Wet maatschappelijke ondersteuning

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is een Nederlandse wet die per 1 januari 2007 is ingevoerd. De wet vormt de basis van het stelsel van Zorg en Welzijn. Dit stelsel bestaat naast de Wmo ook uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Zorgverzekeringswet (Zvw).

De wet verplicht de gemeente om burgers keuze te bieden uit hulp in natura of een persoonsgebonden budget, waarmee de zorg of hulp zelf ingekocht kan worden. Daarnaast is er een compensatieplicht, dat wil zeggen de beperkingen (zoals huishoudelijke beperkingen) die iemand ondervindt worden gecompenseerd door voorzieningen aan te bieden.

De Wmo omvat:

  • woningaanpassingen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen (voorheen via de WVG)
  • welzijnsbeleid (voorheen via de Welzijnswet 1994)
  • huishoudelijke verzorging (voorheen via de AWBZ)
  • bestrijding van huiselijk geweld
  • vrouwenopvang
  • zorg voor dak- en thuislozen (Maatschappelijke Opvang)

Per 01-01-2013 wordt de functie 'begeleiding' voor nieuwe aanvragen niet meer binnen de AWBZ afgegeven. De Wmo kent een compensatieplicht en er zal dan bekeken worden welke compensatie ingezet moet worden. Per 01-01-2014 wordt de functie begeleiding in de huidige vorm (AWBZ functie begeleiding individueel of begeleiding groep, in de volksmond dagbesteding) opgeheven. Daarmee is de vraag wat de gemeenten overnemen van de door de jaren heen opgebouwde expertise van zorgaanbieders - maar ook de kennis die bij zorgkantoren ligt. Een van de vragen die nu al naar boven komen is wat te doen met specifieke aandoeningen zoals mensen met zintuiglijke problemen en mensen met niet-aangeboren hersenletsel (NAH). Deze doelgroepen vragen een specifieke kennis die niet elke organisatie in huis heeft. De huidige aanbieders van deze specifieke begeleiding werken in grote regio`s en vaak provincie-overstijgend. Hoe deze inkoop van kennis bij gemeenten gaat is nog onduidelijk.

Uitvoering door gemeenten[bewerken]

De Wmo wordt uitgevoerd door de gemeenten. Vanuit de Wmo zijn gemeenten verplicht een Wmo-loket te openen. De burger moet via dit loket toegang krijgen tot alle Wmo-voorzieningen. Soms voert een Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) deze gemeentelijke taken uit voor meerdere aangrenzende gemeenten.

Gemeenten hebben veel beleidsvrijheid om de uitvoering zelf vorm te geven waardoor de uitvoering per gemeente sterk kan verschillen. Onder de Wmo zijn veel gemeenten de huishoudelijke hulp gaan aanbesteden. Om het verschil met het systeem van voor 2007 duidelijk te maken spreken zij over Hulp bij het huishouden.

De regering verwacht dat gemeenten via de Wmo de zorg flexibel kunnen verstrekken en een grotere inzet van mantelzorgers en vrijwilligers kunnen realiseren. De verwachting is dat de kosten voor de AWBZ zo worden teruggedrongen. Deze kostenbesparing verwacht de regering te kunnen realiseren door de gemeente een budget te geven voor de uitvoering van de Wmo. Eventuele tekorten zullen door de gemeente zelf gedragen moeten worden.

De beleidsvrijheid die gemeenten hebben voor het uitvoeren van Wmo-beleid op lokaal niveau reikt niet zover dat zij, in strijd met het wettelijk kader van de Wmo zelf, inkomensbeleid mogen voeren. In 2012 bleek driekwart van alle gemeenten echter inkomensgrenzen en andere financiële voorwaarden in hun Wmo-verordeningen te hebben staan die in strijd zijn met de wet. De regering heeft de gemeenten aangemaand deze verordeningen direct aan te passen.[1]

Kosten en middelen[bewerken]

Via het gemeentefonds ontvangen gemeenten in 2010 € 1,626 miljard voor de uitvoering van de Wmo.

VWS en VNG hebben een onafhankelijke partij gevraagd om de hoogte van de uitvoeringskosten te bepalen. Deze zijn vastgesteld op € 67 miljoen (€ 60 miljoen + € 7 miljoen voor vergoeding van uitvoering cliënttevredenheidsonderzoek).

Eigen bijdrage[bewerken]

De maximale eigen bijdrage wordt geregeld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Bijvoorbeeld, voor de ongehuwde jonger dan 65 jaar is dit maximum € 17,80 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen (inkomensgegeven) meer bedraagt dan € 22.636 het bedrag van € 17,80 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en € 22.636. Hier gaat 33% af, de korting op de eigen bijdrage die is ingevoerd met het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten dat het Besluit maatschappelijke ondersteuning wijzigde. Hierdoor verandert het bedrag van € 17,80 feitelijk in € 11,93 en het percentage van 15% in 10%.

Mede door de vermogensinkomensbijtelling neemt per € 1000 vermogen boven het heffingsvrije vermogen het in aanmerking genomen inkomen toe met € 120, en wordt de eigen bijdrage per jaar dus verhoogd met 15% van € 120, is € 18, min 33%, is € 12.

Stichting De Ombudsman wijst erop dat, afhankelijk van de hoogte van het inkomen en het aantal voorzieningen dat in gebruik is, het in sommige gevallen voordeliger kan zijn om zelf een (tweedehands) voorziening aan te schaffen in plaats van het betalen van de eigen bijdrage. Zo bespaart men zich bovendien de aanvraag- en verantwoordingsprocedure.[2]

Geschiedenis[bewerken]

De Wmo vervangt de Welzijnswet 1994, de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en delen van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

Bij de behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel Wmo zijn er aanzienlijke veranderingen in het wetsontwerp doorgevoerd: de mogelijkheid te kiezen voor een persoonsgebonden budget, en de compensatieplicht.

In het eerste jaar is veel onrust ontstaan onder thuiszorgorganisaties. Ze constateerden dat veel gemeenten vooral de goedkopere alphahulp indiceerden. Bij de aanbesteding die vooraf ging aan de invoering van de Wmo hadden de thuiszorginstellingen daar niet op gerekend met als gevolg dreigende ontslagen van hoger opgeleid personeel en tekort aan alphahulpen. Veel gemeenten hebben hierop nieuwe afspraken gemaakt met de thuisorganisaties waarmee zij contracten hadden afgesloten. Deze afspraken hebben veelal de vorm van overgangsregelingen.

In verband met het opschuiven van de invoeringsdatum naar 1 januari 2007 hebben gemeenten eenmalig 30 miljoen euro extra gekregen voor de invoeringskosten. Deze 30 miljoen euro is bovenop de reeds beschikbaar gestelde 45 miljoen euro gekomen, waardoor het totaal neerkwam op 75 miljoen euro. In dit bedrag zijn de kosten die het Rijk maakt voor de ontwikkelpilots niet inbegrepen.

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015[bewerken]

De Wet van 9 juli 2014, houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) treedt (behoudens regels die betrekking hebben op de voorbereiding, en al in werking zijn getreden) op 1 januari 2015 in werking. De Wet maatschappelijke ondersteuning wordt daarbij ingetrokken (behoudens overgangsrecht).

De diverse aanspraken, zoals die op huishoudelijke hulp, worden vervangen door een maatwerkvoorziening voor degenen die het echt nodig hebben en het niet uit eigen middelen kunnen betalen.[3] Het voorzieningenniveau zal meer van gemeente tot gemeente gaan verschillen.

Een ingezetene van Nederland komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit onder meer door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp (hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten), met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk (personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliёnt een sociale relatie onderhoudt) voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie. Een maatwerkvoorziening is daarbij een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer.

De gemeente dient ook algemene voorzieningen te bieden aan ingezetenen die maatschappelijke ondersteuning behoeven: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie.

Bij verordening kan worden bepaald dat een cliënt een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor het gebruik van een algemene voorziening of maatwerkvoorziening. Er kan worden bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening afhankelijk is van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot (daaronder begrepen iemand met wie hij een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad). De bijdrage is niet hoger dan de kostprijs. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bijdrage. Hiermee wordt gewaarborgd dat in alle gemeenten sprake is van een uniforme systematiek die ten grondslag ligt aan het vaststellen van de inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdragen. De regering is niet voornemens om deze systematiek (zie boven) te wijzigen. De bijdrage wordt voor de gemeente geïnd door het CAK.

Bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliёnten in de gemeente (nieuwe, gemeentelijke versie van het mantelzorgcompliment).

De gemeente dient er zorg voor te dragen dat voor ingezetenen op ieder moment van de dag telefonisch of elektronisch anoniem een luisterend oor en advies beschikbaar is (anonieme hulp op afstand, zoals Sensoor). Omdat de verblijfsgemeente van een hulpvrager door de anonimiteit niet bekend is wordt de dienstverlening niet op basis daarvan georganiseerd, en dienen gemeenten dit gezamenlijk op te zetten.

De gemeente onderzoekt na een aanvraag voor een maatwerkvoorziening:

  • de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
  • de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren;
  • de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; de betrokkene moet naar het oordeel van de regering in het kader van zijn aanvraag van een maatwerkvoorziening bereid zijn de gemeente actief te informeren over personen die onderdeel uitmaken van zijn sociale netwerk en over wat deze personen al dan niet bij de maatschappelijke ondersteuning voor hem zouden kunnen betekenen; indien de gemeente dat wenselijk vindt moet de betrokkene ook bereid zijn de gemeente in contact te brengen met personen uit zijn sociale netwerk; dit is alleen anders als de betrokkene gegronde redenen heeft om dit te weigeren;
  • de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;
  • de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdzorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;
  • welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn.

De gemeente kan een persoonsgebonden budget verstrekken.

Externe links[bewerken]

Noten