Waterkrachtcentrale Rance

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Waterkrachtcentrale Rance
Luchtfoto van de Rance getijdencentrale
Luchtfoto van de Rance getijdencentrale
Stuwdam
Plaats Saint-Malo, Frankrijk
Bouwjaar 26 juli 1963 – 26 november 1966
Type getijdencentrale
Lengte van de stuwdam 700 - 750 m
Vermogen 24 turbines x 10 MW, totaal 240 MW
Stuwmeer
Oppervlakte 21 km²
Zicht op sluizen van de centrale
Zicht op sluizen van de centrale
Schaalmodel van de centrale
Schaalmodel van de centrale
Weg over de dam met de schutsluis op de voorgrond
Weg over de dam met de schutsluis op de voorgrond

De Waterkrachtcentrale van Rance is de eerste van zijn soort en is nog steeds op de op een na grootste getijdencentrale van de wereld. Het ligt in de monding van de Rance, in Bretagne. Het werd op 26 november 1966 in gebruik genomen en wordt beheerd door het Franse nutsbedrijf Électricité de France. De centrale heeft een capaciteit van 240 megawatt (MW) verdeeld op 24 turbines. Per jaar levert de centrale zo’n 540.000 MWh aan elektriciteit.

Geschiedenis[bewerken]

In 1921 kwam Gerard Boisnoer als eerste met een ontwerp voor de getijdencentrale in de monding van de Rance. De locatie was aantrekkelijk vanwege het grote verschil tussen eb en vloed. Gemiddeld is het verschil zo’n 8 meter en kan maximaal 13,5 meter bedragen.[1] Het duurde 40 jaar voordat een besluit hierover werd genomen.

Om de bouw van de dam mogelijk te maken moest eerst een kofferdam worden aangelegd.[1] Het omdijkte werkterrein werd drooggepompt en met de bouw van de dam en centrale werd op 20 juli 1963 aangevangen. De bouw duurde drie jaar en op 26 november 1966 werd de centrale officieel geopend door Charles de Gaulle.[1] De aansluiting met het Franse elektriciteitsnetwerk werd in december 1967 gerealiseerd.[2]

Werking[bewerken]

Bij vloed staan de sluizen van de centrale open en kan het zeewater achter de dam stromen. Het water achter de dam heeft een maximale oppervlakte van 22 km2.[2] Is het hoogste punt bereikt dan worden de deuren gesloten en wordt het water achter de dam in de monding van de rivier vastgehouden. Bij eb worden de deuren geopend en het water stroomt via 24 Kaplanturbines terug naar zee. De turbines drijven de generatoren, elk met een vermogen van 10 MW, aan en elektriciteit wordt geproduceerd.[2] Is het hoogteverschil achter en voor de dam gelijk, dan staakt de elektriciteitsproductie en de cyclus start opnieuw wanneer het weer vloed wordt.

Beschrijving[bewerken]

De dam heeft een totale lengte van ruim 700 meter. De centrale waar de turbines en generatoren staan opgesteld is 390 meter lang. Er zijn zes in- en uitlaatsluizen van elk 15 meter breed en 10 meter hoog. Over de dam loopt een weg en er is een schutsluis voor de scheepvaart. De kolk is 65 meter lang en 13 meter breed. Over de sluis ligt een beweegbare brug om ook hoge schepen doorgang te verlenen. Bij de centrale ligt een bezoekerscentrum waar jaarlijks zo’n 40.000 mensen komen.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c (fr) Alexandre Pigeard L’Usine Marémotrice, geraadpleegd op 19 januari 2014
  2. a b c (en) University of Strathclyde cadse studie, geraadpleegd op 19 januari 2014