Wet van Henry

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Wet van Henry is een scheikundige wet vernoemd naar William Henry die van toepassing is op het moment dat een oplosmiddel in contact is met een gas. Als er contact is tussen een gas en een vloeibaar oplosmiddel, zullen er gasmoleculen gaan oplossen in het oplosmiddel. Als dit lang genoeg doorgaat, zal er een evenwicht worden bereikt, waarbij er evenveel deeltjes in of uit de oplossing gaan. De concentratie van de opgeloste stof is bij zo'n evenwicht recht evenredig met de concentratie van het gas; dit wordt de Wet van Henry genoemd. In symbolen kan de wet er zo uit zien:

Concentratie opgeloste stof = H * gasconcentratie

Hierbij is H de zogeheten Henry-constante; soms wordt hiervoor de letter K gebruikt, omdat het eigenlijk een soort evenwichtsconstante is. De Henry-constante geeft dus de verhouding tussen de gasconcentratie en de concentratie van de oplossing. De eenheid van de Henry-constante kan per bron verschillen. Een gebruikelijke eenheid is molair opgeloste stof per atmosfeer partiële gasdruk, maar de eenheid molair opgeloste stof per mol per liter lucht wordt ook wel gebruikt.

Samen met de Wet van Raoult wordt de Wet van Henry gebruikt bij de beschrijving van niet-ideale oplossingen.

Geldigheid[bewerken]

ml/ml water 0 °C 15 °C 30 °C
N2 0,0235 0,0177 0,0149
CO 0,0354 0,0268 0,0222
CO2 1,713 1,075 0,760
O2 0,0492 0,0365 0,0274

De Wet van Henry is een limietwet, die geldig is in de limiet dat de concentratie opgeloste stof naar nul gaat. Over welk concentratiebereik de wet in de praktijk geldig is hangt sterk af van hoe niet-ideaal de combinatie opgeloste stof/oplosmiddel is. Hoe sterker niet-ideaal hoe beperkter. Verder is de waarde van de Henry constante een eigenschap van de combinatie combinatie opgeloste stof/oplosmiddel, dit in tegenstelling tot de constante in Raoult's wet die voor het oplosmiddel geldt: dit is de evenwichtsdampdruk van het zuivere oplosmiddel alleen.

Toepassingen[bewerken]

Duikers moeten er rekening mee houden dat gassen bij duiken op grote diepte in het bloed kunnen oplossen; omgekeerd kunnen bij het opnieuw opstijgen gasbellen in de bloedbaan ontstaan die de bloedstroom beletten (embolie) (zie Caissonziekte).