Wederrechtelijke vrijheidsberoving

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Wederrechtelijke vrijheidsberoving is het vasthouden van een persoon zonder wettelijke basis.

Een wettelijke basis voor vrijheidsberoving kan bijvoorbeeld bestaan indien:

  • een persoon als verdachte wordt aangehouden, wordt opgehouden voor onderzoek, in verzekering wordt gesteld, in voorlopige hechtenis wordt genomen of tot een gevangenisstraf is veroordeeld en zijn straf/maatregel wordt geëxecuteerd.
  • een persoon op basis van een besluit van de rechter wordt opgesloten, omdat die persoon een gevaar voor zichzelf of voor anderen is, bijvoorbeeld, ten gevolge van een psychose.
  • een persoon wordt gegijzeld door de rechtbank om die persoon te dwingen een bevel van de rechter op te volgen.

De algemene regel is, dat iemand een ander niet tegen zijn wil mag vasthouden. Wederrechtelijke vrijheidsberoving kan voorkomen in combinatie met een ontvoering.

Het motief voor wederrechtelijke vrijheidsberoving ligt vaak in afpersing: de dader sluit dan het slachtoffer op totdat het slachtoffer, of anderen aan bepaalde eisen voldoen. De eis kan onder andere bestaan uit het betalen van een losgeld.

Toepasselijke strafbepalingen (Nederland)[bewerken]

  • Gronddelict (gedragingen die onder het gekwalificeerd delict kunnen worden gebracht, kunnen tevens onder het gronddelict worden 'gerubriceerd', andersom niet.):
    • Art. 282 Sr, lid 1: 'Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.'
  • Gekwalificeerde delicten (in de volksmond zou men zeggen 'zwaardere vorm van het (grond)delict'):
    • Art. 282 Sr, lid 2: 'Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenis van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.'
    • Art. 282, lid 3: 'Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.'
    • Gijzeling (gekwalificeerd delict):
    • Art. 282a Sr, lid 1: 'Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of niet te doen wordt als schuldig gijzeling gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.'
    • Art. 282a Sr, lid 2: 'Indien het feit de dood ten gevolge heeft wordt hij gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.'

Externe link[bewerken]