Werkwoordstijd
Het tempus /tɛmpus/ (Latijns voor "tijd"; meervoud: tempora /tɛmpɔra/) geeft aan in welke tijd (in welke tijdfase) uit het oogpunt van de spreker (of schrijver) een gebeurtenis (= de propositie) plaatsvindt. Tijdstappen zijn (naast de wijs) een fundamentele categorie van de grammatica van de werkwoorden. Tempora zijn taalkundige middelen, die tijdrelaties uitdrukken.
Het tempus wordt door morfologische identificatie van de stam van een werkwoordstam (vervoeging) of door vervoeging van het werkwoord zijn gerealiseerd, dat wil zeggen door samengestelde vervoegingen gevormd. Ook bijvoorbeeld door een nul-flexie met behulp van bijwoorden of context.
Een andere grammaticale categorie van het werkwoord is het aspect. Het verschil met het tempus is dat het aspect de mate van voltooiing van een handeling aangeeft, onafhankelijk van hun absolute temporele context. Zie ook aspectualiteit.
Verdere verbale grammaticale categorieën zijn de diathese, de modaliteit en de actie.
De verschillende tempora [bewerken]
De volgende tempora worden onderscheiden:
- Onvoltooid tegenwoordige tijd (praesens): ik loop
- Voltooid tegenwoordige tijd (perfectum): ik heb gelopen
- Onvoltooid verleden tijd (imperfectum): ik liep
- Voltooid verleden tijd (plusquamperfectum): ik had gelopen
- Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (futurum simplex): ik zal lopen
- Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (futurum exactum): ik zal gelopen hebben
- Onvoltooid verleden toekomende tijd (futurum praeteriti): ik zou lopen
- Voltooid verleden toekomende tijd (futurum exactum praeteriti): ik zou gelopen hebben