Weduweverbranding

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
"Ceremony of Burning a Hindu Widow with the Body of her Late Husband", afkomstig van Pictorial History of China and India, 1851.
Sati op Bali, 1597

Weduweverbranding (mesatya) was een vroeger in India en Indonesië regelmatig voorkomende praktijk waarbij een weduwe om het leven werd gebracht doordat zij - al dan niet in verdoofde toestand - samen met het lichaam van haar echtgenoot werd verbrand. In India werd deze praktijk doorgaans "sati" genaamd (vaak ook als suttee geschreven). De betekenis van dit woord is "deugdzame vrouw".[1]

De praktijk werd altijd verondersteld op "vrijwilligheid" te berusten. In feite werd er echter vaak zeer zware morele druk op de weduwe uitgeoefend om hierin toe te stemmen. Een deugdzame vrouw behoorde het niet te begeren om haar echtgenoot te overleven.

Nooit was het zo dat alle weduwen aan deze praktijk werden onderworpen. Ook in de periode dat ze algemeen in zwang was, vanaf de vroege middeleeuwen tot in de 19e eeuw, werd waarschijnlijk zelden veel meer dan een procent van de weduwen aan deze praktijk onderworpen, hoewel dit percentage aanzienlijk hoger kon zijn bij vrouwen van hoge kaste.

Omstreeks 1830 heeft het Britse koloniale bestuur deze praktijk verboden. De Franse schrijver Jules Verne verwerkte desondanks in 1873 nog een vrouwenverbranding in zijn boek De reis om de wereld in tachtig dagen. Hierin redt hoofdpersoon Phileas Fogg de jonge Indiase weduwe Aouda van de brandstapel.

Aan het begin van de 20e eeuw verbood het Nederlandse koloniale bestuur de weduweverbranding op het eiland Bali, waar deze praktijk ook gangbaar was onder de hoogste kasten.

Weduweverbranding komt heden ten dage nog sporadisch voor. Zo werd bijvoorbeeld op 21 augustus 2006 een geval van 'sati' gemeld in de Indiase deelstaat Madhya Pradesh.[2]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties