War Requiem

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
War Requiem
Componist Benjamin Britten
Soort compositie Requiem
Gecomponeerd voor solisten, koor, orgel, kamerorkest en orkest
Opusnummer 66
Compositiedatum april 1961-januari 1962
Première 30 mei 1962
Opgedragen aan Roger Burney
Piers Bunkerley
David Gill
Michael Holliday
Duur 85 a 90 minuten
Vorige werk opus 65: Sonate voor cello en piano
Volgende werk opus 67: Psalm CL
Oeuvre Oeuvre van Benjamin Britten
Portaal  Portaalicoon   Klassieke muziek

Het War Requiem, opus 66, van Benjamin Britten is een niet-kerkelijk requiem, geschreven voor sopraan, tenor en bariton solisten, koor, jongenskoor, orgel, orkest en een kamerorkest. Het wordt beschouwd als een van de meest indrukwekkende klassieke werken van de twintigste eeuw. Het werk is opgedragen aan vier oorlogsslachtoffers.

Compositie[bewerken]

Het War Requiem is geschreven ter gelegenheid van de inwijding van de nieuwe kathedraal van Coventry op 30 mei 1962. De oorspronkelijke veertiende-eeuwse kathedraal was volledig verwoest door bombardementen in de Tweede Wereldoorlog. Britten koos voor een traditionele Latijnse dodenmis die door het koor en sopraansolist wordt vertolkt. Af en toe doven de liturgische klanken uit, en verplaatst de aandacht zich naar een kamerorkest met twee mannelijke solisten. Zij verbeelden negen oorlogsgedichten van Wilfred Owen, een militair die in november 1918 sneuvelde in de loopgraven van Frankrijk, een week voor de wapenstilstand. Af en toe komt het jongenskoor er tussendoor. Alhoewel de drie groepen in het begin elkaar afwisselen, lijken ze gedurende het stuk steeds sterker met elkaar verweven te zijn.

Structuur[bewerken]

Het werk is opgedeeld in zes delen:

  • Requiem aeternam (10 minuten)
    • Requiem aeternam (koor en jongenskoor)
    • "What passing bells" (tenor solist)
  • Dies irae (27 minuten)
    • Dies irae (koor)
    • "Bugles sang" (bariton solist)
    • Liber scriptus (sopraan solist en koor)
    • "Out there, we walked quite friendly up to death" (tenor and bariton solisten)
    • Recordare (vrouwenkoor)
    • Confutatis (mannenkoor)
    • "Be slowly lifted up" (bariton solist)
    • Dies irae (koor)
    • Lacrimosa (sopraan en koor) onderbroken door "Move him, move him" (sopraan solist en koor; tenor solist)
  • Offertorium (10 minuten)
    • Domine Jesu Christe (jongenskoor)
    • Quam olim Abrahae (koor)
    • Isaac and Abram ("So Abram rose") (tenor en bariton solisten)
    • Hostias et preces tibi (jongenskoor)
    • Reprise of Quam olim Abrahae (koor)
  • Sanctus (10 minuten)
    • Sanctus and Benedictus (sopraan solist en koor)
    • "After the blast of lightning" (bariton solist)
  • Agnus Dei (4 minuten)
    • Agnus Dei (koor) onderbroken door "One ever hangs" (koor; tenor solist)
  • Libera me (23 minuten)
    • Libera me (sopraan solist en koor)
    • Strange Meeting ("It seems that out of battle I escaped") (tenor en bariton solisten)
    • In paradisum (jongenskoor, koor en sopraan solist)
    • Requiem aeternam (jongenskoor)

Thema[bewerken]

Benjamin Britten, die zelf atheïst en overtuigd pacifist was, had ervoor gekozen om zowel de nutteloosheid van oorlog, als de hypocrisie van de kerk in tijden van oorlog onder de loep te nemen. Owen, die enkele jaren priesteropleiding genoten had, worstelde zijn hele leven met dit thema. Dit is de reden dat er veel christelijke toespelingen in de gedichten te vinden zijn.
Het thema komt het beste tot zijn recht in het Offertorium: het koor zingt de opzwepende fuga "Quam olim Abrahae promisisti, et semini eius" (Wat is beloofd aan Abraham, en aan zijn nageslacht). Het volgende gedicht over het offer van Abraham van Owen sluit hierbij naadloos aan. Pas in de laatste twee regels van het gedicht wordt de boodschap duidelijk:

'...offer the ram of pride instead of him.'
But the old man would not so, but slew his son,
and half the seed of Europe, one by one.

Na deze genadeslag voor de kerkelijke instantie dooft het koor langzaam uit met dezelfde fuga, maar dit keer zonder de vrolijkheid als waarmee het koor begon.

Een wederkerend motief is het interval C en F#, dat overmatige kwart of tritonus genoemd wordt. Het is onder andere te horen in de kerkklokken aan het begin van "Requiem aeternam," en het einde van "Libera me". Een ander veelvoorkomend motief is de octotonische ladder, die het trillen van hemel en aarde inzet in "Libera me". Ten slotte verdient het Sanctus ook een speciale aandacht: bij de tekst "Pleni sunt coeli et terra gloria tua" (vol zijn hemel en aarde van Uw heerlijkheid) zingt het koor achtstemmig, waarbij alle twaalf tonen gebruikt worden. Bovendien zingt elk koorlid afzonderlijk de tekst in een ander tempo, zodat er een chaos van klanken ontstaat.

Orkestratie[bewerken]

Met

  • 1 dwarsfluit/piccolo, 1 hobo/althobo, 1 klarinet, 1 fagot, 1 hoorn,
  • 1 man/vrouw percussie, 1 harp, klein orgel of harmonium
  • 2 violen, 1 altviool, 1 cello en 1 contrabas

Première[bewerken]

Voor de première had Britten de sopraan Galina Visjnevskaja uit de Sovjet-Unie, de tenor Peter Pears (tevens de partner van Britten) uit Engeland en de bariton Dietrich Fischer-Dieskau uit Duitsland aangewezen, als teken van verzoening. Helaas kreeg de sopraan geen toestemming om voor deze gelegenheid het land te verlaten. Ze werd vervangen door Heather Harper. Op de eerste grammofoonplaatopname van het War Requiem is Visjnevskaja wel te horen.

De première werd uitgevoerd door het City of Birmingham Symphony Orchestra, geleid door Meredith Davis en het Melos Ensemble, geleid door Britten zelf. Het werd een groot succes. Later schreef Britten over zijn muziek: "Ik hoop dat het mensen tot denken aanzet". Op de titelpagina van de bladmuziek staat een citaat van Owen: "Mijn onderwerp is oorlog, en het jammerlijke van oorlog. De poëzie zit in dit jammerlijke. Een dichter kan slechts waarschuwen."

De Nederlandse première vond plaats tijdens het Holland Festival in 1964. Het Amsterdamse Koninklijk Concertgebouworkest en het Groot Omroepkoor werden geleid door Bernard Haitink. Het kamerorkest (bestaande uit musici van het Concertgebouw Orkest) werd door Britten zelf geleid. De solisten waren Visjnevskaja, Fischer-Dieskau en Pears, de eerste keer dat ze samen optraden.

Discografie[bewerken]

Het werk is talloze keren opgenomen, ook door de componist zelf.