel en rustplaatsen voor vogels en zeezoogdieren. De waddengebieden hebben daarom bij natuurbeschermers een hoge prioriteit (zie ook: Drasland).

[bewerken] Oudste woord

Wad zou volgens etymologe Nicoline van der Sijs het oudst bekende Nederlandse woord zijn. Het is te vinden in de in 107 door Tacitus opgetekende plaatsnaam Vadama, het huidige Wadenoijen. Overigens betekende 'wad' toentertijd nog niet wat we tegenwoordig onder een waddengebied verstaan, maar was het een doorwaadbare plaats in een rivier.

[bewerken] Zie ook

[bewerken] Fotogalerij

[bewerken] Verwijzingen

Bronnen, noten en/of referenties