Wet van Gresham

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Thomas Gresham

De wet van Gresham zegt dat: “Bad money drives out good money”. Hij is genoemd naar Thomas Gresham, een Engels 16e-eeuws bankier, die het fenomeen overigens lang niet als eerste opmerkte. Deze wet werd eerder geformuleerd of beschreven door onder meer Aristophanes (in het blijspel Kikkers (Βατραχοι)), Nicolaas van Oresme en Nicolaus Copernicus. In Polen heet deze wet daarom de Wet van Copernicus-Gresham. De wet is nooit onderzocht maar wordt wel algemeen aanvaard. De Wet van Gresham luidt:

Bad money drives out good money exchanged for the same price.
(Vertaling: Slecht geld verdringt goed geld tegen dezelfde wisselkoers.)

De Wet slaat alleen op muntgeld met erop vermelde wettelijke nominale waarde.

Historie[bewerken]

Nicolaas van Oresme beschreef al de reacties van mensen op wisselende kwaliteit geld.

De uitdrukking "Wet van Gresham" dateert pas uit 1858, toen de Schotse econoom Henry Dunning Macleod (1821-1902) besloot het fenomeen dat goed geld wordt verdreven door slecht geld, te vernoemen naar Thomas Gresham (1519-1579). Macleod schreef dat dit verschijnsel weliswaar voorheen al waargenomen was, maar dat Gresham als eerste het noodzakelijke verband zag tussen de feiten.[1]

Gresham zelf vermeldde het in een brief aan koningin Elizabeth I, exact 300 jaar eerder. Zij was net op de troon gekomen en besteedde direct aandacht aan het muntwezen, daarop geattendeerd door Gresham. Aanleiding was het vervangen van 40 procent van het zilvergehalte van de Engelse shilling door waardeloos metaal door Henry VIII. Een vorm van devaluatie en het omzeilen van belastingen. De oude shillings werden verzameld, de nieuwe als geld gebruikt, een toen algemeen bekend feit. Bij het bestijgen van de troon door Henry's dochter Elizabeth I, wees Gresham haar hierop, waarna zij een plan ontwikkelde voor het herstel van deugdelijk geld.

Macleod (1858) vertelt dat in 407 v.Chr. op het Griekse schiereiland Peloponnesos de aloude en veelgeroemde munt Attic werd vervangen door een mindere kwaliteit gouden munt. De Attic verdween direct uit de circulatie (werd opgepot), een feit dat ook is opgemerkt door Aristophanes in zijn toneelstuk De Kikkers, waarvan diverse vertalingen bestaan. Aristophanes vergelijkt hierin het lot van politici die hetzelfde wacht als verschillende kwaliteit munten.

Theognis, een Griekse dichter die leefde in de tweede helft van de 6e eeuw v.Chr., meldt in zijn boek Maxims dat legeringen van goud en zilver eenvoudig worden ontdekt door slimme mensen en dat niemand een slechter ruilmiddel accepteert als een beter voorhanden is.[2]

Nicolaas van Oresme schreef in 1357 zijn Treatise on the Origin, Nature, Law, and Alterations of Money, waarin hij het verschijnsel ook noemt, in een uitgebreid betoog over muntvervalsingen door verlaging van het gehalte edelmetaal. Hij haakte hiermee aan bij al lang bestaande kennis; in petities aan tijdgenoten Eduard III en Richard II werd hierop al gezinspeeld.[3]

John Hales (overleden in 1571) schreef het werk A discourse on the Common Weal of this Realm of England waarin hij verwijst naar proclamaties waarin het circuleren van oude gouden munten boven een zekere prijs wordt verboden. Dat verbod zou die munten juist uit circulatie halen en daarmee onbereikbaar voor het publiek.

Ook in het vroegere China was men er al bekend mee.[4] De neo-Confucianist Yeh Shih (1150-1223) wijst erop dat een tekort aan muntgeld niet ondervangen kan worden met papiergeld, omdat munten dan nog meer gehamsterd zullen worden. Papiergeld verdrijft het echte geld, de munten, welks "tekort" men met papier had willen opvangen. Schrijver Yuan Hsieh betoogt dat het toevoegen van ijzergeld, naast kopergeld en papiergeld, het koper nog duurder en minder gebruikmaakt. Ook de vroeg-twintigste eeuwse auteur Chen Huan-Chang verwees naar Yuan Hsieh en verwierp daarom bimetallisme dat bestaat uit koper en ijzergeld en omdat dat de Wet van Gresham in praktijk betekent.[5]

'Goed' en 'slecht' geld[bewerken]

Van "goed" geld wijkt de nominale waarde die op de munt staat, nauwelijks of niet af van zijn gehalte aan edelmetaal. Zonder wetten op de betaalmiddelen zal zulk edelmetaalgeld vrijelijk worden verhandeld tegen een koers die iets boven de ruwe grondstofwaarde ligt. Mensen handelen namelijk liever in munten dan in 'anonieme' stukken edelmetaal, en dat maakt de prijs van zulke munten iets hoger dan de prijs van het edelmetaal erin. Het prijsverschil tussen nominale waarde en metaalwaarde heet seigniorage. Omdat sommige munten niet circuleren en in handen blijven van muntverzamelaars, kan dit de vraag naar het munten van edelmetaal doen toenemen.

Zulk ‘goed geld’ is vandaag de dag bijvoorbeeld de Krugerrand, de Amerikaanse Gold Eagle en soms de zilveren Maria Theresia thaler uit Oostenrijk. Munten van dit type zijn geliefd bij verzamelaars en handelaren.

"Slecht" geld is daarentegen muntgeld met een beduidend lager gehalte edelmetaal dan de nominale waarde van de munt, of zelfs geen edelmetaal. Soms is zulk ‘slecht geld’ in circulatie als geldig officieel betaalmiddel naast ‘goed geld’, tegen dezelfde nominale koers als dat ‘goede’ geld.

Legaal ‘slecht geld’[bewerken]

Overheden gingen er in het verleden soms nogal openlijk toe over, het officiële gehalte aan edelmetaal in officiële munten te verlagen, zodat de intrinsieke waarde van de munten lager werd dan de nominale waarde ervan. Wetten op de betaalmiddelen bepaalden dan, dat die ‘slechte’ munt toch de oude, nominale waarde behield. Bijvoorbeeld werden dan legeringen met niet-edelmetalen gebruikt voor de munten.

Illegaal ‘slecht geld’[bewerken]

Slaagt men erin om uit munten edelmetaal te verwijderen en toch de munt dezelfde nominale waarde te laten behouden, dan kan men het verwijderde edelmetaal weer apart verkopen, en dus winst maken. Als burgers dat doen is het fraude. Burgers ’snoeiden’ of schraapten soms munten: ze slepen de munt langs de rand iets af en wonnen daarmee dus kleine hoeveelheden van het edelmetaal, terwijl de munt nominaal toch dezelfde waarde behield. Ook valse munten, gemaakt van gewone metalen, vallen onder illegaal "slecht" geld.

Voorbeelden[bewerken]

Zilveren munten circuleerden algemeen in Canada (tot 1968) en in de Verenigde Staten (tot 1964 de dimes (10 cent) en de de quarters (25 cent) en tot 1971 de halve dollars). Echter, in deze landen werden die munten vervangen door goedkopere metalen, toen de marktwaarde van zilver tot boven de nominale waarde steeg. De zilveren munten verdwenen uit de circulatie toen burgers ze achterhielden wegens de huidige of te verwachten toekomstige intrinsieke edelmetaalwaarde, die boven de nominale waarde lag. Men gebruikte de nieuwere, van goedkoper metaal gemaakte munten in het dagelijks betaalverkeer. Dat deed zich ook in Nederland voor bij de overschakeling van zilveren guldens en rijksdaalders naar nikkelen, vanaf 1967. Aan het einde van de jaren zeventig probeerden de Amerikaanse gebroeders Hunt tevergeefs de zilvermarkt in handen te krijgen. Zij dreven de zilverprijs tijdelijk ver boven de historische niveaus en bevorderden zo dat zilveren munten nog meer uit de circulatie werden gehouden. Datzelfde doet zich heden ten dage voor met koperen munten zoals de Canadese penny van voor 1997, de Amerikaanse cent en de Britse koperen pennies en halfpence munten van voor 1992. Het komt zelfs voor bij munten van een minder duur metaal, zoals stalen munten in India.[6]

Ook bestaan er voorbeelden van verschillende munten die tegen korting of opslag toch gezamenlijk circuleerden. De Spaanse dollar circuleerde in de Verenigde Staten lange tijd gezamenlijk met Amerikaanse dollarmunten en wel met een opslag van een kwart tot één procent. Die Spaanse munt bevatte 373,5 grains zilver; de dollar slechts 371,25 grains. Hier vond vrije koersvorming plaats op basis van het gewicht edelmetaal en dreef de ene munt niet de andere uit omloop.[7]

Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog circuleerden er zowel ongedekte papieren Greenbacks (uitgegeven om de oorlog mee te financieren) als gouden munten. De Greenbacks daalden echter snel in waarde ten opzichte van het goud; na enkele jaren hadden zij nog maar een koers van rond de 40 procent.

Verandering muntstelsel[bewerken]

De uitspraak deed oorspronkelijk opgeld ten tijde van hervorming of verslechtering van het muntstelsel. Oude of zware munten verdwenen uit de circulatie ten gunste van nieuw ingevoerde, gesnoeide of lichte munten. Daarnaast concurreerden vooral kleine muntheren met grote muntheren door net iets lichtere munten met dezelfde nominale waarde uit te geven om op die manier hun inkomsten uit de sleischat te vergroten. De inhoud van de uitspraak veranderde van karakter met de invoering van het bi-metallieke stelsel, waarin volwaardige gouden en zilveren munten tegen een vaste prijsverhouding werden uitgegeven en vrij aangemunt konden worden, terwijl de prijsverhouding tussen goud en zilver kon veranderen.

In al deze gevallen is er sprake van "duur geld" (zwaar, bevat relatief veel edelmetaal) en "goedkoop geld" (dezelfde koopkracht als duur geld, maar een kleinere metaalwaarde). In een moderne economie komt dit alleen nog voor bij een diepgaande crisis, zoals een oorlog of het instorten van het vertrouwen in het geld in omloop.

Misverstand[bewerken]

Vaak wordt de wet van Gresham verkeerd geïnterpreteerd als zijnde het feit dat het de markt zelf is die goed geld uit de markt weert ten voordele van slecht geld. Deze formulering is te nauw en zou eigenlijk moeten vervangen worden door de uitleg "geld dat artificieel door de overheid overgewaardeerd wordt, drijft artificieel ondergewaardeerd geld uit de omloop", want zonder overheidsinterventie, in een vrije markt, zou het net zo zijn dat slechter geld uit de markt gedreven wordt. Immers, geld dat minder waard is, is minder koopkrachtig en dus minder gewenst. Het is slechts wanneer de overheid oplegt dat de waarde van dergelijk minderwaardig geld nominaal toch gelijk is aan die van beter geld, dat het betere geld uit de markt wordt gedreven. Dan worden die goede munten gewisseld voor vreemde valuta buiten de eigen markt, waarmee dan minderwaardig geld opgekocht wordt.

Invoering euro[bewerken]

Ook bij de eerste dagen na de eerste overschakeling naar de euro in de EMU op 1 januari 2002 heeft zich een dergelijk effect voorgedaan: de gebruikers waren nieuwsgierig naar de nieuwe munt, wilden die graag bij zich houden en gebruikten daarom de oude valuta om uit te geven, waardoor de euro in sommige landen de eerste dagen moeilijk circuleerde. Enkele nationale banken hebben dit effect proberen te counteren door enkele weken op voorhand al pakketjes met euromuntjes te verkopen of zelfs gratis uit te delen, om zo de nieuwsgierigheid al vooraf weg te nemen.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. The Elements of Political Economy, Henry Dunning Macleod, Chapter VI, punt 17, pp. 476-477.
  2. Uses and Abuses of Gresham's Law in the History of Money, Robert Mundell, augustus 1998, website University of Columbia.
  3. Zie Mundell voor vermelding hiervan.
  4. Forty Centuries of Wage and Price Controls, Robert L. Schuettinger en Eamonn F. Buder. Website Mises Institute.
  5. The economic principles of Confucius and his school, Chen Huan-Chang, website Archive.org.
  6. Sharp practice of melting coins, BBC News, 26 juni 2007.
  7. Greshams Law or Greshams Fallacy?, Arthur Rolnick & Warren Weber, Journal of Political Economy, 1986.