Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (kortweg Wet Vpb 1969) regelt een directe belasting die de Staat der Nederlanden heft met betrekking tot "inkomen" dat in Nederland gevestigde en bepaalde niet in Nederland gevestigde "lichamen" genieten. Het tarief is licht progressief volgens twee schijven (20% en 25%).

De wet kan economisch worden gezien als een inkomensbelasting voor rechtspersonen. Natuurlijke personen vallen niet onder de Wet Vpb 1969, maar onder de Wet inkomstenbelasting 2001.

Voorloper van de huidige Wet vennootschapsbelasting 1969 is het Besluit op de Winstbelasting 1940, dat in de periode van de Duitse bezetting werd ingevoerd. (Besluit van 26 juli 1940, Verordeningenblad nr 83/1940, Staatsblad nr. 405). Dit was voor het eerst dat er in Nederland rechtstreeks een belasting werd geheven van ondernemingen die niet door natuurlijke personen werden gedreven. Voordien was er een aparte Dividend- en Tantièmebelasting geweest, waarbij belasting geheven werd op bepaalde uitdelingen die door zulke ondernemingen werden gedaan.

In 2007 is een ingrijpend gewijzigde wet vennootschapsbelasting in werking getreden. Onder andere in de deelnemingsvrijstelling werden belangrijke veranderingen aangebracht. Ook werd voor het eerst een beperkt boxenstelsel doorgevoerd, met een aparte box voor groepsrente en octrooien. De Vennootschapsbelasting kan sinds 2007 daarom een analytische belasting genoemd worden.

In 2006 bedroeg de opbrengst van de vennootschapsbelasting een kleine € 18 miljard (ruim 14% van de totale Rijksbelastinginkomsten).[1] De vennootschapsbelasting is daarmee de op twee na meest opbrengende rijksbelasting (na de omzetbelasting en de loonbelasting).

Voor vennootschapsbelasting in het algemeen, zie vennootschapsbelasting.

Indeling[bewerken]

De Wet Vpb 1969 bestaat uit een aantal hoofdstukken, afdelingen en artikelen. In de hieronder staande weergave van de hoofdstukken komt de structuur van de wet goed tot uiting:

Hoofdstuk I - Belastingplicht

Hoofdstuk II - Voorwerp van belasting bij binnenlandse belastingplichtigen

Hoofdstuk III - Voorwerp van belasting bij buitenlandse belastingplichtigen

Hoofdstuk IV - Verrekening van verliezen

Hoofdstuk V - Tarief

Hoofdstuk VA - Deelnemingsverrekening

Hoofdstuk VI - Wijze van heffing

Hoofdstuk VII - Aanvullende regelingen

Hoofdstuk VIII - Overgangs- en slotbepalingen

Naast de Wet Vpb 1969 zijn er vele besluiten en beschikkingen die voor de bepaling van belastingplicht van belang zijn. Daarnaast is de rechtspraak van belang voor de interpretatie van de wettelijke bepalingen.

De belastingplichtige - "subjectieve belastingplicht"[bewerken]

In hoofdstuk I van de Wet Vpb 1969 wordt de zogenoemde subjectieve belastingplicht geregeld: wie is belastingplichtig. De eerste belangrijke tweedeling die de wet maakt, is die in binnenlandse belastingplichtigen en buitenlandse belastingplichtigen (belastingplichtigen in het algemeen worden in de Wet Vpb 1969 aangeduid met de term "lichamen"). Deze tweedeling is van belang omdat het voorwerp waarover de belasting wordt berekend (de zogenoemde objectieve belastingplicht) voor ieder van de twee typen belastingplichtigen verschillend is. Binnenlandse belastingplichtigen dienen in beginsel hun gehele winst aan te geven, dat wil zeggen, winst die haar oorsprong zowel binnen als buiten Nederland heeft. Buitenlandse belastingplichtigen hoeven daarentegen uitsluitend hun "Nederlandse inkomen" aan te geven, dat wil zeggen inkomen dat een bepaalde binding met Nederland heeft.

Binnenlandse belastingplichtigen[bewerken]

Binnenlandse belastingplichtigen zijn grosso modo alle in Nederland gevestigde rechtspersonen, zoals naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag, onderlinge waarborgmaatschappijen en verenigingen die op onderlinge grondslag als verzekeraar of kredietinstelling optreden. Ook "gewone" verenigingen en andere niet-publiekrechtelijke rechtspersonen, zoals stichtingen, zijn belastingplichtig, maar wel uitsluitend indien en voor zover zij een onderneming drijven. Ook een aantal niet rechtspersoonlijkheid bezittende, in Nederland gevestigde samenwerkingsverbanden, zoals bepaalde commanditaire vennootschappen en fondsen voor gemene rekening, zijn belastingplichtig. Ten slotte kunnen publiekrechtelijke rechtspersonen (bijvoorbeeld gemeenten) belastingplichtig zijn indien zij bepaalde typen ondernemingen drijven.

Buitenlandse belastingplichtigen[bewerken]

Buitenlandse belastingplichtigen zijn grosso modo alle niet in Nederland gevestigde rechtspersonen (en een aantal niet rechtspersoonlijkheid bezittende samenwerkingsverbanden), maar dan wel uitsluitend indien en voor zover zij Nederlands inkomen genieten. Er wordt ook op de zogenaamde doelvermogens gewezen: het gaat hier dan met name om de rechtsfiguur van de trust.

Vestigingsplaats[bewerken]

Als gevolg van de bovengenoemde tweedeling is het van belang om vast te stellen waar een lichaam gevestigd is (in Nederland dan wel niet in Nederland). Waar een lichaam gevestigd is, wordt bepaald aan de hand van de algemene regel die is opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (artikel 4 AWR). Veelal is, kort gezegd, de plaats waar de zogenoemde feitelijke leiding van het lichaam gevestigd is, doorslaggevend voor het antwoord op die vraag. Een belangrijke bepaling is in dit verband ook de wettelijke fictie die bepaalt dat een naar Nederlands recht opgericht lichaam in beginsel geacht wordt in Nederland gevestigd te zijn. (artikel 2 lid 4 Wet Vpb)

Subjectieve vrijstellingen[bewerken]

In hoofdstuk I van de Wet Vpb 1969 worden ook de zogenoemde subjectieve vrijstellingen geregeld. Op grond van deze vrijstellingen worden lichamen die op grond van de hoofdregel in beginsel belastingplichtig zijn, specifiek aangemerkt als niet belastingplichtig. Een naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschap die zich bezighoudt met "volkshuisvesting" is op grond van de huidige wetgeving (2007) bijvoorbeeld (nog) vrijgesteld.

Fiscale eenheid[bewerken]

Zoals uit het bovenstaande blijkt, is ieder lichaam wettelijk gezien afzonderlijk belastingplichtig. De wet kent echter een bijzondere regeling (de fiscale eenheid) waarbij twee of meer verbonden lichamen op hun verzoek en met instemming van de inspecteur de verschuldigde belasting mogen berekenen alsof die lichamen één belastingplichtige zijn. Dit kan voor de betrokken lichamen voordeel opleveren indien bijvoorbeeld één lichaam winst maakt en een ander lichaam in hetzelfde boekjaar verlies draait: die winst en dat verlies mogen in beginsel met elkaar verrekend worden vóórdat de verschuldigde belasting berekend wordt. Een ander voordeel is dat voor de gehele fiscale eenheid één aangifte vennootschapsbelasting moet worden ingediend en niet voor alle vennootschappen afzonderelijk.

Het voorwerp van belasting - "objectieve belastingplicht"[bewerken]

De zogenoemde objectieve belastingplicht (over welk inkomen is belasting verschuldigd) is geregeld in hoofdstuk II (binnenlandse belastingplichtigen) en hoofdstuk III (buitenlands belastingplichtigen) van de Wet Vpb 1969.

Voorwerp van belasting voor binnenlandse belastingplichtigen[bewerken]

Ten aanzien van binnenlandse belastingplichtigen wordt de belasting geheven over het belastbare bedrag. Onder laatstgenoemd begrip wordt verstaan de belastbare (jaar)winst verminderd met eventuele verliezen uit andere jaren, berekend conform de regels van hoofdstuk IV van de Wet Vpb 1969. Jaarwinst is op haar beurt weer gedefinieerd als de in het boekjaar van de belastingplichtige genoten winst verminderd met de aftrekbare giften (onder omstandigheden mag de belastingplichtige niet zijn boekjaar volgen). Wat onder winst verstaan wordt, is in de wet bepaald en door rechtspraak nader uitgelegd. Het begrip "winst" voor de Wet Vpb 1969 is in beginsel gelijk aan het begrip "winst" zoals dat bepaald is in de Nederlandse inkomstenbelasting (het winstbegrip zoals dat geldt voor natuurlijke personen die een onderneming drijven). Op dit uitgangspunt zijn echter vele uitzonderingen. Het fiscale winstbegrip hoeft in de Nederlandse situatie niet gelijk te zijn aan het economische winstbegrip zoals dat geldt voor de bepaling van de jaarrekening (dit in tegenstelling tot veel andere landen alwaar het fiscale en economische winstbegrip per definitie gelijk zijn aan elkaar) en is dat vaak ook niet. Eventuele verschillen kunnen zowel permanent als tijdelijk zijn, alsook in het voordeel en in het nadeel van de belastingplichtige uitvallen. Het belastbaar bedrag wordt in beginsel berekend in euro's, hoewel de belastingplichtige de belastinginspecteur kan verzoeken om het bedrag in een andere valuta te berekenen (de zogenoemde functionele valutaregeling).

Voorwerp van belasting voor buitenlandse belastingplichtigen[bewerken]

Ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen wordt de belasting geheven over het belastbare Nederlandse bedrag. Onder laatstgenoemd begrip wordt verstaan het in het kalenderjaar genoten Nederlandse inkomen verminderd met eventuele verliezen uit andere jaren, berekend conform de regels van hoofdstuk IV van de Wet Vpb 1969 (buitenlandse belastingplichtigen moeten hun Nederlandse inkomen per kalenderjaar berekenen zelfs indien zij een boekjaar volgen dat niet gelijk loopt aan het kalenderjaar). Het begrip "Nederlands inkomen" is precies beschreven. Kan een bepaald inkomenbestanddeel niet onder de definitie gebracht worden, dan wordt dat inkomensbestanddeel niet in Nederland belast. Nederlands inkomen is gedefinieerd als het gezamenlijke bedrag van (i) de belastbare winst uit een in Nederland gelegen, middels een vaste inrichting dan wel vaste vertegenwoordiger gedreven (gedeelte van) onderneming en (ii) het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang (in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001) in een in Nederland gevestigde vennootschap indien dat belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming. Bij wetsfictie worden een belangrijk aantal zaken en rechten geacht tot een Nederlandse onderneming te behoren. Een niet in Nederland gevestigde vennootschap die bijvoorbeeld in Nederland gelegen onroerende zaken exploiteert, dient de daarmee samenhangende exploitatie-inkomsten als Nederlands inkomen aan te geven. Veel bepalingen die van toepassing zijn op binnenlandse belastingplichtigen zijn van overeenkomstige toepassing op buitenlandse belastingplichtigen (bijvoorbeeld de bepalingen inzake de winst en de functionele valutaregeling).

Objectieve vrijstelling – de deelnemingsvrijstelling[bewerken]

De deelnemingsvrijstelling is een belangrijke, zogenoemde objectieve vrijstelling die in beginsel voor zowel binnenlandse als buitenlandse belastingplichtigen geldt. Op grond van deze vrijstelling blijven bij het bepalen van de winst van een lichaam de inkomsten (inclusief boekwinsten), maar ook de kosten die samenhangen met een deelneming die dat lichaam houdt, in beginsel buiten de (belastbare) winst van dat lichaam. Zo zijn bijvoorbeeld dividenden die een deelneming aan het lichaam (de aandeelhouder) uitkeert bij dat lichaam vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Van een deelneming is onder meer sprake indien een lichaam voor ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van een vennootschap waarvan het kapitaal in aandelen is verdeeld. De Wet Vpb 1969 kent voor de deelnemingsvrijstelling tevens een aantal anti-misbruikbepalingen omdat de deelnemingsvrijstelling voor oneigenlijk gebruik vatbaar is gebleken. De ratio van de deelnemingsvrijstelling is het vóórkomen van economisch dubbele belasting

Overige faciliteiten[bewerken]

De Wet Vpb 1969 kent ook nog een aantal andere faciliteiten, zoals onder meer de bedrijfsfusieregeling en de juridische fusieregeling. Dit zijn regelingen die het mogelijk maken om onder omstandigheden met uitstel van belastingheffing te reorganiseren.

Verliesverrekening[bewerken]

Zowel de belastbare winst (binnenlandse belastingplichtingen) als het Nederlandse inkomen (buitenlandse belastingplichtigen) kunnen een negatief bedrag zijn. Is dat het geval, dan wordt gesproken over een verlies. In hoofdstuk IV van de Wet Vpb 1969 wordt bepaald hoe met deze verliezen omgegaan moet worden.

Verliezen uit een jaar kunnen in beginsel en onder voorwaarden verrekend worden met de positieve belastbare winsten cq positieve Nederlandse inkomens van het voorafgaande jaar (carry back) en de negen volgende jaren (carry forward). Verliezen worden verrekend in de chronologische volgorde waarin zij ontstaan zijn.

Toepassing van de carry back regeling leidt ertoe dat de aanslag van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin verlies geleden is, verminderd wordt, hetgeen leidt tot een terugggaaf van belasting voor het jaar waarin winst gemaakt werd.

Toepassing van de carry forward regeling leidt ertoe dat de "winst" van het onderhavige jaar verminderd wordt met het verlies van een voorafgaand jaar zodat de aanslag van het onderhavige jaar lager uitvalt met het gevolg dat er minder belasting verschuldigd is voor dat jaar.

Het kan voorkomen dat een verlies door de wettelijke beperking van de verliesverrekening niet meer verrekend kan worden. In het fiscale jargon wordt dit aangeduid als verliesverdamping.

Tarief[bewerken]

In hoofdstuk V van de Wet Vpb 1969 staat beschreven dat de belasting wordt berekend over het belastbare bedrag (binnenlandse belastingplichtigen) dan wel het belastbare Nederlandse bedrag (buitenlandse belastingplichtigen).

Sinds 1 januari 2011 geldt voor de eerste € 200.000 een tarief van 20% en voor het deel boven de € 200.000 een tarief van 25%.

Wijze van heffing[bewerken]

In hoofdstuk VI Wet Vpb 1969 staat beschreven dat de vennootschapsbelasting wordt geheven door het opleggen van aanslag. Dit betekent dat de belasting pas verschuldigd is nadat de belastinginspecteur de belastingschuld formeel heeft vastgesteld. Veelal zal de belastinginspecteur pas tot het opleggen van een aanslag overgaan nadat de belastingplichtige een aangifte heeft gedaan. De definitieve aanslag kan voorafgegaan worden door één of meer voorlopige aanslagen. Nadat de definitieve aanslag is opgelegd, staat de belastingschuld in beginsel onomstotelijk vast. Onder omstandigheden kan de belastinginspecteur echter ook een zogenoemde navorderingsaanslag opleggen.

Een aantal belastingen, waaronder Nederlandse dividendbelasting, kan onder voorwaarden verrekend worden met de verschuldigde vennootschapsbelasting.

Internationale aspecten[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Belastingverdrag voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Als gevolg van belastingverdragen kan het voorkomen dat inkomsten die volgens de wet in Nederland belastbaar zijn niet in Nederland belast mogen worden: belastingverdragen zijn volgens de Nederlandse juridische systematiek in de regel van een hogere orde dan belastingwetten zodat wettelijke bepalingen door conflicterende verdragsbepalingen buiten werking gezet kunnen worden. Ook kan het als gevolg van belastingverdragen voorkomen dat bepaalde inkomsten alleen tegen een van de Wet Vpb 1969 afwijkend tarief belast mogen worden, dan wel dat de Nederlandse fiscus moet toestaan dat de verschuldigde Nederlandse vennootschapsbelasting verminderd wordt in verband met het feit dat een buitenlandse staat over dezelfde inkomsten belasting heft. Het voornaamste doel van belastingverdragen is het vóórkomen, of althans verminderen, van zogenoemde internationale dubbele belastingheffing.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties