Weekdieren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Weekdieren
Parende zeekatten
Parende zeekatten
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Onderrijk: Eumetazoa (Orgaandieren)
Superstam: Lophotrochozoa
Stam
Mollusca
Linnaeus, 1758
Afbeeldingen Weekdieren op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Weekdieren op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Beluister

(info)

De weekdieren of mollusken (Mollusca) vormen een stam van ongewervelde dieren met een week lichaam en in de regel een uitwendig kalkskelet (schelp). In 2009 schatte men het aantal soorten molluscae op 200.000, waarvan er tussen de 50.000 en 120.000 beschreven zijn.[1]

Weekdieren kennen een grote verscheidenheid aan vormen en zijn onderverdeeld in acht klassen, waarvan de bekendste de slakken (Gastropoda), de tweekleppigen (Bivalvia) en de inktvissen (Cephalopoda) zijn. Er zijn grote verschillen in vormen en anatomie, maar de weekdieren hebben een aantal kenmerken gemeen, zoals de bouw van het zenuwstelsel de bloedsomloop en de ontwikkeling van het embryo.

De meeste weekdieren leven in het water en daarvan leeft het grootste deel in zee. Slechts een deel van de slakken leeft op het land. De studie die zich bezighoudt met de weekdieren is de malacologie.

Er zijn fossiele weekdieren bekend vanaf het Precambrium.

Anatomie[bewerken]

Johannes Thiele, een belangrijk Duits malacoloog

Het lichaam bestaat grofweg uit drie delen: de voet, het inwendige (de organen), een omhulsel (mantel) en tevens meestal een schelp die in wezen een product is van de mantel van het weekdier. De mantel kan worden gezien als een soort huid, maar vervult afhankelijk van de groep van weekdieren verschillende functies. In de mantel zit de mantelholte, die de kamvormige kieuwen bevat en de ademhaling verzorgt. De mantel dient als bescherming door de slijmcellen en speelt een grote rol bij de voortbeweging (slakken), de mantel produceert het skelet (vrijwel alle weekdieren) en zorgt voor de opname van voedsel (tweekleppigen). Bij sommige weekdieren wordt de mantel ook gebruikt voor de voortbeweging, maar veel soorten verplaatsen zich met de voet.

Aan de buitenzijde van de mantel zijn cellen aanwezig die bij de meeste soorten een hard pantser aanmaken, dat de schelp wordt genoemd. De schelp bestaat bij de meeste weekdieren uit drie lagen:

  • Het periostracum is een zachte buitenlaag, een soort 'huid' en de reden dat schelpen er levend niet zo mooi uitzien als wanneer ze zijn bewerkt.
  • De belangrijkste beschermende laag bestaat uit kalk (CaCO3 met als verschijningsvormen calciet en aragoniet).
  • Gewoonlijk is er ook een zeer dunne derde laag aan de binnenzijde, de parelmoerlaag.

De schelp is een weliswaar harde maar toch flexibele behuizing die groter wordt naarmate het dier groeit. Door de relatief hoge massa is de schelp ook een zware last die veel soorten traag maakt omdat de schelp moet worden meegezeuld. Er zijn hierdoor maar weinig echt schelpdragende soorten die erg groot worden, de meeste soorten blijven ruim onder de tien centimeter. Een uitzondering zijn enkele tropische soorten en de kroon spant de tot honderden kilo's zware en anderhalve meter lange doopvontschelp (Tridacna gigas). Deze soort verblijft echter het grootste deel van zijn leven op één plek, omdat de schelp na enige tijd te zwaar wordt voor het dier om zich te verplaatsen. Alleen soorten met een zeer kleine of geen schelp kunnen nog groter worden, zoals een aantal octopussen. Bij veel soorten is de schelpvorm uniek en daarmee een belangrijke determinatiesleutel; weekdieren zijn vanwege hun waterige lijf moeilijk te conserveren en het lichaam gaat altijd verloren na de dood van het dier in de natuur.

De schelpvormen kunnen binnen een groep ook sterk verschillen, waardoor verwarring mogelijk is. Veel slakken hebben bijvoorbeeld een gedraaid huisje, maar er zijn ook soorten met een platter huis zonder windingen. Inktvissen zijn ontstaan uit weekdieren met een gedraaid, slak-achtig huisje, terwijl ze er verder totaal niet op lijken. Niet alleen het uiterlijk van de schelp maar ook het aantal beschermende schelpen per dier verschilt enigszins per groep. Slakken en de gelijkende mutsdragers (Monoplacophora) hebben bijvoorbeeld maar één schelpdeel, schelpdieren of tweekleppigen hebben er twee, keverslakken (die niet tot de slakken behoren) hebben 8 beschermingsplaten aan de bovenzijde. Tandschelpen hebben een langwerpig, toelopend huisje dat lijkt op een snijtand. Sommige groepen echter, zoals een aantal naaktslakken en de plaatloze stekelweekdieren hebben helemaal geen schelp, soorten uit de laatste groep lijken overigens meer op wormen maar zijn niet verwant. Ook bij de inktvissen is (op de nautilussen na) op het eerste gezicht geen schelp te zien, deze is echter inwendig wel aanwezig.

Weekdieren zonder uitwendige schelp(en) zijn erg gevoelig voor veranderingen in vochtigheid en temperatuur omdat ze hun weke lichaam niet kunnen beschermen. Op het land levende naaktslakken komen dan ook alleen 's nachts tevoorschijn of bij zeer vochtige weersomstandigheden. Maar ook een schelp biedt niet altijd voldoende bescherming tegen weersomstandigheden en predatoren. Veel weekdieren hebben daarom een zeer verborgen levenswijze en leven vrijwel uitsluitend ingegraven in de bodem van de zee.

De term 'schelp'[bewerken]

Met de term schelp zoals gebruikt in 'een schelp', of 'een schelpensoort' wordt in het algemene spraakgebruik doorgaans alleen de schelp van een bivalve of tweekleppige bedoeld. In de malacologie heeft deze term echter een bredere betekenis en wel in de zin van 'skelet' van een molluskensoort. Dat skelet kan kalkig maar ook hoornachtig zijn. Men kan dan ook spreken over de schelp van een gastropodensoort (een slakkenhuis) of de schelp van een inktvis. Bij een inktvis kan dat zowel betrekking hebben op de uitwendige schelp van de Nautilus maar ook op het inwendige skelet van een Zeekat (kalkig) of een Pijlinktvis (hoornachtig).

Voeding[bewerken]

De vele ogen van een tweekleppige uit de familie Pectinidae

Om te eten hebben de slakken en keverslakken een schaafachtig orgaan, genaamd de rasptong of radula. Deze bestaat uit vele rijen microscopische maar vlijmscherpe tandjes, de vorm is aangepast aan het voedsel. Hiermee worden laagjes van het voedsel geschraapt. Sommige slakken zijn carnivoor; zeeslakken jagen op levende prooien en boren gaatjes in de prooi, bijvoorbeeld tweekleppigen, en zuigen de inhoud leeg. De tweekleppigen hebben geen rasptong, veel soorten leven ingegraven in de bodem en filteren het voedsel uit het water. Grotere inktvissen hebben een scherpe, snavel-achtige bek om de prooi de proportioneren.

Levenswijze[bewerken]

Weekdieren zijn koudbloedig; ze produceren zelf geen warmte en hebben dezelfde temperatuur als hun omgeving. Veel soorten zijn gevoelig voor veranderingen in zoutgehalte, vochtigheid en temperatuur, en wapenen zich door een laagje slijm aan te maken. Als een levend exemplaar wordt aangeraakt voelt deze dan ook nat, slijmerig en koud aan. Andere kenmerken zijn dat veel soorten tweeslachtig zijn, en bij in zee levende soorten vindt vaak geen copulatie plaats maar worden de ei- en zaadcellen simpelweg uitgestoten en verspreid door de zeestroming. De meeste weekdieren die in zee leven hebben meestal een levensstadium genaamd trochofoor, dit is een in het water levend en vrijzwemmend larvestadium dat vaak tot het zoöplankton behoort.

Mollusken zijn voornamelijk zeebewoners. Uit twee groepen hebben zich soorten aangepast aan een leven in het zoete water (tweekleppigen en slakken) terwijl alleen een klein deel van de slakken het water verlaten heeft en landbewoner is geworden. Onder die laatste bevinden zich zelfs soorten die het onder de droogste omstandigheden in woestijnen nog uithouden.

Met een aantal soorten weekdieren gaat het niet goed, er zijn honderden soorten die recentelijk zijn uitgestorven. Ook in de Noordzee ging het bergafwaarts met bepaalde soorten, omdat chemicaliën, zoals giftige verf die op zeeschepen wordt aangebracht om algen te weren, onder andere de hormoonhuishouding van slakken als de wulk en de purperslak verstoorden waardoor ze seksuele afwijkingen ontwikkelden. Een aantal van deze stoffen is inmiddels verboden. Omdat weekdieren niet beschouwd worden als aaibare dieren, is er veel minder over bekend dan andere dieren, wat zijn weerslag heeft op de inventarisatie en bescherming van bedreigde soorten.

Taxonomie[bewerken]

Onderstaand de verschillende klassen van de weekdieren.

Stam: Weekdieren (Mollusca)

  • Klasse: Caudofoveata (Schildvoetigen) - ongeveer 150 soorten
  • Klasse: Solenogastres (Wormmollusken)
  • Klasse: Polyplacophora (Keverslakken) - 800 tot 1000 soorten
  • Klasse: Monoplacophora (Mutsdragers) - ongeveer 20 soorten
  • Klasse: Bivalvia (Tweekleppigen) - ongeveer 15 000 soorten
  • Klasse: Scaphopoda (Tandschelpen of stoottanden) - ongeveer 350 soorten
  • Klasse: Gastropoda (Slakken of buikpotigen) - ongeveer 90 000 soorten
  • Klasse: Cephalopoda (Inktvissen of koppotigen) - ongeveer 750 soorten

Fotogalerij[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Vista-kmixdocked.png
Door op de afspeelknop te klikken kunt u dit artikel beluisteren. Na het opnemen kan het artikel gewijzigd zijn, waardoor de tekst van de opname wellicht verouderd is. Zie verder info over deze opname, bekijk de oorspronkelijke versie of download de opname direct. (Meer info over gesproken Wikipedia)
Bronnen, noten en/of referenties