Wedloop om Afrika

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De naam Wedloop om Afrika (Duits: Wettlauf um Afrika; Engels: Scramble for Africa; Frans: Ruée vers l'Afrique) of Opdeling van Afrika (Duits: Aufteilung Afrikas; Engels: Partition of Africa; Frans: Partage de l'Afrique) is door historici gegeven aan de fase van het kolonialisatieproces van Afrika tussen circa 1880 en het begin van de Eerste Wereldoorlog. In deze periode trachtte een aantal Europese mogendheden een zo groot mogelijk deel van Afrika onder hun directe heerschappij te brengen. Tot dan toe was de rol van Europa in veel gevallen (doch niet steeds) beperkt gebleven tot het vestigen van handelsposten en minder directe vormen van machtsuitoefening, zoals het sluiten van verdragen met lokale machthebbers. Naarmate de negentiende eeuw vorderde, achtte men het steeds meer urgent om andere (Europese) mogendheden voor te zijn. Op de Koloniale Conferentie van Berlijn van 1884/1885 'verdeelden' de Europese landen Afrika onderling.

Motieven[bewerken]

De Brit Livingstone ontdekte het Afrikaanse binnenland, met name het Nijlstroomgebied.

De motieven van de Europese mogendheden om te streven naar een zo groot mogelijk bezit aan Afrikaanse koloniën waren drieledig: strategisch, economisch en humanitair. Hierbij wordt echter opgemerkt dat destijds een expliciete rechtvaardiging vermoedelijk weinig noodzakelijk werd gevonden: de tijdgeest was dusdanig dat men zichzelf zonder koloniën als incompleet beschouwde. De bestrijding van de slavenhandel was een rechtvaardiging die werd gebruikt door David Livingstone.

Strategisch[bewerken]

Brazza verkende het Kongobekken en stichtte Frans-Kongo.

Het strategische belang was enerzijds gelegen in de wens andere staten voor te zijn en eerder een flink stuk van het continent te claimen. Die gebieden konden dan, direct of op langere termijn, als afzetmarkt voor de producten van de eigen industrie en als leverancier van goedkope grondstoffen worden gebruikt. Bij dit laatste ging het vaak om schaarse en waardevolle zaken als goud en diamanten en om grondstoffen waaraan sinds vrij kort op grotere schaal behoefte was ontstaan. Ook werd strategisch belang gehecht aan het veilig stellen van handelsroutes, bijvoorbeeld door havens in het huidige Zuid-Afrika en (met name) het Suezkanaal (voor de scheepvaartroute naar India). Het strategisch belang was in feite een wedloop om de beste uitgangspositie.

Economisch[bewerken]

Het economische belang was tweeledig: nieuwe afzetmarkten voor de eigen industrie en investeringsmogelijkheden voor het eigen kapitaal aanboren, en anderzijds bronnen van goedkope grondstoffen (en arbeidskrachten) vinden. De meeste Europese landen hadden in de tweede helft van de negentiende eeuw een sterke industrialisatie doorgemaakt, met name het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en België. Hoewel de eigen afzetmarkten meestal nog niet verzadigd waren, werd wel uitgekeken naar nieuwe afzetmogelijkheden. Op het eigen continent waren deze vaak niet aanwezig omdat andere markten werden afgeschermd met importheffingen en andere restricties.

Na enkele decennia van sterke groei was, vooral in het Verenigd Koninkrijk, een overschot aan kapitaal aanwezig waarvoor men lucratieve investeringsmogelijkheden zocht. Deze werden in de nog te veroveren koloniën aanwezig geacht.

Van vermoedelijk minstens even groot belang was de behoefte aan grondstoffen. Een sterke toename van zowel de omvang van de industriële productie als het technologische niveau ervan leidde tot een vraag naar delfstoffen en natuurproducten die in Europa niet of nauwelijks aanwezig waren, maar in Afrika in schijnbaar onuitputtelijke mate gevonden werden. Met name rubber en koper werden gezocht.

Humanitair[bewerken]

Duitse kolonisten in vuurgevecht met inheemse bewoners in Oost-Afrika.
Spotprent van koning Leopold II van België die als slang een Congolees verstrikt.

Het kolonialisatieproces werd vaak gerechtvaardigd met de stelling dat dit de inheemse bevolking tot voordeel strekte, bijvoorbeeld door verbeteringen op bestuurlijk en medisch gebied, en bestrijding van de Arabische slavenhandel.[1] De Westerse beschaving werd in alle opzichten superieur geacht, daarom hadden de Westerse mogendheden niet slechts het recht, doch zelfs de dringende plicht om deze ook in Afrika in te voeren - waarbij de rol van zendelingen en missionarissen niet onvermeld kan worden gelaten. Hoewel niet ontkend kan worden dat op een aantal gebieden inderdaad duidelijke verbeteringen werden doorgevoerd, zoals landbouw, gezondheidszorg en infrastructuur, moet hierbij worden opgemerkt dat dit proces zonder de instemming van de plaatselijke bevolking zich voltrok, dwingend opgelegd door de kolonisatoren.

Ten aanzien van de humanitaire aspecten van het kolonialisatieproces wordt nog opgemerkt dat de uitvoering van deze voornemens vaak te wensen overliet. Rapporten omtrent grootschalige wreedheden in Kongo, op dat moment in feite een privé-onderneming van de Belgische koning Leopold II, dwongen hem in 1908 om zijn bezit aan de Belgische staat te schenken, voor welke schenking hij overigens gecompenseerd werd. En de Duitse behandeling van de Herero- en Nama-volken in Zuidwest-Afrika (thans Namibië) wordt thans beschouwd als een vroeg doch zuiver voorbeeld van genocide. Bovendien werden als gevolg van de koloniale afzetmarkt van Europese bedrijven veel lokale ondernemingen weggeconcurreerd, wat de inheemse bevolking economisch afhankelijk maakte, een toestand die in zekere mate nog voortduurt tot vandaag de dag.

"Spelregels"[bewerken]

Naarmate een steeds groter deel van Afrika werd veroverd, kwamen de diverse koloniserende mogendheden steeds vaker met elkaar in contact, hetgeen tot grotere en kleinere conflicten leidde. Teneinde dit proces enigszins in goede banen te leiden, werd in 1884 de Koloniale Conferentie van Berlijn gehouden. Onder voorzitterschap van de Duitse kanselier Bismarck spraken de deelnemende landen enige spelregels af, waarvan de voornaamste was dat een gebied pas formeel kon worden opgeëist nadat er een effectief bestuur, inclusief een voldoende militaire aanwezigheid, was gevestigd. Het sluiten van een verdrag met een lokaal stamhoofd waarin deze zich onder de "bescherming" van een Europese staat stelde en deze exclusieve en veelal verstrekkende rechten toekende, volstond dus niet meer om daarmee dit gebied tegenover Europese collega-staten als het zijne op te eisen. Voorts werd de wens uitgesproken om missionaire activiteiten te bevorderen.

Aan deze conferentie namen geen Afrikaanse staten deel, er was zelfs geen enkele Afrikaan op de conferentie aanwezig.[2]

De opdeling van Afrika[bewerken]

Verdeling van het Afrikaanse continent ca. 1911

Met deze afspraken was, in ieder geval in de ogen van de deelnemers aan deze conferentie, een goede basis gelegd voor een meestal redelijk ordelijk verloop van de verdere opdeling van Afrika. (De term "ordelijk" slaat hierbij op de relatie tussen de Europese staten, en niet op het gebruik van militair en ander geweld bij het kolonisatieproces zelf.) Door het ontbreken van sancties in het stelsel van afspraken kwamen enkele malen nog conflicten voor, zoals bij het Fashoda-incident: hier troffen in 1898 Engelse en Franse troepen elkaar in het huidige Zuid-Soedan.

Het Franse streven was de beschikking te krijgen over een strook die het gehele continent bestreek, vanaf de Atlantische Oceaan, via de Sahara, tot aan de Rode Zee. Het Britse streven was, een ononderbroken strook te bezitten van Egypte tot aan Zuid-Afrika. Op het snijpunt van beide strevens kwam het bijna tot een gewapend treffen. Het Britse streven werd overigens ook doorkruist door de Duitse aanwezigheid in Tanganyika (het huidige Tanzania).

In het algemeen verliep het proces echter zoals de Europese mogendheden zich dat voorstelden. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog waren er in geheel Afrika slechts drie landen die, de jure of de facto, geen kolonie van een Europese mogendheid waren: Liberia, de Somalische Derwisjstaat en Ethiopië. Het overgrote deel van de buit, zowel in de zin van aan hen onderworpen bevolking als voor wat betreft de economische betekenis, was in Britse handen terechtgekomen. Onder meer door diverse vroege ontdekkingsreizen hadden de Britten zich in het begin van het kolonisatieproces de meest gunstige uitgangspositie verworven, en zij hadden deze gedurende de gehele negentiende eeuw kunnen behouden.

Bronnen, noten en/of referenties

Voetnoten

  1. Hochschild (1998)
  2. Hochschild (1998), pagina 84

Bibliografie

  • (en) Adam Hochschild, (1998), King Leopold's ghost, Mariner Books, ISBN 0618001905
  • (en) Thomas Pakenham, (1991), The Scramble for Africa, Abacus, London, 738 p, ill, ISBN 0 349 10449 2
  • (en) Maria Petringa, (2006), Brazza, A Life for Africa ISBN 9781-4259-11980
  • H.Wesseling, (1991), Verdeel en heers. De deling van Afrika, 1880-1914, 527 blz., uitgeverij Bert Bakker - Amsterdam, ISBN 903512880x