Weerts
Het Maas-Rijnlandse dialectcontinuüm
Het Weerts (Limburgs: Wieërts) is een dialect, dat gesproken wordt in de Limburgse stad Weert.
Het is een dialect uit de Centraal Limburgse groep. Omdat het een stadsdialect is, wijkt het soms sterk af van de dialecten die gesproken worden in de directe omgeving. De oudste Weerter tekst is waarschijnlijk een vertaling van de gelijkenis van de Verloren Zoon uit 1807 (gepubliceerd in het boek 'Het Limburgs onder Napoleon').
Inhoud |
[bewerken] Kenmerken
Weert ligt ten westen van de Panninger linie, hierdoor heeft het dialect dus te maken met een sch- waar veel andere Limburgse dialecten een sj- hebben. Ook ligt de stad dicht bij de Genker barrière (de doe/gij-lijn). In het Weerts is het woord "gij" algemeen in het enkelvoud. Het komt voor in de vorm je bij een paar vaste verbindingen zoals: ajje (als je), en dooje (doe je). De vorm "de" en "dich" is in het stadweerts beperkt tot de aanspreekvorm voor kinderen en vrouwen, maar in varianten van het Weerts uit de omgeving is het algemeen. Andere belangrijke kenmerken zijn dat het in het Weerts uut is, en in veel andere Limburgse dialecten oet is. Ook is opvallend dat het Weerts geen t-deletie heeft, en dat er bijvoorbeeld bij werkwoorden in de derde persoon enkelvoud tj staat.
[bewerken] Klinkers
Het meest bijzondere aan het Weerts is het groot aantal verschillende klinkers. Het zijn er waarschijnlijk 28. Samen met nog een paar andere dialecten (Hamonts en een Beiers dialect) staat het aan kop op de wereldranglijst.
[bewerken] Voorbeelden van Weerter klinkers
De eerste klank is normaal, de tweede is een verlengde klank en de derde is een tweeklank met een sjwa (e) erbij:
1 wies = wijze, melodie of (ik) wijs 2 wiês = wijs (adjectief) 3 wieës = wees (substantief en werkwoord)
1 hoes = hoes (bijvoorbeeld platenhoes) 2 hoês = huis 3 hoeës = (wind)hoos
Het Weerts gebruikt dit systeem soms ook voor meervoud:
kniên (konijn) - knien (konijnen)
beîn (been) - bein (benen)
[bewerken] Literatuur
Een bekende schrijfster die in het Weerts schrijft is Annie van Gansewinkel.