Wet van Hardy-Weinberg
De wet van Hardy-Weinberg of het Hardy-Weinberg-theorema is een wetmatigheid uit de populatiegenetica. Het werd genoemd naar de Britse wiskundige Godfrey Harold Hardy en de Duitse natuurkundige Wilhelm Weinberg, die het principe in 1908 onafhankelijk van elkaar ontdekten. Aan de hand van deze wet kun je uitgaande van het fenotype, de frequentie van de genotypes berekenen, en omgekeerd. (De berekening kan in twee richtingen, maar praktisch gaat het meestal in één richting.)
Afleiding [bewerken]
De frequentie van de heterozygoten en de homozygoten kan als volgt berekend worden uitgaande van de allelfrequentie:
- Stel: A en a zijn allelen van een zelfde gen (resp. dominant en recessief)
- Stel p=f(A)en q=f(a)
- en p+q=f(A)+f(a)=1 (er komen dus geen andere allelen voor)
- Hierin is f(a) het aantal allelen a gedeeld door het totaal aantal allelen
- Uit een vierkant van Punnett, ook wel een kruisingsschema genoemd, kan men afleiden:
| Wijfjes | |||
|---|---|---|---|
| A (p) | a (q) | ||
| Mannetjes | A (p) | AA (p2) | Aa (pq) |
| a (q) | Aa (pq) | aa (q2) | |
- (p+q)x(p+q)=1x1 of
- p2 + 2pq + q2 =1
- Nu is f(AA)=p2
- en f(Aa)=2pq
- en f(aa)=q2
Praktisch: nu kun je omgekeerd redeneren om aan de hand van het fenotype, de frequentie van de genotypes te berekenen.
Voorwaarden [bewerken]
Deze wet geldt enkel als de populatie in evenwicht is. Dit betekent dat
- de populatie voldoende groot is
- de individuen geheel willekeurig paren (m.a.w. er is geen seksuele selectie)
- er geen genetische selectie plaatsvindt
- er geen mutaties optreden
- er geen migratie uit of in de populatie plaatsvindt
- er geen sprake is van genetische drift.
Dit zijn relatief zware voorwaarden. In de praktijk wordt bijna nooit volledig aan deze voorwaarden is voldaan. Dit is vooral gerelateerd aan de voorwaarde dat er geen mutaties op mogen treden, aangezien organismen over het algemeen te maken hebben met eindeloos veel mutaties per dag (onder meer door crossing-over en willekeurige divergentie van gepaarde homologe chromosomen tijdens meiose I). Hierdoor is de kans op een grootschalige mutatie te groot om aan deze voorwaarde te voldoen. Hierbij kan worden opgemerkt, dat de meeste mutaties vanzelf worden rechtgetrokken door een correctiesysteem.