Weerstand (psychologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Weerstand is in de psychologie een proces waarbij de patiënt het goede verloop van therapie hindert.[1] Het begrip werd voor het eerst beschreven door Sigmund Freud en Joseph Breuer in Studies over hysterie en neemt een centrale plaats in binnen de psychoanalyse. Freud zag het onderkennen en omgaan met weerstand als een van de belangrijkste aspecten van de psychoanalyse.

Verschillende soorten weerstand volgens Sigmund Freud[bewerken]

Freud constateerde dat er vijf soorten weerstand waren. De eerste drie komen voort uit het ego, de vierde uit het id en de vijfde uit het superego.

  1. Verdringingsweerstand
  2. Overdrachtsweerstand
  3. Secundaire ziektewinst
  4. Herhalingsdwang
  5. Onbewuste strafbehoefte

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Verhulst, J., van de Vijver, V. (1990). "Weerstand tijdens therapie," De Psycholoog April 1990: 159-164.