Walvisvaart

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bioscoopjournaal uit 1977. Het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen houdt een tentoonstelling over de walvisvaart.
Resultaat van walvisvangst (foto: 26 augustus 2006 Hvalba, Faeröer Eilanden.)

De walvisvaart of walvisjacht is het jagen op en het doden van walvissen, voornamelijk voor walvistraan en -vlees. Het schip waarmee op walvissen wordt gejaagd heet een walvisvaarder, evenals de kapitein van een dergelijk schip. Walvissen worden meestal met een harpoen gevangen. Onder natuurbeschermers en onder de bevolking in de meeste Europese landen is de walvisvaart zeer omstreden.

Geschiedenis[bewerken]

Prehistorie tot de middeleeuwen[bewerken]

Mensen jagen al op walvissen sinds prehistorische tijden. Archeologische vondsten in Ulsan in Zuid-Korea laten zien dat boeien, harpoenen en lijnen al rond 6000 v.Chr. gebruikt werden om walvissen te bejagen. Het oudste bekende manier van het vangen van walvissen is door ze simpel naar de kust te drijven door de weg naar de open oceaan af te snijden met een aantal kleine boten. Dit werd vooral toegepast bij kleine soorten, zoals de griend, witte dolfijn en de narwal. Hierna begon men met het jagen met een boei aan het eind van een harpoenlijn. Deze boei was vaak een houten boei of een opgeblazen zeehondenhuid. De boei zorgde ervoor dat het geharpoeneerde dier zo vermoeid raakte dat men het kon naderen en doden. Verschillende culturen uit de hele wereld gebruikten zo'n boei, zoals de Inuit, indianen, en de Basken.

Begin commerciële walvisvaart[bewerken]

Afbeelding van de walvisvaart uit het boek Captain Cook's First, Second, Third and Last Voyages

De Basken waren de eersten die op grote schaal om commerciële reden op walvissen begonnen te jagen. In de middeleeuwen exporteerden de Basken al veel walvisvlees en blubber naar vele andere delen van Europa. De Basken gingen, tijdens of voor de 16e eeuw, boten gebruiken als "boei" aan het eind van de harpoenlijn. Hierdoor werd de vangst vergroot doordat de geharpoeneerde dieren niet meer konden wegzwemmen voordat ze gedood waren.

Aan het begin van de 17e eeuw beseften de Hollanders, Engelsen en anderen de mogelijkheden van de walvisvaart. Willem Cornelisz. van Muyden was de eerste Hollandse walvisvaarder. Vanaf dit moment werd de concurrentie hevig om de rijkste "visgronden". Rond 1640-1650 begonnen ook de Amerikaanse kolonisten vanuit New England ook op echte walvissen te jagen.

Nederland[bewerken]

Walvisvangst, Abraham Storck.
Gravure uit de 18e eeuw met Nederlandse walvisvaarders jagend op Groenlandse walvissen bij het eiland Jan Mayen. Op de achtergrond is de vulkaan Beerenberg te zien.
Nuvola single chevron right.svg Zie Geschiedenis van de Nederlandse visserij en walvisvaart voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Vanaf de 17e eeuw begon Nederland met de commerciële walvisvaart. Van 1614 tot 1642 had de Noordsche Compagnie het alleenrecht. Op het eiland Amsterdam bij Spitsbergen werd voor de walvisvaart de nederzetting Smeerenburg gevestigd, van waaruit 's zomers grote hoeveelheden Groenlandse walvissen tot traan werden verwerkt. Toen dit octrooi afliep, gingen ook anderen meedoen aan de jacht op de Groenlandse walvis. Dit leidde uiteindelijk tot de bijna uitroeiing van de Noord-Atlantische populatie van deze soort. Al rond 1670 waren bij Spitsbergen zo weinig walvissen dat de schepen moesten uitwijken naar andere gebieden. Dit bleek uiteindelijk commercieel geen succes. Nederland hield de walvisvaart voor gezien in 1873.

Zo liep het Nederlandse aandeel in de walvisvaart in de loop van de negentiende eeuw terug naar vrijwel nihil. Daardoor miste Nederland de ontwikkeling naar de zogenaamde "pelagische walvisvaart', waarbij de jacht op en vangst en verwerking van walvissen op volle zee wordt uitgevoerd door een vloot van schepen, bestaande uit een walvisfabrieksschip en meerdere vangschepen. Deze ontwikkeling betekende tevens een verschuiving van het jachtgebied vanuit de arctische wateren rond de Noordpool (de Noordelijke IJszee) naar de antarctische wateren rond de Zuidpool (de Zuidelijke Oceaan).

Andere landen, met name Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk, namen wel volop aan deze ontwikkeling deel. In 1925 werd de "slipway" ingevoerd, waarmee gedode walvissen op een snelle manier op het dek van het walvisfabrieksschip gesleept konden worden. De fabrieksschepen namen steeds meer in grootte toe, en in het seizoen 1938/'39 waren er al 34 in gebruik met een gemiddeld tonnage van 14.000 ton.

Pas na de Tweede Wereldoorlog werd de Nederlandsche Maatschappij voor de Walvischvaart (NMW) opgericht, die zich met een aangekocht walvisfabrieksschip en enkele vangschepen op de pelagische walvisvaart richtte. De oprichting van de NMW werd vooral ingegeven door de naoorlogse schaarste aan oliën en vetten en de onmogelijkheid om deze met de schaarse buitenlandse betaalmiddelen elders in te kopen. Tussen 1946 en 1964 heeft de NMW met de walvisfabrieksschepen Willem Barendsz (I) en Willem Barendsz (II) en een vloot vangschepen achttien expedities in de wateren rond Antarctica uitgevoerd.

Toch kwam er een kink in de kabel. De hoeveelheid walvissen was niet oneindig. Daarom richtten de landen die meededen aan de walvisvaart in 1946 de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) op. Hierin spraken ze af hoeveel walvissen gevangen mochten worden. Juist toen Nederland met een nieuw schip meer walvissen wilde gaan verwerken, besloot de IWC dat Nederland de walvisvangst moest beperken. Nederland stapte boos uit de commissie. Maar dat hielp niets. De vangsten liepen langzaam terug en de hoge kosten konden niet worden terugverdiend. In 1964 werd de nieuwe walvisvaarder aan Japan verkocht. Dat betekende het einde van de Nederlandse walvisvaart.

Moderne walvisvaart[bewerken]

Walvisvaart in de Zuid-Atlantische oceaan.
Het slachten van een walvis in IJsland, 1978.

Door overbejaging zijn veel walvissoorten sterk in aantal achteruitgegaan en werden deze met uitsterven bedreigd. Sinds 1931 werken landen daarom internationaal samen om de walvisvaart te reguleren. Het belangrijkste verdrag is de International Convention for the Regulation of Whaling (ICRW) uit 1946. De Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) werd met dit verdrag opgericht.

In 1982 werd door de IWC besloten om vanaf 1986 een moratorium, een tijdelijk verbod, in te stellen op de commerciële jacht. Behalve de commerciële jacht worden nog twee vormen van jacht erkend door de IWC. Deze twee zijn niet verboden met de komst van het moratorium:

  • De jacht op walvissen voor wetenschappelijke doeleinden
  • Aboriginal subsistence whaling: de traditionele jacht door volkeren als de Inuit, waarbij de mensen afhankelijk van de walvisvaart zijn om te overleven.
Bij de Grindadráp op de Faeröer Eilanden worden groepen grienden naar de kust gedreven en gedood.

Noorwegen erkent het moratorium niet en jaagt nog zoveel en zo vaak als het maar wil en IJsland sinds 2008 ook weer. Japan jaagt onder het mom van wetenschappelijk onderzoek op walvissen. Conform de IWC afspraken komt het vlees van de gedode walvissen in de open handel. Vanaf oktober 2006 hervat IJsland het verlenen van vergunningen voor de commerciële walvisvaart. De eerste vergunningen worden verleend om tot 31 augustus 2007 negen gewone vinvissen en dertig dwergvinvissen te doden voor binnenlandse consumptie.

België is een van de landen die een strikte regelgeving en beperking van de walvisjacht willen bekomen om de walvispopulatie in stand te kunnen houden.[1]

Organisaties als Greenpeace en Sea Shepherd zijn tegen de jacht op walvissen. Met name Sea Shepherd hindert de jagers in het vangen van walvissen. Dit leidt soms tot aanvaringen op volle zee.

Tegenwoordig is de algemene dwergvinvis de meest bejaagde soort door de Japanners, Noren en IJslanders. Ook op de Faeröer wordt gejaagd op walvissen, waarbij groepen grienden in een jaarlijks terugkerende traditionele jacht worden gedood door de plaatselijke vissers.

Bronnen, noten en/of referenties